zaterdag 12 november 2011

Brief aan Sinterklaas


Beste Sinterklaas,

Gaat het wel goed met u? Ik maak me een beetje zorgen, moet ik eerlijk zeggen. Ik weet ook wel: ik ben drieëntwintig en u minstens tweehonderd; u heeft veel meer levenservaring dan ik en weet ongetwijfeld precies wat u doet. Toch houdt uw toestand me bezig, Sinterklaas. U lijkt in één jaar honderd jaar ouder te zijn geworden. Uw wallen komen onder uw tabberd uit en uw neus is roder dan die van een doorgewinterde alcoholist.

Heeft u soms een roerige tijd gehad, in Spanje? Ruzie met Americo, hoorde ik? Na zoveel jaar moet dat erin hebben gehakt. Kunt u Americo niet stallen bij die maffe burgemeester, in ruil voor zijn rode autootje? Voor straf mee in de zak naar Spanje. Stout geweest: lucht vervuild. Dan kunt u die rotboot ook eens thuislaten. Brengt u alleen maar in de problemen: hij brandt af, vaart de verkeerde kant op, heeft verkeerde cadeautjes aan boord of heeft helemaal niets aan boord. Elk jaar voel ik weer plaatsvervangende schaamte opkomen als ik al dat gestuntel op die boot zie. Het is dat de kinderen altijd zo hard voor u zingen, anders was het allang een keer fout afgelopen.

Uiteindelijk ging alles ook dit jaar weer net goed. Waarom was u niet opgelucht, Sinterklaas? Ik heb u nog nooit zo ontevreden zien kijken. Alsof Gerd Leers uw tijdelijke verblijfsvergunning ter plekke, voor uw neus, verscheurde. En maar zwaaien. Als er u iets dwarszit, deel dat dan met uw fans, met de kinderen die u elk jaar met open armen ontvangen. Ga niet de schijn op houden dat u het naar uw zin heeft. Daar prikken ze zo doorheen. Lach niet steeds zo overdreven hard en zeg niet tweehonderd keer ‘dag hoor’ terwijl u het liefst ‘zak erin’ zou willen zeggen. Dat weet u zo onderhand toch wel, Sinterklaas, daar houden we hier in Nederland niet van, schijnheiligheid. Ook niet van heiligen.

En wat is er met Aart Staartjes gebeurd, Sinterklaas? Waarom is hij vervangen door een pratende kauwgombal? Aart hielp u altijd elegant te blijven terwijl u de boot verliet. Niemand kon dat beter. En dan in een keer de juiste vraag stellen, die bij alle kinderen thuis op de lippen brandde. Jeroen heeft u vandaag niet eens zien aankomen, Sinterklaas. Hij zat zich te vergapen aan de wagen van de burgemeester. Ontslag op staande voet, als u het mij zou vragen. Wat is er destijds voorgevallen tussen Aart en u, dat Aart Staartjes niet meer op u wacht en u niet meer in Sesamstraat verschijnt? Een relletje? Een geheime affaire met mevrouw Staartjes? Pesterijtjes van u en buurman Baasje? Voor de draad ermee, Sinterklaas!

Hoe het ook zij, u moet iets aan uw instelling veranderen. En aan uw team. Uw imago loopt schade op zo. Niet bij alle goedgelovige kinderen, maar wel bij ons, ongelovigen. Ik had u altijd erg hoog zitten, Sinterklaas, en daarom vind ik het ook erg vervelend om dit te moeten zeggen, maar ik vond u in Flodder beter.

donderdag 10 november 2011

Playbackshow


Morgen is het 11-11-2011. Wat een boel elven! Ik kijk wel eens op de klok, om 11:11 uur. Ook veel elven, maar niet direct een reden om naar het altaar te rennen. Morgen zal dat anders zijn. Daarbij is het ook nog eens Sint-Maarten en carnaval. Als ik morgen was, nam ik een dag vrij.

Op de basisschool spraken we op 11-11 altijd af met wie we zouden playbacken. Er was elk jaar een playbackwedstrijd, op school, in februari, als het echt carnaval was. De voorbereidingen hierop konden echter niet vroeg genoeg beginnen, net als alle andere voorbereidingen op carnaval niet vroeg genoeg kunnen beginnen.

