dinsdag 24 januari 2012

Series



Series kijken is scoren. Voor open doel, dat wel, maar toch. Kom op een onwennige zitverjaardag binnen en zeg tegen de eerste de beste achterneef die je ziet: ‘Ik vond Two and a half men leuker toen Charlie Sheen er nog in zat.’ en je zit de hele middag gebakken. Of: ‘The Office UK, ja, die is tóch net iets leuker dan de Amerikaanse.’ Geen vakantiehuis in Zeeland of binnendoorweg parallel aan de A2 houdt nog stand. Iedereen zal je bewonderend aankijken en je open deuren ontvangen met dankbaar geknik.

Naast je zit een jongen die niet knikt, een jongen die geen series kijkt. Deze jongen is gedurende de eerste minuten nog geanimeerd luisteraar, maar verandert daarna al gauw in een in zichzelf gekeerde sms’er. Voor hem zit het gesprek er na twee keer onbegrijpend lachen op. Hij heeft nog nooit The Office gezien en voelt ook niet de behoefte. Intussen spelen jij en ik (ik ben een buurjongen van de jarige, of een teamgenoot, of de broer) een scène na. We kennen de tekst woordelijk, allebei. Al gauw weten we dat ook van elkaar. En toch willen we elkaar imponeren. ‘Just a trail people,’ ‘Hahaha, ja, ja!’ ‘Do not panic, okay. it’s just a, a, a … ja, eh, a … eh …. trail, toch?’

Snel overschakelen naar een andere serie. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. ‘Julia en ik waren gisteren zó moe, dat we voor het eerst in tijden weer ’s een pizzaatje hebben besteld.’, hoor ik een (corporale) vriend van de familie zeggen. Dit is mijn kans. ‘Ik verveel me.’ Zeg ik zo hard ik het me kan veroorloven. Er volgt al gauw respons. Nota bene van de vriend van de familie zelf - hij had de broer van Kamphuis kunnen zijn. ‘Hahaha, heb jij honger dan?’ Ik: ‘Nee, maar dan kunnen we nog wel een pizzaatje bellen!’ Roeland giert het uit, samen met de andere Jiskefetkijkers. De rest van het gezelschap lacht ook, maar dan om de rare wendig die het verhaal van Roeland heeft gekregen. Niet veel later wordt er druk gesmst. 

Ook door de jongen naast je. Nog steeds. Ik probeer hem in het gesprek te betrekken en kies daarvoor de meest doeltreffende manier: ‘Maar de koning onder de series blijft toch Friends, hè, jongens, tijdloos! Op wie van Friends lijk jij het meest, eh, wat is jouw naam ook alweer?’ Johan, dat was zijn naam. En hij leek het meest op Ross. 'Ik denk niet dat Ross veel series kijkt. En als hij het al doet, houdt hij er op verjaardagen zijn mond over.'

maandag 16 januari 2012

De kluis



Eigenlijk wilde ik het hier niet meer over hebben. Anders wordt het zo’n gezeur, dacht ik. Ik zou me niet meer druk maken hierover, en als ik me druk zou maken, dan niet op papier. Desnoods zou ik me vol overtuiging afreageren op willekeurig hulpverlenend personeel – dat schijnt tegenwoordig nauwelijks nog op te vallen. Alles beter dan weer zo’n klaagzang. Het hele voornemen kan na twee weken weer de prullenbak in.

Ik ren in allerijl de trein uit, op weg naar een kluis waarin ik die ochtend mijn weekender gegooid heb. De planning van de dag had me, de avond ervoor, de nodige hoofdbrekens bezorgd: puzzels vol treintijden, handelingen, boterhammen en kluizen. Maar geen verspilde moeite, zo bleek, want ik lag precies op schema.

Bij het kluisje aangekomen herinner ik me de oude man, die, een uur of acht geleden, met een rood hoofd en ongecontroleerde bewegingen een kaartje in een van de kluizen probeerde te duwen. Zonder succes, waarschijnlijk, want als ik acht uur erna hetzelfde probeer, gebeurt er niets. Ik kijk naar een scherm, dat tussen twee kluizen verstopt zit. Er staat in groep-3-taal uitgelegd wat ik moet doen. Het haalt allemaal niets uit.

