zondag 10 maart 2013

Shania Twain

Ik zet de radio aan en val met mijn oren in de boter: de Powervrouwen top 101. Een top 100 is altijd aan mij besteed en een top 101 – net eentje meer, lekker dwars, lekker anders – lust ik rauw. En dan ook nog één met powervrouwen. Ik houd van powervrouwen, van de term vooral. Een powervrouw laat niet met zich sollen, zingt gewoon waar het op staat. 'Haten is verlaten', twittert de powervrouw. Ik zet de radio harder en vraag me hardop af welke powervrouw er stoer in de startblokken zou staan, klaar om haar statement te maken. Na een minutenlange aankondiging hoor ik een bekend intro. Het is de intro van ‘Man, I feel like a woman’, van Shania Twain.

De cd van Shania Twain kocht ik in de cd-winkel in Hilvarenbeek. Ik was een jaar of tien. De cd-winkel was muf en de verkoper deed daar weinig voor onder. Ik kocht daar niet alleen de cd van Shania Twain, maar ook die van de Charley Lownoise & Mental Theo en een singeltje van Aqua. Van enige cohesie in mijn smaak was nog lang geen sprake. Ik luisterde wat ik leuk vond, was nog niet op de hoogte van, laat staan gevoelig voor genres en bijbehorende doelgroepen. Pet Shop Boys, Solid Harmony, Tracy Chapman, Toy Box, Shania Twain, ze stonden bij mij allemaal op één bandje.
Waar Shania Twain precies over zong, ontging me. Ik kon de woorden dromen, dat wel, maar had geen flauw idee wat ze betekenden. Dat maakte me niets uit. ‘Honey, I’m home’, ‘Don’t be stupid (you know I love you)’ en ‘Man, I feel like a woman’ zong ik altijd van begin tot eind mee; alleen de allermoeilijkste woorden liet ik passeren. Intussen maakte ik ijverig mijn eerste huiswerkopgaves, over staartdelingen en hoofdsteden. Op mijn deur hing een oude poster van Sesamstraat. Als vriendjes dat kinderachtig vonden, stelde ik de poster gerust met de woorden van Shania Twain: ‘You’re still the one’. 
Nog steeds luister ik wel eens naar Shania Twain, of naar Captain Jack, 3T, Fugees of Coolio. Op Spotify kan ik alles wat ik 15 jaar lang heb moeten missen weer terugvinden. Dat ik niet de enige ben die naar jeugdherinneringen op zoek is, zie ik aan de enorme hoeveelheid ‘oude’ playlists die er op Spotify te vinden zijn. Dat gegeven sterkt me in het streven om nog meer muziek van vroeger te luisteren. Ik hoef me er schijnbaar niet voor te schamen.
Daarom zet ik nu ook zonder moeite een nummer van T-Spoon aan. Ik schaam me nergens voor, alhoewel: ik zou ook weer niet willen dat iedereen ervan af zou weten. Misschien schaam ik me toch. 'Keep on smiling' is het eerste nummer van een urenlange privésessie. Dit stukje ga ik nooit plaatsen.

donderdag 21 februari 2013

MSN

MSN-taal. Dat zei ik. MSN-taal. Ik had rekening gehouden met allerlei reacties of het gebrek eraan, maar dit had ik niet zien aankomen. De klas barst in lachen uit. ‘Dat bestaat niet meer, meneer!’ Roept een leerling. ‘Wat? MSN-taal?’ ‘Nee! MSN! MSN bestaat niet meer’. Ik kan mijn oren niet geloven. MSN bestaat niet meer? Er wordt wederom hard gelachen. ‘Echt al jaren niet meer’, wrijft een andere leerling het erin. Ik lach besmuikt mee, terwijl ik broed op een synoniem. Dat had ik beter niet kunnen doen. Na ‘sms-taal’ is de les ten dode opgeschreven.

