dinsdag 15 mei 2012

De schouwburggids




De schouwburggids valt op de mat. Sinds de telefoongids verleden tijd is en er nog geen iPads op deze manier bezorgd worden, kan het geluid niets anders betekenen. Ik loop onbeheerst naar de voordeur, pak de gids op en scheur hem uit zijn onterende folie. Op de voorkant staat een wild springende man met een viool in zijn hand en zijn tong uit zijn mond. Als je een 3D-bril op zou zetten zou die er direct driedimensionaal van afgetrapt worden - de toon is gezet. Het boekje ruikt lekker, naar oude speelgoedboekjes van de Intertoys of de Bart Smit. Herinneringen aan gure zondagmiddagen dringen zich op: lijstjes maken, kiezen tussen Legokastelen, een uitstapje naar de meisjesafdeling, meewarig grinniken om speelgoed waar ik (zogenaamd) overheen gegroeid was.

Ik sla de eerste bladzijde om. Een reclameboodschap met eromheen drie spontaan poserende recensenten en een voorwoord van de nieuwe directeur verschijnen in beeld. Ik heb een zwak voor duimopstekende deskundigen, maar ik ben gek op voorwoorden, dus mijn aandacht schiet meteen die kant op. Verplichte bedankjes, open deuren, hemeltergende metaforen, hypocriete succeswensen; een mengsel van dat alles in een amicaal en lichtvoetig geschreven stukje tekst – voor wie erin trapt. Heerlijk. Hopelijk koop ik ooit nog een boek met de tweehonderd allerbeste voorwoorden. Ik zou ze alle tweehonderd in mijn huis ophangen. En daarover schrijven, in het voorwoord.

De directeur van dienst heeft geblondeerde haren en de armen over elkaar. In de eerste alinea heeft hij het over spannende tijden. In deze spannende tijden stormt het, dus we worden uitgenodigd te komen schuilen onder het dak van de schouwburg – ja, ja, ja! In de tweede alinea gaat het over jezelf verwonderen, verbazen, je laten verrassen, over de magie van theater. Dit deel riekt naar plagiaat, maar wellicht maken dergelijke ijle termen deel uit van het schouwburggidsprotocol en gaat de directeur vrijuit. Het voorwoord wordt afgesloten met regelrechte campagnetaal. ‘Ga met ons de uitdaging aan’ is de uitsmijter. Ik vraag me af hoe ik dat moet doen, met de schouwburg de uitdaging aangaan. Misschien dat ik het binnenkort maar ’s moet proberen: ‘Hallo, meneer de directeur? Ik kom met u de uitdaging aangaan. Schikt het?’

Ik blader verder naar de beschrijvingen van de voorstellingen die in het volgende seizoen op het programma staan. Ook bij het lezen hiervan struikel ik over de clichés, de geforceerde knipogen en de hijgerige complimenten. Het woord ‘geniet’ komt zo vaak voor dat op een gegeven moment alle andere woorden er ook op gaan lijken. Het hele boekje is één groot genot geworden en ik realiseer me ineens dat de tweehonderd beste voorwoorden al uitgegeven worden. Jaarlijks, in de schouwburggids. Geen wonder dat ik hem nu al voor de derde keer aan het lezen ben.

dinsdag 1 mei 2012

(On)gedwongen

Een normale dag. ’s Ochtends naar de supermarkt voor brood en sap. En pindakaas. Aan de kassa wordt me gevraagd of ik een bonuskaart heb. Mijn antwoord is een hoopvol en geoefend ‘Nee, niet bij me.’ Of ik de bonuskaart van de caissière wil gebruiken. Graag. Helaas krijg ik geen exemplaar overhandigd, dat ik direct teruggeef aan het meisje achter de kassa. Het zou de waanzin compleet maken. Nu heb ik het vermoeden dat een aantal mensen, de caissière incluis, een soort dit-gaat-me-boven-de-pet-logica achter de hele transactie zoekt. In plaats van toe te geven dat de bonuskaart niets voorstelt; ieder pratend persoon krijgt de korting.