Aangezien ik niks bakte van carnavalswagens bouwen, tonproaten of originele kostuums in de wacht slepen, zette ik elk jaar al mijn carnavalsgeld in op de playbackshow. Na mislukte bewerkingen van The Party Animals, Peter de Koning (‘Het is altijd lente…’) en Pittige Tijden hunkerde ik in groep zeven naar een podiumplek. Deze zou toegang bieden tot de dorpsfinale, waar ook leerlingen van andere scholen aan meededen. Bij het vormen van de groepjes stoof ik op Wouter af, een jongen waarmee ik niet zoveel omging maar die altijd hoge ogen gooide op vieringen.

Elke klas had eens in de zoveel tijd een viering: een optreden van een groepje van vier of vijf leerlingen. Samen met een paar vriendjes heb ik een keer, op de viering van het afscheid van de conciërge – ‘viering’ dekte de lading vrijwel nooit – Ik wil ook zo’n broek met van die zakken aan de zijkant geplaybackt. Maar de juf vond dat ongepast. Dus misschien was dat wel helemaal geen viering. Ik weet even geen beter voorbeeld.

Hoe dan ook: Wouter was goed in vieringen. Ik vroeg hem samen met mij een nummer te playbacken. Dat wilde hij, gelukkig. Na maanden oefenen, op onze kamers, op school, waren we klaar voor het grote moment. Voor 120 verveelde kinderen en 15 ongemakkelijk lachende leraren playbackten we Bob en Annie de Rooij. Na loting, op 11-11, was ik als Bob uit de bus gekomen. In onze klas kende niemand Bob en Annie de Rooij, maar we leken wel goed, vond iedereen. Voor Wouter was dat voldoende. Hij was een jaar ouder dan ik.

De week na ons optreden op school stonden we in De Elckerlijc. Een jongen uit de straat playbackte Ik kan niet tegen mijn verlies, van Kinderen voor Kinderen. Ik vond het dapper dat hij helemaal alleen op het podium stond. Hij zou wel eens kunnen winnen dacht ik. Wij moesten na hem. Het playbacken ging goed. We kregen positief commentaar, net als alle andere deelnemers. Gespannen wachtten we de uitslag af. We eindigden niet op het podium, helaas. Daar waren De Dansmariekes net te sterk voor.

zondag 30 oktober 2011

Klantonvriendelijk


Op het briefje dat ik in mijn handen heb staat: ‘We zetten ons in om u zo goed mogelijk van dienst te zijn’. Daar ben ik blij mee. Een paar dagen eerder keek een man met twee dikke, norse wenkbrauwen me nog weinig hulpvaardig aan. Dan is dit een grote vooruitgang. In zo’n korte tijd. Ik ben benieuwd hoeveel sluitingen ervan afkonden.

Het duurt even voordat ik daarachter kom. Als ik binnenkom staat dezelfde man met zijn rug naar me toe te sleutelen een schoen. Ik schraap voorzichtig mijn keel. Geen reactie. Ik hoest een paar keer. Geen reactie. Pas als ik richting uitgang loop, komt hij, met de schoen in zijn hand, in actie. ‘Ho ho, jongeman, ik kom er heus wel aan hoor.’ Ik twijfel of ik hiermee genoegen neem. ‘Ik moet jou spreken over je tas, jongen.’ Nee.

In allerijl leg ik tien euro neer en graai ik mijn tas van de toonbank. Op weg naar de uitgang mompel ik iets wat het midden houdt tussen ‘dankjewel’ en ‘wenkbrauw’. Misschien dat de eigenaar van de schoen wil praten over de andere schoen, die vast verdwenen is. Maar ik hoef geen tekst en uitleg, zeker niet op zo’n toon. De tas is genoeg. Als deze na twee dagen alweer kapot is, ga ik ermee naar een andere schoenmaker en hoop ik dat die betere sluitingen heeft. En manieren.

Op het briefje dat ik in mijn handen heb staat: ‘Met de service die u van ons gewend bent’. Ik ben niets gewend, maar het klinkt goed. Ik loop naar binnen en leg het ontwerp voor de bedrukking neer op een tafel. Een vrouw met een leesbril op haar lippen en een minzame grijns buigt zich over het A4-tje heen. ‘Meneer, u weet dat u dit niet zo kunt aanleveren. Hier kunnen we niets mee. Gaat u naar huis en komt u terug als u een geschikt ontwerp heeft.’