'Godsamme, dat heb je mooi voor elkaar, hee.’, snauwt de NS-medewerkster me toe. Een collega valt haar bij: ‘We zaten net lekker aan de koffie. Ik mag hopen dat het geen vals alarm is.’ Dienstverlening, denk ik, dienstverlening. ‘Je zal ‘m wel gevouwen hebben. Och jee, ik zie het al, je hebt hem gevouwen, man!’ Ik kijk naar de brillenglazen op de neus van de vrouw. Daar moet een flinke knik in hebben gezeten. Ze stopt een sleutel in de kluis en vraagt intussen naar het merk van mijn tas. Ik weet het merk niet. Wel kan ik ‘r mijn rijbewijs laten zien, ik weet immers dat in mijn tas mijn paspoort ligt. Dan is een merkje meer of minder niet al te relevant meer, denk ik.

De NS-vrouw denkt daar anders over. ‘Klopt het dat je er natte handdoeken in hebt gestopt?’, vraagt ze, en ik zie mijn natte handdoeken in haar handen uitgevouwen worden. Het antwoord laat zich raden, denk ik, maar ik zeg: ‘Ja, dat zijn mijn handdoeken.’ ‘En waarom heb je die er nat in gedaan?’ Zei ze dit nu echt? Ik probeer er niet op in te gaan. Het lukt me. Totdat ik langer stilsta bij het feit dat mijn tas ongevraagd opengehaald wordt door deze tactloze idioten, omdat hún kluizen niet werken.

‘Wij vinden het ook vervelend, jongen!’ Ik kan niet veel meer onzin verdragen, merk ik. ‘Dat snap ik.’, lieg ik, ‘Maar het zijn niet mijn kluizen. Ik mag er toch wel van uitgaan dat dit systeem werkt?’ Een agente springt bij. ‘Nu moet jij effe je grote mond houden, jongeman, en gewoon naar deze mevrouw luisteren.’ Ik begin langzaam gek te worden. Zit ik in een soort Truman Show ofzo? 

Moet ík mijn mond houden? Zou ik dat ook moeten doen als ze bij de Albert Heijn mijn boodschappentas om zouden kieperen? Of bij de fietsenmaker mijn fietssleutels zouden innemen? Dat is toch de wereld op zijn kop? Intussen herwint de vrouw, gesteund door de agente, weer wat van haar waanzin. Ze besluit haar absurde reeks aantijgingen in stijl, met: ‘Je zal wel een flinke schop tegen die kluis gegeven hebben, jochie.’ Ik zoek wanhopig hulp bij haar collega, maar die is allang weer koffie aan het drinken.

woensdag 4 januari 2012

Darten



Ik heb iets op te biechten: ik kijk naar darten, op tv. En vaak ook. Liefst elke dag, van de voorbeschouwing tot de laatste futloze pijlen van Gerald Sibon in de studio. Ik consumeer het gulzig en verlang direct naar meer.

Het komt niet eens door de pijlen in en naast de dubbels. Dat zal allemaal wel. Het zijn de darters en het is het hele circus eromheen, daarom kijk ik. De taferelen op en rond het podium brengen mij in een soort Gouden-Kooi-achtige vervoering. Ik geloof niet wat ik zie gebeuren, maar het gebeurt.

Eeuwige subersub Koert Westerman opent de avondvullende uitzending zoals hij zich eerder bij Voetbal International ook heeft verontschuldigd: ‘Dames, heren, u zult het met mij moeten doen vanavond.’  Bij hem aangeschoven is Gerald Sibon, bekend van de voetbalvelden, maar ook van de dartboards: hij gooit elke week pijltjes, in competitieverband. Op de ranglijst van RTL7 eindigt Gerald net onder Dreetje Hazes. Verdienstelijk.

Er wordt overgeschakeld naar Purfleet, waar vijfhonderd opgevoerde toeschouwers hun doorrookte longen uit hun zwaarlijvige lijf schreeuwen. Opgevoerd zijn ze door rondvliegende siliconentieten die zo af en toe aan een botoxlijf blijven plakken. De Miss Purfleets hebben zonet een rondje gelopen om en op het podium en mogen weer naar huis. Als in 2012 de wereld ophoudt te bestaan is de emancipatiecirkel in ieder geval weer helemaal rond.