Met mijn ontbijt in een plastic tas fiets ik naar het station. Met enige moeite wring ik mijn fiets tussen duizenden andere. Drie sloten zorgen ervoor dat iedereen met ribben mijn fiets uit zijn hoofd kan zetten. Ook zorgen ze ervoor dat mijn tas voor ongeveer een derde uit sleutels bestaat. Uit diezelfde tas haal ik, terwijl ik de trap oploop, mijn OV-chipkaart. Ik wil inchecken, maar hoor drie keer een piep, kort achter elkaar. Te lang voor de lezer gehouden. De consequentie: een tijdstraf van tien minuten. Ik vind het nogal wat en bel alvast naar school:  het eerste uur wordt een moeilijk verhaal. De reden is dat dan al.

Na een uitgelopen afspraak check ik weer in, op het perron. In één keer raak, ditmaal. In de trein wordt mijn (OV-)kaartje gecontroleerd. Het duurt even, want eerst moet bepaald worden of het middag of avond is: ‘Goede… eh… tja, wat is het, eh… vijf over zes… avond alweer.’ Er volgt ongemakkelijk gelach; mijn wenkbrauwen zetten koers richting haargrens. Ik geef mijn OV-kaart en steek mijn arm uit om hem weer aan te nemen, maar de conducteur is iets op het spoor gekomen. ‘Mmmmeneer, u heeft niet ingecheckt.’ ‘Jawel. Hij piepte, op een rustige manier, en maar één keer.’ Ik heb geen bewijs, dus ik waag me nogmaals en met meer precisie aan het geluid dat de lezer maakte: ‘Piep.’ En nog een keer: ‘Piep.’ ‘Dat zijn twee piepen, meneer.’

Uit eten, niet veel later. Hetzelfde probleem met goedenavond; kan het al? De ober vraagt of we wat komen eten of komen drinken. Jazeker... Oké, wat eten. Of we een voorgerecht gaan bestellen. En of we alvast een mandje brood met kruidenboter willen. En de wijnkaart, en de menukaart, en de kaart met de dagmenu’s. Vervolgens horen we een aantal keer dat we rustig aan moeten doen met het maken van een keuze. De keuze valt op het tapasmenu. Tweemaal, want het zijn porties voor twee personen: eerst een gang met koude tapas, daarna met warme.

De laatste Spanjaard was hier bezweken. Hij had kreunend en kruipend van ellende de uitgang opgezocht en was met zijn vrienden, die eerder op de dag al het loodje legden, teruggehold naar Spanje. Zonder in te checken.

maandag 23 april 2012

Geen School


“Dames en heren, van harte welkom bij Debat op 2. Mijn naam is Arie Boomsma en ik heb een lange nek die ik graag uitsteek. Deze week doe ik dat voor een project op een middelbare school in Utrecht. Met dit project, Geen School genaamd, wordt ingespeeld op de interesses en wensen van de leerlingen. In plaats van het verwerken van de gebruikelijke lesstof, krijgen de betrokken leerlingen een week lang de kans om hun eigen programma samen te stellen. Hierbij reiken de mogelijkheden tot workshops van bekende muzikanten of vergaderingen met politici. Leerlingen merken dat ze invloed en zeggenschap hebben, worden zich bewust van hun eigen talenten en leren deze optimaal te benutten.”

 “Eerste reacties…”

“Ja, hartstikke leuk natuurlijk, zo’n feestweek voor de leerlingen, maar wanneer wordt de achterstand ingehaald? Ze zullen uiteindelijk toch allemaal hun examens moeten halen, of niet?”

“Meneer Louwman, u wilt hierop reageren, zie ik.”