Ik heb thuis een zeer geschikt ontwerp gemaakt. Omdat de vrouw er een prominente rol in speelt, heb ik besloten hem ergens anders te laten drukken. In een winkel waar mensen werken die je willen helpen, die blij zijn dat je iets bij hen koopt en die niet de behoefte voelen je de les te lezen. Het was een hele zoektocht.

maandag 17 oktober 2011

Jongen in felrode jas


Het is koud in de stad. In de verte zie ik een jongen met een felrode jas. Hij klappertandt. Zijn gezicht is wit. Hij probeert uit alle macht een map te verbergen. In de map staat informatie over S.O.S. Kinderdorpen. De jongen wil naar huis. Ik krijg een idee. Met mijn beste Vifit-glimlach loop ik op hem af. ‘Hoi, mag ik je misschien wat vragen?’ ‘Nou, ik ben aan het wer...’ ‘Weet je hoe ik vanaf hier het snelst bij de kwartelstraat kom?’ ‘Nou, ehh.’ ‘Wacht, ik pak even pen en papier erbij. Ik heet Mike, trouwens, jij?’ ‘Sander.’ ‘Hoi Sander, wat een rotweer hè.’

Sander doet een stap achteruit. Ik doe een stap vooruit. ‘Het hoeft maar heel even te duren hoor. Als je me kunt vertellen in welke richting ik moet lopen ben ik al hartstikke blij.’ ‘Nou, je loopt gewoon die kant op.’ ‘Ja, dat is de voorstraat, toch? Heb je wel eens stilgestaan bij het aantal mensen dat zwerft in de voorstraat? Vreselijk, toch? Ik wil daar héél graag iets aan doen. En ik niet alleen. Mijn stichting zet zich daar enorm voor in. Wacht, dan pak ik even een foldertje.’

Sander is intussen nog een paar tinten witter geworden. Wanhopig kijkt hij achterom, naar zijn collega’s. Zij warmen zich aan grote bekers koffie. ‘Je komt er wel, zo, toch?’ Vraagt hij hoopvol. Maar aan een dergelijke voorzichtigheid heb ik, in deze situatie, totaal geen boodschap. De persiflage moet wel realistisch zijn. ‘Sander, toe, ik heb hem net helemaal voor je uit mijn tas gevist. Neem hem in ieder geval van me aan, dan ben je daarna van me verlost.’ Sanders gezicht klaart op. ‘Oké, dat lukt nog wel.’

‘Oh, als je me even je naam en adres geeft, dan stuur ik je een gratis welkomstworst, die de zwervers helemaal zelf maken, van afvalvlees, als tegenprestatie.’ ‘Nou, dat hoeft niet, dank je.’ ‘Oké. Dus je laat de zwervers voor niks al deze worsten maken? Dan zullen ze hier niet lang meer mee doorgaan. Ze worden al door alle voorbijgangers genegeerd en nu boor jij hen de enige leuke bezigheid die ze nog hebben ook zo even door de neus? Leuk is dat, zullen ze blij mee zijn.’ ‘Oke, oke’, zegt Sander, terwijl zijn ogen beginnen te glimmen en zijn ademhaling stokt, ‘Ik zoek een ander baantje.’ Ik geef hem een hand en loop tevreden naar huis.

zaterdag 8 oktober 2011

Reisbingo



We keken naar foto’s van een huisgenoot, die hij nam tijdens zijn reis naar en door Bali. Een andere huisgenoot was ook wel eens op Bali geweest. Zij herkende een aantal plekken en verhalen. Een vriendin van haar was ook wel eens op Bali geweest. Zij herkende minder. Ik herkende niets. Ik ben wel eens twee weken in Spanje geweest. Op doorreis. Van Barcelona naar een dorpje aan de Costa Brava.

Ik heb ooit een vriend zien vechten tegen een nootje toen hij hoorde dat ik nog nooit buiten Europa ben geweest. Een onschuldig feitje, dacht ik. Meer niet. Voor hetzelfde geldt was ik wel buiten Europa geweest. Het had een kilometer kunnen schelen, zoveel zegt het niet. Vind ik. Maar wie ben ik? Iemand die nog nooit buiten Europa is geweest, iemand die van niets weet.

Dus, als er in een gesprek, vaak plotseling, een populaire bestemming wordt aangesneden, ben ik gezien. Mijn bijdrage stokt. Berustend in mijn zwijgzame lot luister ik vervolgens naar competitieve reizigers die als bezetenen dezelfde verhalen vertellen over hippe continenten en overbekende routes die ze die zomer op hun reislijst hebben afgestreept. “Waar moet jij nog naartoe?” - ik zou willen dat ik het hier ter plekke verzon.