Dan komen de darters in beeld. Twee mannen, vier oorbellen, acht tattoos, zestien buitenechtelijke zoons, waarvan er één ook is doorgedrongen tot het hoofdtoernooi, 32 bier achter de kiezen, 64 kilo aan overgewicht, deels veroorzaakt door 128 weggeschrokte hamburgermenu’s in de Mac van Purfleet. De mannen geven elkaar een boks – allebei zijn ze de veertig ruim gepasseerd.

Tussen de legs en sets door geeft Co Stompé in de studio deskundig commentaar. Je hoort hem dingen zeggen als: ‘Als hij die bull meteen gooit, heb ie ‘m bij zijn lurven hangen en speelt ie hem helemaal zoek.’ Co weet waar hij het over heeft, kan zelf putten uit een rijke ervaring met in de lurven hangen. Barney heeft hem er vaak uit moeten plukken, ’s avonds laat, wanneer de Engelse darters naar de pub waren en de Nederlandse fanatiekelingen hulpeloos achterbleven, elkaar vermoeiend met nieuwe gooitechnieken. Volgens mij is Nederland het enige land waarin darten als een sport gezien wordt.

zaterdag 31 december 2011

Men at Work

Het is de dag na kerst (de mooiste dag van het jaar) en ik loop met mama door Tilburg, bonnetjes van de H&M en de HEMA in de aanslag. De kleren die ik had gekregen waren iets te klein - ik was een tijd niet thuis geweest. Mijn moeder had van alle kledingstukken zorgvuldig de prijskaartjes af gehaald. Het waren tenslotte cadeautjes. Het kostte ons een halfuur om alles te ruilen; de kerstgedachtes van het winkelpersoneel waren al veilig opgeborgen. Allemaal overkomelijk, ware het niet dat het derde bonnetje dat we bij ons hadden van de Men at Work afkomstig was. De Men at Work, zo’n beetje het tegenovergestelde van wat we er aantroffen.

Ik kijk naar de broek die ik ga ruilen. Het is toch niet alleen de maat. Hij is best leuk, maar iets te gebleekt, en iets te donker misschien. Ik heb al een paar donkere spijkerbroeken, een lichte zou de boel mooi in balans brengen, denk ik, en ik zie een paar winkelende mannen iets soortgelijks denken. Ik loop met lichte tegenzin naar de spijkerbroeken, die weerloos aan twee lange witte koorden hangen te hangen. De reden van mijn tegenzin stapt op me af en kijkt me aan, terwijl een schaapachtige grijns zijn verveling verraadt. “Lukt het allemaal een beetje?”

Een beetje lukt het zeker. Dus ik antwoord: “Ja hoor, het lukt wel.” Ik kijk de man at work heel even aan, uit bij elkaar geperste beleefdheid. Het is meer een child at work, denk ik, maar de naam Children at Work wekt argwaan, dat snap ik wel. Ik kijk snel weer naar de broeken. Voor ik het weet hang ik ertussen en krijg ik veertien nieuwe collecties omgehangen en aangetrokken. “Heb je een beetje een idee wat je ongeveer zo’n beetje zoekt?” Het beetje lukken begint gevaar te lopen, ik voel me steeds ongemakkelijker worden. “Ja, dat weet ik. Ik kom eruit, hoor, dankjewel.”

Ik kijk hem nog een keer kort aan. Ik heb spijt van mijn ‘dankjewel’, ik zie direct de niet bedoelde uitwerking ervan: de jongen legt een broek weg en komt nog wat dichterbij. “Oké, mag ik vragen wat voor modelletje je zoekt?” Dat heb je zojuist gedaan, denk ik. Doutzen Koes zou wel leuk zijn. “Nou ja, eh, ja, een eh, spijkerbroek, gewoon, een spijkerbroek, een lichte.” Nu kijk ik niet meer op, deels uit strategische overwegingen en deels uit schaamte. Waarom kan ik zo’n jongen niet van me afschudden? Of: waarom heeft Jip Hip niet door dat ik al vanaf de eerste seconde één brok communicatieve weigering ben?