“Ja, heel graag. Ten eerste is het geen feestweek. Dat leerlingen het naar hun zin hebben wil niet zeggen dat er niets geleerd wordt; dat is een misvatting die in deze tijd wild om zich heen slaat. Leerlingen zijn de hele week actief in de weer met de verwezenlijking van ambitieuze leerdoelen die ze zichzelf gesteld hebben.
Daarnaast is het vasthouden aan examens een excuus om vast te houden aan het huidige dominante onderwijssysteem. Het is een cirkelredenering, wanneer je stelt dat aan het huidige onderwijssysteem niet getornd mag worden, omdat anders de examens, die daar onderdeel van uitmaken, niet gehaald kunnen worden. Zo krijgt het huidige systeem een soort onschendbaarheid waarop ze absoluut geen recht heeft.”

“Maar het huidige systeem heeft zich toch bewezen? Ik moet er niet aan denken dat het veranderd wordt, de leerlingen zijn al zo moeilijk in de hand te houden in deze tijd.”

“Ik weet niet of het huidige systeem zich bewezen heeft, op een aantal vlakken misschien. Ik vind in ieder geval dat het een aantal cruciale aspecten van de ontwikkeling van jongeren over het hoofd ziet. Denk aan de creatieve ontwikkeling, aan het buiten bestaande kaders denken, waar jonge mensen juist zo goed in zijn. Dit blijft in het onderwijs vaak onderbelicht. Terwijl dergelijke kwaliteiten leerlingen in staat stellen hun eigen voorkeuren en talenten te ontdekken. In de huidige onderwijspraktijk is het vaak de bedoeling om klasgenoten of docenten zo goed mogelijk na te doen. Dit leidt tot uniformiteit in keuzes die juist op eigen inzichten gebaseerd zouden moeten zijn.
Dat leerlingen in deze tijd moeilijk in de hand te houden zijn, betwijfel ik helemaal. Als ik me baseer op mijn eigen ervaringen, geldt dit hooguit voor een enkele leerling. De lastige leerling is pas in de meerderheid als je als docent a priori uitgaat van gedragsproblemen in de klas. De leerlingen merken dit en komen in opstand, en gelijk hebben ze; ze willen serieus genomen worden. Hun houding heeft dus, mijns inziens, bijna altijd een oorsprong of oorzaak waar de docent invloed op uitoefent. Aan de docent is het daarom de taak zoveel mogelijk leerlingen zo goed mogelijk te bereiken.”

“Een oplossing als deze is geen haalbare kaart. Voor een meer leerlinggerichte aanpak is in deze tijd van bezuinigen geen geld en ruimte.”

“Misschien toch wel. Nu het kabinet gevallen is veranderen de vooruitzichten. De kans is groot dat een nieuwe regering een andere verdeling maakt als het gaat om door te voeren bezuinigingen. Het onderwijs kan daarvan profiteren. Hopelijk krijgt Geen School de aandacht die het in mijn ogen verdient en zet het onderwijs spoedig de eerste resolute stappen in de richting van de leerling.”

maandag 9 april 2012

Lezen en lachen

Voor mijn neus ligt een artikel. Of wat daarvan over is: een wirwar van zwaar beschadigde a4-tjes. Het pak telt een stuk of veertig pagina’s. Dit weet ik, omdat ik als een doorgewinterde examenkandidaat het aantal pagina’s van het leeswerk heb ingeschat. En dit artikel zit rond de veertig; een niemendalletje, nauwelijks serieus te nemen. En nog in het Nederlands ook. Rutte zou direct mijn studiefinanciering omzetten in een boete als hij hierover hoorde.

Gelukkig staan er wel genoeg wetenschappelijke termen in het artikel, evenals definities, stellingen, terzijdes en kanttekeningen bij eerder onderzoek. Genoeg in ieder geval om na een paar zwaar beladen zinnen de weg helemaal kwijt te raken. Zo lees ik met de beste bedoelingen tot drie keer toe een relativerende bijzin over enerzijds en anderzijds, behorend bij een al vrij genuanceerde hoofdzin. Uit alle macht probeer ik de beweringen met elkaar in verband te brengen. Het lukt me niet en ik weet ineens hoe het komt: er staat niets grappigs in. Nergens.