MSN kwam tegelijkertijd met mijn buitenboordbeugel: in de eerste klas installeerde ik het programma op mijn computer. Mijn e-mailadres was bugsbruggink@hotmail.com en om die reden heette ik Bugs Bruggink – naar één van mijn favoriete PSV’ers Arnold Bruggink, of naar één van mijn favoriete Looney Tunesfiguren Bugs Bunny. In het begin had ik maar een paar vrienden. Ik was er vroeg bij, maakte ik mezelf wijs. Om altijd te kunnen zien wie van deze paar vrienden online waren en om zelf te bepalen wanneer ik dat was, was mijn status altijd afwezig. In de praktijk was ik vaak het tegenovergestelde van afwezig: dan zat ik doodstil achter de computer, alert op alles wat op MSN kon gebeuren.
Toen de vrienden langzaam toenamen, deden de verschillende MSN-namen dat ook. Ik zag op het scherm regels uit songteksten en levensmotto’s verschijnen, omringd door veelbetekenende symbolen en smileys. Het waren vaak gewichtige boodschappen, die niet helemaal strookten met de Mr. Beanagenda’s die naast de MSN’ers op de bureaus lagen. Maar aan die wetenschap had ik niets; Bugs Bruggink verbleekte bij alle filosofische wijsheden en dus moest er een andere naam komen. Ik koos een regel uit een nummer van The Streets: iets over climbing the ladder. Ik had geen idee wat het betekende, maar de regel viel niet uit de toon bij de andere en daar ging het om. Ik plakte er drie puntjes achter om de naam wat extra lading te geven…
Op school merkte ik dat MSN er niet voor niets was. Ik ging steeds meer de behoefte voelen om dingen te bespreken, mogelijk omdat ik steeds meer dingen meemaakte, maar waarschijnlijk omdat er overal op school door iedereen van alles besproken werd. Die gesprekken gingen nog wel eens langs me heen, maar op MSN haalde ik deze gespreksachterstand dan in door honderduit te klagen over leraren, zonder enige aanleiding nieuwe liefdes te voorspellen of te bemiddelen in ruzies die er eigenlijk niet waren. Het leven kreeg wat meer diepgang, concludeerden we, op MSN. Doordat niemand met een MSN-naam als Bugs Bruggink hier tegenin durfde te gaan, heb ik pas recent ontdekt dat dat eigenlijk wel meeviel.
Behalve toen ik ging MSN’en met een heel leuk meisje. Elke dag. Met haar MSN’en werd een even zenuwslopende als belangrijke bezigheid. We spraken af om op bepaalde tijden te MSN’en. Dan zorgde ik ervoor dat ik op offline stond – een recente ontdekking – en dat ik een paar uur niets anders te doen had. Vanaf de begroeting werd elke zin het resultaat van veel wanhopige pogingen er één te schrijven. Alles moest ertoe doen. Op een dag schakelden we over op geheimtaal; dat hielp iets. We durfden nu te schrijven dat we elkaar leuk vonden. Soms zetten we de webcam aan en zwaaiden we. Het hielp allemaal niet veel, want als we elkaar op school tegenkwamen, liepen we nog altijd in een verlegen boog om elkaar heen. Toch maakte dat niet veel uit: we hoefden onze virtuele verkering niet in het echte leven te bewijzen.
(L):(:@Liefuh MSN, kga je missuh... R.I.P.:(:@(L)

zondag 17 februari 2013

De beschouwingen beschouwd

Mijn bed heeft zich verstopt onder een bladerendek van bouwplannen, bronnen, samengevatte bronnen en daarop gebaseerde beschouwingen, geschreven door mijn – mag ik dat zeggon? –  derdeklassers. Als ik goed kijk zie ik een enkele snelhechter, maar de meeste papieren zijn met een nietje of niet samengevoegd. Het is een gigantische bende en ik heb geen idee waar ik moet beginnen.

Ik besluit alles waar dezelfde naam op staat een eigen plek op het bed te geven. De laatste paar namen die voorbijkomen zitten tweede rang, op het voeteneind, het zij zo. Vervolgens loop ik de pakketten op alfabet af. De controle bestaat uit een korte blik op de bronnen, een wat langere blik op de samenvattingen, een grondige blik op het bouwplan en een minutieuze bestudering van de beschouwing. Na twee controles ben ik evenzoveel uren verder. Ik heb nog geen idee wat de cijfers worden. Eerst maar eens wat eten.

De dag erop heb ik spierpijn in mijn schrijfarm. De commentaren, veelal over de wat wollige formuleringen, hadden bondiger gekund. Ik kijk naar mijn bed, waar de nog niet bedeelde stapels op hun beloning wachten. Nog elf. De spanning is er grotendeels af. Weer dat ene onderwerp, weer een congruentiefout, weer de gedachte aan hoe ik dat in de les ga uitleggen: een congruentiefout.  “Je moet uitgaan van een aantal en niet van appels.” “Waarom is dat?” “Je moet uitgaan van een aantal en niet van appels. Vragen?” De laatste beschouwing ligt al bijna de hele dag op bed – hij wel.

Ik pak de lijst erbij. De beschouwing is geschreven door iemand met dyslexie. Ik schenk mezelf nog een kop thee in. De tekst is, zo zie ik direct, met overgave en enthousiasme geschreven. De woorden dansen op het papier, alleen vrijwel nergens in de maat. Het lijkt alsof er een bom aan letters is ontploft. Het is aan mij om de bedoelde coherentie erin te ontdekken. Ik krijg het niet voor elkaar. Dat ligt aan mij, want de leerling is dyslectisch; hem mag ik niets aanrekenen. Dat het cijfer dat ik hem moet geven in de verste verte niet strookt met zijn prestatie en de beheersing van de taal, moet ik voor lief nemen. Het is over middernacht en mooi geweest.

donderdag 14 februari 2013

Eerste competitiedag

Het is kwart voor zeven. Over anderhalf uur gaat mijn wekker, maar ik ben al een tijdje wakker. Mijn hart bonst in mijn keel. In mijn tennistenue kijk ik naar een aflevering van Alfred Jodokus Kwak die ik al ken. Het is een enge aflevering, met een hoofdrol voor Krabnagel de Kater. In haar mand blaft onze hond Chanda een nare droom weg. Ik zet de tv uit en loop naar de keuken. De boterham met pindakaas die ik smeer gaat in veel etappes en met veel moeite naar binnen. In mijn hoofd speelt de wedstrijd zich af, punt voor punt. Ik win nipt, in drie sets.