Zuchtend geef ik het op. “Ik kijk even verder, dankjewel.” Weer zo’n misplaatste ‘dankjewel’, waar komen die elke keer vandaan? Mijn moeder vraagt iets aan me, maar ik kan het niet verstaan, ik hoor alleen de muziek, die overdreven hard de winkel door trilt. We lopen naar de truien en vesten, ik verzin dat ik die ook goed kan gebruiken. 

zondag 18 december 2011

Me, myself and iPhone



Tegenover me zitten twee meisjes. Ze zijn een jaar of dertien en hebben allebei een iPhone vast; een vanzelfsprekendheid die er bij mij nog niet helemaal ingaat. In hun oren zingt Rihanna dat ze niemand nodig hebben en thuis wacht facebook op een paar willekeurig geplaatste likes, hartjes en wjnmk’s. Intussen hebben ze het met elkaar over jongens. Ze kijken erbij alsof ze zojuist voor de derde keer gescheiden zijn. ‘Ja, weet je, ik vond hem echt wel leuk enzo, maar hij doet gewoon niet zo chill nu, kapot irri, weet je.’

Het linkermeisje heeft zich, om het plaatje compleet te maken, flink opgemaakt en draagt een spijkerbroek die verhult dat ze nog haar boeken kaft en een bedtijd heeft. Haar vriendin, of eigenlijk haar praatprojectiel, zit er meer casual bij, in een joggingbroek en een adidasjas met groene, fluorescerende strepen. Als ze zou weten hoeveel licht deze geven als ze ’s avonds zonder licht door de stad fietst, zou ze ze er ter plekke hebben afgekrabd. Ze had er de nagels voor.

‘O, ja, maar weet je. Stino laat al gewoon zeg maar gewoon drie uur ofzo niks van zich horen. Kankaleluk.’ ‘Oke, ja. Maar ik heb die jongen dus gewoon gesmst, krijg ik gewoon niks terug, nog steeds niet.’ ‘Oh. Ik denk echt dat Stino gewoon een ander heeft ofzo, weet je.’ ‘Ja. Als ie nu niet terug smst heeft ie echt een probleem jonge, dan maak ik het uit ofzo.’ ‘Ik heb wel ‘s vijf dagen met een jongen gehad.’ ‘Ik wel ‘s vijf uur.’ ‘Ik wel ‘s vijf minuten.’

Ze blijven elkaar nog een tijdje overbluffen. Op een gegeven moment heeft het rechtermeisje het wel ’s uitgemaakt met een jongen voordat ze iets met hem had. Hij was er nog steeds kapot van. Zij niet zo, want … En er volgde weer iets indrukwekkends, iets kapot stoers, iets Beyoncé-independent-woman-achtigs. De jongens in kwesties hijgden in alle verhalen hoopvol achter de Uggs van de dames aan, waar zij zelf in hoge snelheid naast liepen. Als ze te hard liepen en alleen overbleven, ging de iPod aan en lieten de besties-4-evah zich door Jesse J vertellen dat ze schijt aan alles moesten hebben. 

Ik vroeg me altijd af waar Steve Jobs die ‘i’ vandaan had gehaald. Tot vandaag. 

zaterdag 12 november 2011

Brief aan Sinterklaas


Beste Sinterklaas,

Gaat het wel goed met u? Ik maak me een beetje zorgen, moet ik eerlijk zeggen. Ik weet ook wel: ik ben drieëntwintig en u minstens tweehonderd; u heeft veel meer levenservaring dan ik en weet ongetwijfeld precies wat u doet. Toch houdt uw toestand me bezig, Sinterklaas. U lijkt in één jaar honderd jaar ouder te zijn geworden. Uw wallen komen onder uw tabberd uit en uw neus is roder dan die van een doorgewinterde alcoholist.

Heeft u soms een roerige tijd gehad, in Spanje? Ruzie met Americo, hoorde ik? Na zoveel jaar moet dat erin hebben gehakt. Kunt u Americo niet stallen bij die maffe burgemeester, in ruil voor zijn rode autootje? Voor straf mee in de zak naar Spanje. Stout geweest: lucht vervuild. Dan kunt u die rotboot ook eens thuislaten. Brengt u alleen maar in de problemen: hij brandt af, vaart de verkeerde kant op, heeft verkeerde cadeautjes aan boord of heeft helemaal niets aan boord. Elk jaar voel ik weer plaatsvervangende schaamte opkomen als ik al dat gestuntel op die boot zie. Het is dat de kinderen altijd zo hard voor u zingen, anders was het allang een keer fout afgelopen.