Ik ben blij dat ik mijn eigen aandeel in deze worsteling buitenspel heb weten te zetten en fantaseer over een wereld waarin Theo Maassen en de universiteit net zo onafscheidelijk zijn als Ad Visser en de meiden van Echte meisjes op zoek naar zichzelf. Dat zou toch geweldig zijn. Natuurlijk leidt het tot meer leeswerk – kernachtige verslagen zullen tot het verleden horen – maar ik zou het er wel voor over hebben. ‘In dit onderzoeksartikel, dat we trouwens met onze tenen getypt hebben, bouwen we voort op het drieledige onderzoek naar de beïnvloeding van taalstoornissen in het taalverwervingsproces.’ Ik zou het in een ruk lezen en op zoek gaan naar meer informatie: welke tenen?

Ook andere persoonlijke informatie, bijvoorbeeld over smaak of buitenechtelijke escapades, kan leiden tot humoristische passages. Zolang de informatie maar niets bijdraagt aan de wetenschappelijke waarde van het artikel. ‘Deze filosofie kenmerkt zich door de prominente rol die dit dogma erin speelt. Will Smith slaat wat dat betreft de spijker op zijn kop, als hij in Getting jiggy with it aangeeft dat men de groove (zijn/haar intuïtie) moet volgen. Er zijn wel uitzonderingen. Ik spreek uit ervaring; heeft overigens wel tot een significante score geleid.’

Ik denk niet dat ik het nog mee ga maken, maar mocht er ooit een humoristische wind door de wetenschap gaan waaien, dan raap ik alle blaadjes op, want dan wil ik geen zin meer hoeven missen.

zaterdag 31 maart 2012

Autorijden



Ik lees een boek over Columbine. Ik heb het boek gewonnen, doordat ik de uitgeverij van het boek heb geliked op Facebook. Normaal staan daar straffen op, ditmaal werd ik ervoor beloond. Sindsdien like ik me drie slagen in de rondte. Ik like Mark Rutte in de hoop dat hij zetels weggeeft, ik like Acda en de Munnik in de hoop op materiaal bij Thomas in de schuur en ik like bangalijsten om erop te komen. Tot nu toe moet ik het doen met het boek.

In het boek rijdt de halve high school in een auto. Een paar achterblijvers worden nog in de bakfiets naar school gebracht, broodtrommeltje onder de arm, maar de rest scheurt volleerd en met piepende banden het parkeerterrein op. Hun rijbewijs doet dienst als schoolpas. Ik zie ouders voor me, gedesillusioneerd graaiend naar hun fietssleutels – of zouden de auto’s van de leerlingen zelf zijn? Nee toch? Of wel? Het zijn er wel veel, lees ik. Te veel misschien om in één ochtend uit alle garages te ontvoeren.

Het lijkt me een raar idee, autorijden op je zestiende, of het nou je eigen auto is of niet. Toen ik zestien was fietste ik naar school en had ik al de grootste moeite om heelhuids aan te komen; een auto was een belachelijk idee geweest. Ik weet nog dat ik een keer met mijn linkerhand in mijn rechterrem kneep, zomaar eigenlijk. Dat idee was geëindigd in een ravage waarbij de spaken en spatborden ons om de oren vlogen. Op de autoweg had datzelfde idee geleid tot afgebroken deuren in plaats van spaken, en een rijbewijs met een hele dikke streep erdoor.

Gelukkig was ik net een paar maanden achttien toen ik mijn rijbewijs haalde. Op de fiets remde ik allang niet meer, dus ook niet met mijn verkeerde hand, en over mijn schouder kijken deed ik consequent omdat ik gewend was spullen te laten vallen. Ik was er klaar voor. Het ritje naar de Albert Heijn en weer terug ging goed, omdat er niemand op een bloedhete zondag naar een gesloten supermarkt op weg was en ik vlakbij woonde. Ook op de snelweg voelde ik me thuis: ik was de enige bestuurder die niet naar het strand reed en had alle ruimte om alles een beetje uit te proberen. Ik kwam er bijvoorbeeld achter dat de cruise control niet werkte omdat ik een half uur daarvoor per ongeluk de richtingaanwijzer had aangezet. Naar rechts, naar de vluchtstrook, was de boodschap van de auto aan mij.