Met geen mogelijkheid lukt het me, tijdens zo’n gesprek, om mijn eigen reiservaringen onder de aandacht brengen. Een week fietsen in de Ardennen; alleen al bij het horen van ‘een week’ gaat bij de helft de haren recht overeind staan. De andere helft slaat spontaan aan de Whats-app of Wordfeut; de bestemming blijft hen dan tenminste nog bespaard. 

Nog nooit ben ik aanbeland bij de omgeving van Durbuy, bij de heg van overhellende bomen waar ik onderdoor fietste, bij de smalle, stille rivier die parallel liep aan het fietspad. De prachtige omgeving, kortom. Ja, in de Ardennen, dus zonder Tuc-Tuc's, reisgidsen, backpacks of waarbenjij.nu. Ik ben bang dat ook nu de eersten een veilig heenkomen aan het zoeken zijn.

zondag 2 oktober 2011

Als docent


Het is mijn eerste week op de school. De omgeving van de school is gevuld met kasten van huizen en huizen van auto’s. Ik kijk mijn ogen uit. De school is leuk. De sectie Nederlands, bestaande uit twaalf vrouwen en, met mij erbij, één man, is leuk. En de leerlingen zijn leuk. En toch moet ik wennen. Want ineens ben ik een docent. 

Ik ga mee op excursie. Als docent. Ik sta in de Albert Heijn achter een man die geen idee heeft wat hij in zijn mandje gelegd heeft. De vrouw achter de kassa weet het ook niet. Ik heb haast. Als leerling had ik me niet druk gemaakt. Te laat komen is, zeker met zo’n verhaal op zak, pure winst op alle brave klasgenoten die de gordel al om hebben. Maar vandaag moet ik op tijd komen. Ik denk aan een docent, die na drie keer tellen nog altijd niet weet welke leerling er nog niet is. Er zal wel weer een of ander slecht excuus op komst zijn.

In de bus wordt er gezongen. Ik houd me in. In de bus worden er grapjes gemaakt over de buschauffeur. Ik weet er ook een, maar ik houd me in. In de bus worden tictacs doorgegeven. Ik weet dat het doosje aan me voorbij zal gaan. Bij aankomst ben ik een minuut of tien in gesprek met de buschauffeur. De dag dat zijn vrouw hem verliet was de mooiste van zijn leven. Toen alle gal op straat lag, ging hij slapen.

We lopen de stad in. Ik krijg heimwee naar mijn eigen schoolreisjes. Een local de opdrachten laten maken, in ruil voor stiekem meegebrachte biertjes. Met vrienden in het park je vergapen aan de rare mensen - want niet 16, uit Tilburg en met de goeie kleren aan - die voorbij lopen. Als na een paar minuten dagdromen een leerling me vraagt wat er eigenlijk leuk is aan een wandeling langs literaire bezienswaardigheden, schraap ik alle beetjes docent bij elkaar en zeg: ‘Dat merk je vanzelf als je onderweg bent.’ En ik weet dat dat onzin is.

zondag 25 september 2011

De tiende fiets



Als ik een oranje fietsvlaggetje zou hebben, hing ie vandaag halfstok. Tenminste, als hij niet al in vieren gescheurd of meegenomen was. Zojuist heb ik afscheid moeten nemen van mijn tiende fiets en het valt me zwaar hier iets over te schrijven. In mijn maag beginnen de vorige negen zich te roeren, nu de tiende verdwijning een feit is. Toch, zo drukte de fietsenmaker me op het hart, is het goed als ik het verlies onder woorden probeer te brengen. En, als ik daar eenmaal mee bezig ben, kan ik meteen de resten van de andere negen tweewieltrauma’s wegpoetsen. Hij weet waar hij over praat: dagelijks neemt hij noodgedwongen afscheid van tientallen stalen kanjers.

Fiets één was een wat gemakzuchtige, bruine stadsfiets met een abonnement op lekke banden. Hij verdween in een gure decembernacht. Een handvol pepernoten en een grote pluk wit haar waren de enige sporen van de dader. De tweede fiets was een taai damesmodel, een blauwe fiets met een eigen wil. Zo probeerde ik er ooit tevergeefs lampen op te bevestigen. De dag erna lag ze tussen twee mannenfietsen in. Uitgewoond. Dubbelgeklapt. Einde verhaal.