Uiteindelijk ging alles ook dit jaar weer net goed. Waarom was u niet opgelucht, Sinterklaas? Ik heb u nog nooit zo ontevreden zien kijken. Alsof Gerd Leers uw tijdelijke verblijfsvergunning ter plekke, voor uw neus, verscheurde. En maar zwaaien. Als er u iets dwarszit, deel dat dan met uw fans, met de kinderen die u elk jaar met open armen ontvangen. Ga niet de schijn op houden dat u het naar uw zin heeft. Daar prikken ze zo doorheen. Lach niet steeds zo overdreven hard en zeg niet tweehonderd keer ‘dag hoor’ terwijl u het liefst ‘zak erin’ zou willen zeggen. Dat weet u zo onderhand toch wel, Sinterklaas, daar houden we hier in Nederland niet van, schijnheiligheid. Ook niet van heiligen.

En wat is er met Aart Staartjes gebeurd, Sinterklaas? Waarom is hij vervangen door een pratende kauwgombal? Aart hielp u altijd elegant te blijven terwijl u de boot verliet. Niemand kon dat beter. En dan in een keer de juiste vraag stellen, die bij alle kinderen thuis op de lippen brandde. Jeroen heeft u vandaag niet eens zien aankomen, Sinterklaas. Hij zat zich te vergapen aan de wagen van de burgemeester. Ontslag op staande voet, als u het mij zou vragen. Wat is er destijds voorgevallen tussen Aart en u, dat Aart Staartjes niet meer op u wacht en u niet meer in Sesamstraat verschijnt? Een relletje? Een geheime affaire met mevrouw Staartjes? Pesterijtjes van u en buurman Baasje? Voor de draad ermee, Sinterklaas!

Hoe het ook zij, u moet iets aan uw instelling veranderen. En aan uw team. Uw imago loopt schade op zo. Niet bij alle goedgelovige kinderen, maar wel bij ons, ongelovigen. Ik had u altijd erg hoog zitten, Sinterklaas, en daarom vind ik het ook erg vervelend om dit te moeten zeggen, maar ik vond u in Flodder beter.

donderdag 10 november 2011

Playbackshow


Morgen is het 11-11-2011. Wat een boel elven! Ik kijk wel eens op de klok, om 11:11 uur. Ook veel elven, maar niet direct een reden om naar het altaar te rennen. Morgen zal dat anders zijn. Daarbij is het ook nog eens Sint-Maarten en carnaval. Als ik morgen was, nam ik een dag vrij.

Op de basisschool spraken we op 11-11 altijd af met wie we zouden playbacken. Er was elk jaar een playbackwedstrijd, op school, in februari, als het echt carnaval was. De voorbereidingen hierop konden echter niet vroeg genoeg beginnen, net als alle andere voorbereidingen op carnaval niet vroeg genoeg kunnen beginnen.

Aangezien ik niks bakte van carnavalswagens bouwen, tonproaten of originele kostuums in de wacht slepen, zette ik elk jaar al mijn carnavalsgeld in op de playbackshow. Na mislukte bewerkingen van The Party Animals, Peter de Koning (‘Het is altijd lente…’) en Pittige Tijden hunkerde ik in groep zeven naar een podiumplek. Deze zou toegang bieden tot de dorpsfinale, waar ook leerlingen van andere scholen aan meededen. Bij het vormen van de groepjes stoof ik op Wouter af, een jongen waarmee ik niet zoveel omging maar die altijd hoge ogen gooide op vieringen.

Elke klas had eens in de zoveel tijd een viering: een optreden van een groepje van vier of vijf leerlingen. Samen met een paar vriendjes heb ik een keer, op de viering van het afscheid van de conciërge – ‘viering’ dekte de lading vrijwel nooit – Ik wil ook zo’n broek met van die zakken aan de zijkant geplaybackt. Maar de juf vond dat ongepast. Dus misschien was dat wel helemaal geen viering. Ik weet even geen beter voorbeeld.