Een jaar later ben ik op weg naar Utrecht, voor het eerst. In het centrum wring ik de auto van mijn moeder tussen een paar slingerende fietsers die zichzelf lukraak over de straat verspreid hebben en kom ik tot stilstand bij het afgesproken kruispunt waar de hel lijkt losgebarsten. Ik probeer de auto op een stoeprand te tillen, maar de stoeprand is te hoog en de auto stuitert terug. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik heb geleerd zo ver mogelijk vooruit te kijken, maar mijn zicht wordt geblokkeerd door razende fietsers en toeterende auto’s. Ik besluit om over te steken en, als ik het overleef, toch maar naar de auto te luisteren. Fietsen is zo gek nog niet.

maandag 26 maart 2012

Gewoon

Ik heb gewoon niet zoveel met Paulien Cornelisse, maar ik deel haar belangstelling voor modieus taalgebruik wel gewoon. Ik zeg belangstelling en niet passie, ik wil niet vooruitlopen op een volgend stukje uit mijn Paulien-reeks, dat zou niet leuk zijn. Ik zeg leuk en niet chill, ik wil niet vooruitlopen op een volgend stukje uit mijn Paulien-reeks, dat zou niet leuk zijn. Ik weet niet of Paulien gewoon al aan de tand heeft gevoeld, maar anders wil ik graag een poging wagen. Voor de oplettende lezer en Paulien: anders is hier totaal overbodig, ik ben immers al begonnen.

Gewoon is volgens mij een van de meest gebruikte woorden van dit moment. Met gewoon geef je aan dat het allemaal niet zoveel voorstelt, wat je zegt. Gewoon voorkomt dat je je kwetsbaar opstelt in situaties waarin dat ongewenst is: in alle. Gewoon is veilig en zeurt niet. ‘Ik ben gewoon een beetje aan het rennen’, zeg je bijvoorbeeld tegen iemand die je tegenkomt als je traint voor de halve marathon die je koste wat het kost wil lopen. Stel dat je hem niet haalt, dan was je gewoon maar een beetje aan het rennen. Gewoon werkt uiterst effectief tegen gezichtsverlies.

Je kunt gewoon ook gebruiken als er statements gemaakt moeten worden, op verjaardagen bijvoorbeeld. Oppervlakkige statements om een ander een beetje mee uit de tent te lokken. Let wel: een beetje, het moet wel gezellig blijven. Tijdens een praatje over je nieuwe bril ineens zeggen: ‘Ik vind het gewoon niet kunnen dat de Albert Heijn op zondag al om zes uur sluit’, dat is gewoon in topvorm. In deze zin zorgt gewoon niet alleen voor extra overtuigingskracht, maar ook voor de verantwoording om op dit vreemde moment over de Albert Heijn te beginnen. ‘Dat bedacht ik me gewoon’, zou je in geval van nood nog kunnen zeggen.

Ik weet niet of het eerste stukje uit Taal is ook gewoon echt míjn ding hiermee is geschreven. Wat me tegenhoudt is het feit dat ik mezelf in de afgelopen twee minuten, pratend met een huisgenoot, betrapte op een stuk of zeven gewoons. En, sterker nog: ik was er trots op, het voelde goed. Misschien is taal dan toch meer Pauliens ding.

zondag 18 maart 2012

Van kak naar mest



Het contrast kon niet groter: die ochtend had ik bijles gegeven aan een jongen in Naarden, een jongen die trouwens helemaal geen bijles nodig had, eerder een bibliotheekpas: hij wist van a tot z wat er van hem verwacht werd bij het mondeling Nederlands, maar had vermoedelijk de l van lezen over het hoofd gezien. Ik houd al een paar bijlessen wijselijk mijn mond. Ik kan geen leeservaringen aanbieden, maar wel schema’s en open deuren over zenuwen en oefenen voor de spiegel. Om elf uur verliet ik twintig onverdiende euro’s rijker de door opritten omgeven villa, op weg naar mijn volgende bestemming.