Het verlies van nummer drie ligt nog steeds erg gevoelig. Ik wil daar op dit moment weinig over kwijt. Het was nooit mijn bedoeling, laten we het daarop houden. De vierde fiets draagt een bijzonder levensverhaal met zich mee. Laag zelfbeeld, op het verkeerde pad geraakt, uiteindelijk in handen van een junk terechtgekomen. Ik kocht hem voor een tientje, de rest is geschiedenis. Hij ontpopte zich tot een van de meest toonaangevende fietsen van Utrecht, met zijn twee stangen. Het was wachten op het moment dat hij de wijde wereld in zou trekken. En zo geschiedde. In zijn afscheidsbrief schreef hij dat er nog genoeg fietsen met twee stangen op mijn pad zouden komen.

De racefiets, nummer vijf, heeft zich nooit thuisgevoeld in Utrecht, zo liet hij me laatst per what’s app weten. Waar hij nu is wil hij niet zeggen, maar ‘ik zoek je ooit nog een keer op’, verzekerde hij me. Daar houd ik me dan maar aan vast. De verdwijning van de zesde fiets is de meest pijnlijke van alle. Met hem had ik de meest hechte band. Vanaf het moment dat hij, gehuld in ballonnen, me onder het doek vandaan aankeek, was ik verkocht. Ik heb hem nooit kunnen vertellen hoe blij ik was met hem, met zijn donkerbruine degelijkheid, zijn trouwe karakter. Nu is het te laat. In de zomer van 2010 is hij ontvoerd, midden op een van de klamste dagen. Daar was hij geen liefhebber van. Ik had het kunnen voorvoelen.

Door fiets zeven ben ik ronduit bedrogen. Hij zei van een bekende krant te zijn, maar de manier waarop hij na drie tochtjes in elkaar zakte, verried zijn onbetrouwbare en corrupte roots. Het zal wel een roddelkrantje zijn geweest. Fiets acht en negen waren weg voordat ik er goed en wel kennis mee had kunnen maken. Nummer acht werd na de eerste onwennige week al gestolen, nummer negen parkeerde ik al gauw met iets teveel overtuiging tegen een andere fiets. Twee gebroken remkabels, een ontwricht stuur en vele gescheurde spaken waren het resultaat. Ik heb hem in laten slapen.

Fiets nummer tien maakt dit trieste rijtje compleet. Ik dacht de sleutel te hebben die het moeilijke karakter van dit doorleefde exemplaar zou blootleggen, maar toen ik de sleutel in het  kettingslot stak, brak hij af. Samen met mijn vertrouwen in de liefde tussen de fiets en mij. Ik vrees nu al voor mijn eerste auto.

zondag 11 september 2011

Code oranje


Het wordt noodweer. Even kijken, over tien minuten wordt het noodweer. Tot ongeveer een uur na nu. Code oranje. Als je niet meer kunt stoppen, oke, dan mag je door, maar anders is het omkeren, huis in, stroom uit, bed in.

Op internet lees ik dat ik alleen naar buiten kan als ik per se naar buiten moet. Wat moet ik daar nou weer mee? Ik mag dus naar buiten. Er zullen wel wat wenkbrauwen gefronst worden, maar ik zal er geen last mee krijgen – fijn. Maar, het mag alleen als het moet, omdat ik bijvoorbeeld geen huis heb, of als ik ergens op een verlaten station sta en alleen een zompig broodje en een paar tandenstokers bij me heb. Als ik de hond uit wil laten of de bladeren van de stoep wil blazen, wordt me geadviseerd dat op een ander moment te doen. Want zelf kom ik daar niet op. Zelf sta ik, op badslippers, in de aanslag om het oud papier weg te brengen. Cocktailtje voor onderweg. Gelukkig herkent nu.nl slecht weer voor mij. En voor u. Zodat u, ook als u ooit een avond in een geluiddichte kelder verpoost, weet wanneer u een regenjas aan moet doen. Onze dank gaat uit naar code oranje. Het is dat ik dit stukje op een site zet, anders had ik hem geplastificeerd. Uit voorzorg.

vrijdag 9 september 2011

Nee tegen bellen


Gisteren bestond mijn vooruitzicht op de komende weken nog uit het grondig uitruimen van mijn klerenkast, het ophalen van mijn kapotte fiets en, boven alles, het niet vergeten te kijken naar de inschrijfperiode van een opleiding die in februari 2012 begint. Maar dat alles kon ook best na een potje Pro Evolution Soccer. Of tien.