Hoe dan ook: Wouter was goed in vieringen. Ik vroeg hem samen met mij een nummer te playbacken. Dat wilde hij, gelukkig. Na maanden oefenen, op onze kamers, op school, waren we klaar voor het grote moment. Voor 120 verveelde kinderen en 15 ongemakkelijk lachende leraren playbackten we Bob en Annie de Rooij. Na loting, op 11-11, was ik als Bob uit de bus gekomen. In onze klas kende niemand Bob en Annie de Rooij, maar we leken wel goed, vond iedereen. Voor Wouter was dat voldoende. Hij was een jaar ouder dan ik.

De week na ons optreden op school stonden we in De Elckerlijc. Een jongen uit de straat playbackte Ik kan niet tegen mijn verlies, van Kinderen voor Kinderen. Ik vond het dapper dat hij helemaal alleen op het podium stond. Hij zou wel eens kunnen winnen dacht ik. Wij moesten na hem. Het playbacken ging goed. We kregen positief commentaar, net als alle andere deelnemers. Gespannen wachtten we de uitslag af. We eindigden niet op het podium, helaas. Daar waren De Dansmariekes net te sterk voor.

zondag 30 oktober 2011

Klantonvriendelijk


Op het briefje dat ik in mijn handen heb staat: ‘We zetten ons in om u zo goed mogelijk van dienst te zijn’. Daar ben ik blij mee. Een paar dagen eerder keek een man met twee dikke, norse wenkbrauwen me nog weinig hulpvaardig aan. Dan is dit een grote vooruitgang. In zo’n korte tijd. Ik ben benieuwd hoeveel sluitingen ervan afkonden.

Het duurt even voordat ik daarachter kom. Als ik binnenkom staat dezelfde man met zijn rug naar me toe te sleutelen een schoen. Ik schraap voorzichtig mijn keel. Geen reactie. Ik hoest een paar keer. Geen reactie. Pas als ik richting uitgang loop, komt hij, met de schoen in zijn hand, in actie. ‘Ho ho, jongeman, ik kom er heus wel aan hoor.’ Ik twijfel of ik hiermee genoegen neem. ‘Ik moet jou spreken over je tas, jongen.’ Nee.

In allerijl leg ik tien euro neer en graai ik mijn tas van de toonbank. Op weg naar de uitgang mompel ik iets wat het midden houdt tussen ‘dankjewel’ en ‘wenkbrauw’. Misschien dat de eigenaar van de schoen wil praten over de andere schoen, die vast verdwenen is. Maar ik hoef geen tekst en uitleg, zeker niet op zo’n toon. De tas is genoeg. Als deze na twee dagen alweer kapot is, ga ik ermee naar een andere schoenmaker en hoop ik dat die betere sluitingen heeft. En manieren.

Op het briefje dat ik in mijn handen heb staat: ‘Met de service die u van ons gewend bent’. Ik ben niets gewend, maar het klinkt goed. Ik loop naar binnen en leg het ontwerp voor de bedrukking neer op een tafel. Een vrouw met een leesbril op haar lippen en een minzame grijns buigt zich over het A4-tje heen. ‘Meneer, u weet dat u dit niet zo kunt aanleveren. Hier kunnen we niets mee. Gaat u naar huis en komt u terug als u een geschikt ontwerp heeft.’

Ik heb thuis een zeer geschikt ontwerp gemaakt. Omdat de vrouw er een prominente rol in speelt, heb ik besloten hem ergens anders te laten drukken. In een winkel waar mensen werken die je willen helpen, die blij zijn dat je iets bij hen koopt en die niet de behoefte voelen je de les te lezen. Het was een hele zoektocht.

maandag 17 oktober 2011

Jongen in felrode jas


Het is koud in de stad. In de verte zie ik een jongen met een felrode jas. Hij klappertandt. Zijn gezicht is wit. Hij probeert uit alle macht een map te verbergen. In de map staat informatie over S.O.S. Kinderdorpen. De jongen wil naar huis. Ik krijg een idee. Met mijn beste Vifit-glimlach loop ik op hem af. ‘Hoi, mag ik je misschien wat vragen?’ ‘Nou, ik ben aan het wer...’ ‘Weet je hoe ik vanaf hier het snelst bij de kwartelstraat kom?’ ‘Nou, ehh.’ ‘Wacht, ik pak even pen en papier erbij. Ik heet Mike, trouwens, jij?’ ‘Sander.’ ‘Hoi Sander, wat een rotweer hè.’