Een boerderij in de buurt van Purmerend – ziedaar het contrast. Ik passeer een aantal verlaten plaatsen met oneindige weilanden waar voertuigen onder de drie meter in de minderheid zijn. Aangekomen in Purmerend neem ik onhandig plaats op een parkeerpaaltje, terwijl ik me verbaas over het enorme aantal verkeersborden om me heen en het tegenvallende aantal bankjes. Wanneer mijn evenwicht het dreigt te verliezen van het paaltje, zie ik vanachter een hoge tunnelwand mijn vriendinnetje verschijnen – kedeng kedeng! Nadat ik haar heb begroet maak ik kennis met Antje, dochter van boer Martin en Linda en tevens hoofd route of, zoals Antje het liever noemt: Antje Antje.

We rijden over lege landwegen met boerderijen aan de linker- en rechterkant. Antje wijst de goede boerderij aan. We stappen uit en blubberen onszelf richting de voordeur. Binnen ontmoet ik de andere leden van de familie, waaronder zoon Teun en dochter Frida. Teun is erg goed in rekenen en voetbal. Dat geloof ik direct, maar ik ontkom niet aan twee wedstrijdjes die beide verloren gaan. Ook Antje blijkt een snelle denker: bij het hooibalentellen laat ze me letterlijk en figuurlijk alle hoeken van de boerderij zien. Frida tot slot is een echte knuffelaar en daarbij de onbetwiste beheerster van ‘het rustige geitenhok’. Ze voert er een streng maar rechtvaardig deurbeleid: je mag erbij, als je zo mee gaat spelen. Fair.

Doodmoe loop ik ’s avonds de laatste meters naar huis. Sommige mensen reizen er de hele wereld voor over, maar ik had aan een OV-chipkaart en aan twee afspraken genoeg om op één dag in twee totaal verschillende culturen ondergedompeld te worden. Liggend op mijn bed in Utrecht druk ik de volgende gedachte weg: ‘Ik zou best wel op een boerderij willen wonen.’

zaterdag 3 maart 2012

Bandje


Er staat een bandje in de starthouding op het van snoeren en instrumenten vergeven podium. De drummer telt af en de muziek start. De mensen die met hun rug naar het podium gekeerd in gesprek zijn over Lutz Jacobi, Prins Friso, het mespuntje lente dat in de lucht hangt, draaien zich om. Ze kijken vol verwachting naar het grotendeels door een muts bedekte hoofd van de zanger. Een paar seconden later dringt het tot hen door dat er niet live gespeeld wordt. Het duurt nog een paar seconden voordat duidelijk wordt dat een nummer van Prince te horen is. Alleen de drummer schijnt dit niet door te hebben, hij is aan zijn eerste nummer begonnen.

Een vrouw achter me zucht en zucht vervolgens nog een keer, de tweede keer luider. Iedereen wendt zich licht teleurgesteld weer tot zijn voormalige gesprekspartner. Er worden her en der grappen gemaakt die verraden hoe hoog de nood is om door het bandje van elkaars gezelschap verlost te worden: ‘Haha, Prince ziet er ineens wel heel anders uit, hè’, of: ‘Ze hebben even gekeken of we er in zouden trappen, haha.’ Uit alle hoeken stromen mensen naar de bar om alvast een volgend biertje te halen.

In de tussentijd komen mannen met zwarte, lange haren en met zendertjes in hun oren het podium op. Ze klooien met kluwen snoeren die de indruk wekken zodadelijk de hele stad zonder stroom te zetten. De twee mannen kijken er ook zo bij: alles moet wijken voor het bandje. Terwijl het publiek de mobiele telefoons (het laatste redmiddel) erbij pakt, wordt op het podium duidelijk waar alle telefoonsnoeren de laatste jaren gebleven zijn; geen houtsplinter is onbedekt gelaten.