Alleen al tijdens het schrijven van bovenstaande regels is dit vooruitzicht twee keer gewijzigd. Op mijn fiets hoef ik voorlopig niet te rekenen en ook de andere twee plannen lopen serieus gevaar. Uit alle macht haal ik agenda, pennen en overzicht uit de kast. Verspilde energie. Voor ik het weet heb ik me weer ingelaten met een aanbod of aanbieding, even onduidelijk als onhaalbaar. Langzaamaan kom ik aan in het domein van de primaire behoeften. Niet vergeten boterhamzakjes te kopen zo.

Bellen en nee zeggen. Combineer ze en een voor mij onmogelijke opdracht is het resultaat. Bellen: iemand spreken zonder dat je iets anders ziet dan de spiegel die onder de tandpastavlekken zit en nodig eens schoongemaakt moet worden, zonder met de timing in de knoei te komen omdat je consequent met een zin begint als de ander dat ook doet. Ik kan het niet. Ik kom er niet uit. Vaak wijt ik mijn gepruts uit pure wanhoop maar aan een tunnel of een windvlaag, anders was me het recht op telefoneren denk ik allang ontnomen.

Nee zeggen, dat kan ik wel, maar pas als ik weet waarom ik nee zeg. En dat weet ik als ik over de betreffende vraag nadenk. En dat lukt me niet als ik bel. Als ik bel reageer ik intuïtief en mijn intuïtie geeft me vrijwel altijd in: ‘ja’, ‘doen’, ‘dat is leuk’ of ‘dat lukt je wel’. Ja zeggen, dat lukt me wel. Maar het kan niet eindeloos doorgaan. Dat ik nu elke week post krijg van de Vriendenloterij en tegelijkertijd zoveel toezeggingen doe dat ik nauwelijks nog tijd overhoud om met mijn vrienden om te gaan, is me een tegenstrijdige brug te ver. Dus wie me nu ook belt, hij of zij zal een ‘nee’ te horen krijgen. Het is niet anders, ik moet redden wat er nog te redden valt.

Er wordt helaas niet voor me gekookt vanavond. Ik had er iets later mee moeten starten.

donderdag 1 september 2011

Voornamen



Ik hoor niet graag zinnen die beginnen met mijn eigen naam. Dan probeer ik de ander snel naar de eigenlijke boodschap te stuwen. Ik weet hoe ik heet en ik weet dat er anderen zijn die het ook weten. Daar mag het wat mij betreft bij blijven. Het horen van mijn voornaam maakt me altijd een beetje onzeker. Het is niet dat ik mijn naam lelijk vind – al vind ik hem ook niet overdreven mooi. Alleen, ik heb de neiging aan sommige voornamen allerlei zeer specifieke en lang niet altijd even voordelige eigenschappen en levenswegen te koppelen. Hetzelfde doe ik, zo blijkt, met mijn eigen naam. Onzekerheid is de uitkomst van de som van mijn naam en mij.

Bij anderen vormen naam en persoonlijkheid een wat harmonieuzer geheel. Tijs van den Brink is zo iemand. Tijs dringt al veertig jaar als een te grote hap waterijs ieders geweten binnen. Een collectieve brainfreeze heeft er ooit voor gezorgd dat Tijs zendtijd kreeg. Tijs heeft in zijn jeugd afscheid moeten nemen van de 'h', die bij andere Thijsen mocht blijven zitten waar hij zat. Omdat er, zelfs in zijn puberteit, nog steeds geen spoor van ‘hartelijkheid’, ‘humor’ of ‘hartstocht’ in Thijs aangetroffen werd, moest hij zonder ‘h’ verder. Gerechtigheid, als je het mij vraagt.

Johnny de Mol is ook een goed voorbeeld van een geslaagde combinatie. John is een wereldburger die verder kijkt dan zijn eigen neus, voordeur en vriendin lang, hoog en lekker zijn. De ‘ny’ zorgt ervoor dat Johnny zichzelf niet al te serieus hoeft te nemen. Hij reist, maar zonder regels, ongedwongen, zonder bestemming. John zou een beveiliger van een wat ranzig hotel op Bonaire kunnen zijn. Johnny kan zonder zorgen een gitaar op de barbecue gooien en intussen een beetje jammen op zijn everzwijn. Zo is Johnny. Dat weet je bij het horen van de naam.

Wat Mike voor iemand is, dat houd ik liever nog even geheim. In de tussentijd probeer ik meer één te worden met hem. Mijn eerste bezoek aan de sportschool komt steeds dichterbij.