Sander doet een stap achteruit. Ik doe een stap vooruit. ‘Het hoeft maar heel even te duren hoor. Als je me kunt vertellen in welke richting ik moet lopen ben ik al hartstikke blij.’ ‘Nou, je loopt gewoon die kant op.’ ‘Ja, dat is de voorstraat, toch? Heb je wel eens stilgestaan bij het aantal mensen dat zwerft in de voorstraat? Vreselijk, toch? Ik wil daar héél graag iets aan doen. En ik niet alleen. Mijn stichting zet zich daar enorm voor in. Wacht, dan pak ik even een foldertje.’

Sander is intussen nog een paar tinten witter geworden. Wanhopig kijkt hij achterom, naar zijn collega’s. Zij warmen zich aan grote bekers koffie. ‘Je komt er wel, zo, toch?’ Vraagt hij hoopvol. Maar aan een dergelijke voorzichtigheid heb ik, in deze situatie, totaal geen boodschap. De persiflage moet wel realistisch zijn. ‘Sander, toe, ik heb hem net helemaal voor je uit mijn tas gevist. Neem hem in ieder geval van me aan, dan ben je daarna van me verlost.’ Sanders gezicht klaart op. ‘Oké, dat lukt nog wel.’

‘Oh, als je me even je naam en adres geeft, dan stuur ik je een gratis welkomstworst, die de zwervers helemaal zelf maken, van afvalvlees, als tegenprestatie.’ ‘Nou, dat hoeft niet, dank je.’ ‘Oké. Dus je laat de zwervers voor niks al deze worsten maken? Dan zullen ze hier niet lang meer mee doorgaan. Ze worden al door alle voorbijgangers genegeerd en nu boor jij hen de enige leuke bezigheid die ze nog hebben ook zo even door de neus? Leuk is dat, zullen ze blij mee zijn.’ ‘Oke, oke’, zegt Sander, terwijl zijn ogen beginnen te glimmen en zijn ademhaling stokt, ‘Ik zoek een ander baantje.’ Ik geef hem een hand en loop tevreden naar huis.

zaterdag 8 oktober 2011

Reisbingo



We keken naar foto’s van een huisgenoot, die hij nam tijdens zijn reis naar en door Bali. Een andere huisgenoot was ook wel eens op Bali geweest. Zij herkende een aantal plekken en verhalen. Een vriendin van haar was ook wel eens op Bali geweest. Zij herkende minder. Ik herkende niets. Ik ben wel eens twee weken in Spanje geweest. Op doorreis. Van Barcelona naar een dorpje aan de Costa Brava.

Ik heb ooit een vriend zien vechten tegen een nootje toen hij hoorde dat ik nog nooit buiten Europa ben geweest. Een onschuldig feitje, dacht ik. Meer niet. Voor hetzelfde geldt was ik wel buiten Europa geweest. Het had een kilometer kunnen schelen, zoveel zegt het niet. Vind ik. Maar wie ben ik? Iemand die nog nooit buiten Europa is geweest, iemand die van niets weet.

Dus, als er in een gesprek, vaak plotseling, een populaire bestemming wordt aangesneden, ben ik gezien. Mijn bijdrage stokt. Berustend in mijn zwijgzame lot luister ik vervolgens naar competitieve reizigers die als bezetenen dezelfde verhalen vertellen over hippe continenten en overbekende routes die ze die zomer op hun reislijst hebben afgestreept. “Waar moet jij nog naartoe?” - ik zou willen dat ik het hier ter plekke verzon.

Met geen mogelijkheid lukt het me, tijdens zo’n gesprek, om mijn eigen reiservaringen onder de aandacht brengen. Een week fietsen in de Ardennen; alleen al bij het horen van ‘een week’ gaat bij de helft de haren recht overeind staan. De andere helft slaat spontaan aan de Whats-app of Wordfeut; de bestemming blijft hen dan tenminste nog bespaard. 

Nog nooit ben ik aanbeland bij de omgeving van Durbuy, bij de heg van overhellende bomen waar ik onderdoor fietste, bij de smalle, stille rivier die parallel liep aan het fietspad. De prachtige omgeving, kortom. Ja, in de Ardennen, dus zonder Tuc-Tuc's, reisgidsen, backpacks of waarbenjij.nu. Ik ben bang dat ook nu de eersten een veilig heenkomen aan het zoeken zijn.