De zanger doet een gitaar om. En weer af. En weer om. Intussen kijkt hij uitdagend het publiek in. Drie meisjes kijken uitdagend terug. De andere toeschouwers in spe vinden dat respectloos ten opzichte van de prins en praten verder. De drie overige leden van het bandje lopen heen en weer en klampen onderweg mensen aan die ze kennen. Met een been gebogen en de zool van hun schoen tegen de muur doen ze net of ze alle tijd hebben. Misschien kennen ze de zanger zo goed dat ze weten ze dat zijn aandoenlijke voorspel een hele CD kan vullen en zorgen ze er op deze manier voor dat het daadwerkelijk bij voorspel blijft.

Dan lopen de drie jongens weer het podium op en hangt de zanger de gitaar terug. De mannen met de zenders zijn weg, niets staat het bandje nog in de weg. De drummer telt af, het publiek houdt zijn adem in. Wat de zaal vervolgens bereikt komt akelig overeen met wat de instrumenten verlaat: het is live, deze keer. Mensen zijn zichtbaar opgelucht; bestellingen worden geannuleerd, de prins dood verklaard. De zanger kijkt nog steeds uitdagend maar zingt nu ook, wat zijn overkomen wat minder schrijnend maakt. De drummer schudt met zichtbare felheid de teleurstelling van zojuist van zich af. Alles komt eindelijk bij elkaar.

Dan stopt ineens de toetsenist ermee. De mannen met de zendertjes lopen op hun gemak het podium weer op. Er zit een draadje los, schijnbaar. Ook met het drumstel is iets aan de hand. Het bandje is na ruim een uur soundchecken nog altijd niet begonnen. Dan zit er inderdaad een draadje los.

zondag 26 februari 2012

Squash


‘Anton is een griezel’, aldus Jo, de baas van Squash Utrecht. Jo kijkt GTST, eerst dagelijks, nu af en toe: ‘Als die gore scriptschrijvers er een keer niet zo’n bende van hebben gemaakt,’ verzucht ze. Jo is een kijker van de oude stempel. Smachtend kijkt ze uit naar de dag dat dokter Peer zijn herintrede doet of Helen Helmink weer ’s ouderwets een schaar uit haar fietszadel trekt. ‘Dat is nog eens wat anders dan iemand gewoon voor zijn harses slaan, dat ken ik zelf ook nog wel verzinnen’, verzucht ze voor een tweede keer.

Ik wacht ongeduldig tot Jo haar GTST-frustraties omzet in het nummer van de baan waarop Frank en ik spelen. Dat dat vrij lang duurt, heb ik zelf in de hand gewerkt door op (squash)dag 1 te kennen te geven dat ik ook wel ’s kijk. Jo ziet in mij sindsdien haar steun en toeverlaat als het gaat om de sores van Edwin, Ricky, Anton, de hele verzameling. Als ze uitgeraasd is noemt ze terloops de baan, niet zonder een lichte ergernis door te laten klinken over het uitblijven van deskundig GTST-commentaar. ‘Baantje twaalf’, verzucht Jo voor een derde keer.

Ik loop naar baantje twaalf en passeer onderweg een paar ranke, kalende mannen met een getergd gezicht, die hun training opnemen op video. Ik kijk vol ontzag naar rally’s die minuten duren en trek intussen mijn schoenen aan, die ik thuis met zwart plakband heb behoed voor vroegtijdige ontbinding. Opzichtig haal ik vervolgens een balletje met twee gele stippen tevoorschijn, het type balletje dat zegt: mijn bespeler doet het niet voor het eerst. Dat ik me hiertoe laat verleiden, wijt ik aan de videoboys achter ons. En aan mijn zwaar verminkte schoenen. Het is niet iets zieligs, maak ik mezelf wijs, ik heb gewoon een flinke achterstand goed te maken.

Voornamelijk op Frank, die niet veel later met een zak wortels, gehuld in een Intershirt en op de schoenen van vriendin Merel binnen komt lopen. Ik heb vooralsnog minder dan 1% van onze wedstrijden gewonnen, maar vandaag maak ik kans, zoveel is duidelijk. Na een half uur bijpraten gaan we de baan op. Het inspelen verloopt goed, voor ons gevoel: binnen een paar minuten rammen we de stippen letterlijk en figuurlijk van het balletje. De mannen achter ons kijken zo nu en dan geanimeerd om en lachen in hun subtiele squashvuistjes om het geweld waarmee we elke bal wegperen. Wij weten niet beter en gooien het, wanneer we merken dat de twee stippen op het spel staan, op de verrassing die onze stijl bij doorgewinterde tegenstanders teweeg zal brengen.

Bij een 4-1 achterstand in sets komt Rob ineens de baan op. ‘Jongens, jullie hebben een leuke techniek, maar slaan veel te veel korte ballen’, is zijn ongewilde advies. Rob is trainer, maar bovenal scout. Als Rob met een blocnote in zijn hand langer dan twee minuten naar je autodidactische gezwaai kijkt, zit je gebakken. Waarvoor je in dat geval precies in aanmerking komt, is niet duidelijk. Misschien dat je op den duur zelf als scout aan de slag kan. Dat Rob dan scouts kan scouten. Of scouts die scouts scouten. Rob denkt altijd een stap verder. Ik ook: vandaag een set, morgen twee. 

vrijdag 17 februari 2012

Taarten van Abel




‘Ik heb een paar punten die ik met je wil bespreken. Dat wil ik doen in jouw mobiele bakkerij. Loop er mee rond, al minstens zeven weken. Kom alsjeblieft met je bakspullen bij mij.’ Volgehangen met bakspullen komt Abel al meer dan honderd afleveringen langs bij kinderen die samen met hem een taart willen bakken. Abel, met zo’n naam kun je bij mij, Abelfan van het eerste (en daarmee ook meteen het laatste) uur, niets fout doen. Ook als je eigenlijk Siemon de Jong heet en een tattoo op je onderbeen hebt.

Vandaag gaat Abel naar Julia. Julia is alleen thuis. Haar ouders zijn verzocht het pand te verlaten: vader drie jaar geleden door moeder, moeder vandaag door iemand van het programma. Julia wil namelijk een taart bakken, een taart voor haar opa. En als er iets vervelend is tijdens het bakken van een taart, dan is het natuurlijk de bemoeizucht van je ouder(s). Abel mag wel meehelpen, mits hij vier tassen met suiker meeneemt en de hond uitlaat. 

Ik vind Taarten van Abel het beste tv-programma van Nederland. Ik durf dit te beweren, want ik zie nagenoeg alles. De gesprekken die de kinderen met Abel voeren, ogen oprecht en natuurlijk en gaan over van alles, over belangrijke en minder belangrijke dingen. Geen ingestudeerde open deuren, geen opgewonden botoxhoofden die om de drie seconden ‘super’ en ‘bizar’ roepen. De kinderen vertellen wat ze willen vertellen en Abel reageert en bakt.

Zo ook bij Julia thuis. Als de hond een kijkje komt nemen, vraagt Abel naar de naam en het ras van de hond. ‘Beide Boomer’, antwoordt Julia. ‘Duidelijk.’, zegt Abel. En ze bakken verder. De aflevering duurt twintig minuten en bestaat voor het grootste deel uit de momenten dat Julia zin heeft om te praten. Ze praat over ijsjes, Oerle en uitgaanscentrum De Kers. Via uitgaanscentrum De Kers komt ze bij haar opa, de eigenaar. Ze weet pas sinds kort dat opa haar opa is. Haar tante had het verklapt, per ongeluk. Opa is aardig, grappig, heeft een bril, een snor en een staartje. Julia heeft hem nu een paar keer gezien.

De taart bestaat uit allemaal snorren, brillen en staartjes van marsepein, genoeg om een gebit mee te vernietigen - gelukkig loopt opa dat gevaar niet meer. Julia loopt er voorzichtig mee naar De Kers. Opa is blij verrast en pakt haar flink beet. Abel is dan al lang en breed uit beeld. Hij vraagt Julia niet hoe ze zich voelt. Dat kan misschien als opa weer friet bakt en de camera’s uit zijn.