Eindelijk is het tien voor negen. Mijn fiets staat al voor de deur. Ik zwiep mijn tennistas over mijn schouder en zeg mijn ouders gedag. Ze komen kijken. Het wordt vast een spannende wedstrijd. Ik rijd zo hard ik kan naar de club. Onderweg kom ik mijn trainer tegen. Misschien komt hij ook wel kijken. Ik rijd het laatste stukje uit het zadel en rem zo hard dat mijn fiets slipt. Niemand ziet het. Binnen wordt mijn naam genoteerd op het wedstrijdformulier. Ik mag zelf mijn handtekening erbij zetten. Onze oudere tegenstanders kijken ons vanachter de aangrenzende tafel neerbuigend aan.
De wedstrijd is helemaal niet spannend. In het eerste deel gaat het gelijk op, in het tweede deel is mijn tegenstander veel beter. Ik verlies, maar mijn ouders en broer zeggen dat ik goed gespeeld heb. Ze moeten wel, denk ik, maar misschien was het ook wel zo. Mijn tegenstander laat de baan vegen door zijn zusje. Dat vind ik maar niks. Ik neem me voor altijd mijn eigen baanhelft te blijven vegen, ook later, als ik een beroemde proftennisser ben. De moeder van mijn tegenstander buigt zich over het hek en spreekt bemoedigende woorden. Ze vraagt wat ik wil drinken. Ik lust wel een ranja.
Vier ranja’s later zijn mijn consumptiebonnen op. Mijn vriendjes hebben hun wedstrijden ook verloren. Eén van hen kan dit moeilijk verkroppen. Met een vuurrood, betraand hoofd stampt hij de kantine binnen. Zijn tegenstander speelde de hele wedstrijd vals! Boos gooit hij zijn consumptiebonnen op de bar; die hoeft hij niet meer, hij gaat naar huis. De barman, zijn vader, probeert hem tegen te houden, maar voordat hij achter de bar vandaan gekomen is, zit zijn zoon al op de fiets. 

Van de bonnen kopen we een Speedy, tien banaantjes in een plastic bekertje, een snoepzak met taaie dropsleutels en een rare ufo met poeder erin, nog een ranja en een zakje chips. Terwijl we ons hieraan tegoed doen kijken we alle drie dromerig en tevreden naar buiten, niet wetende dat twee van ons daar over vijf minuten verwacht worden voor de dubbelwedstrijd. We hebben nog nooit een dubbelwedstrijd gespeeld. Zou dat met twee ballen zijn? De andere dubbel gaat niet door, wegens een boze teamgenoot die naar huis is. Het is onze eerste competitiedag.

zondag 10 februari 2013

Dierbare beperkingen

De zesenzestigste daghap schrijf ik op een nieuwe laptop. Het moest er een keer van komen. De nieuwe laptop is een lease laptop van school, met alles erop en eraan. Mijn oude had ademhalingsproblemen en lag permanent aan de cooler. Ik gaf hem nog een paar maanden. De nieuwe ademt gelijkmatig en zelfstandig en heeft een functionerende n-toets. Ik voel me bevrijd, maar ook onteigend. Ik was gehecht geraakt aan de papieren propjes die ik om de zoveel tijd op de krater plakte die de n-toets had achtergelaten. Nu heb ik een laptop waaraan niets mankeert.

Op vergelijkbare wijze hield ik van de Facebookbezoeken waarbij ik een keer of tien op ‘vernieuwen’ moest drukken voordat alle berichten van de laatste dagen in beeld verschenen. Ik schrok me dood toen Facebook direct in al haar glorie getoond werd. Ik kon er niet goed mee omgaan. Facebook was voor mij een belofte geworden, een geleidelijke vervulling van mijn bijna exploderende zucht naar ditjes en datjes. De nieuwe weergave leidde tot een digitale vraatzucht die zijn weerga niet kende.

Een andere beperking die langzaam is uitgegroeid tot een dierbare gewoonte is het douchen in de keuken. Het geluid van kletterend douchewater is voor mij inmiddels net zo verbonden aan de keuken als het geluid van kokend water in de pan. Douchen in een badkamer zou voor mij degradatie betekenen, een teruggang naar het voorspelbare leven in gescheiden domeinen. Nu kan ik naar de keuken lopen en onderweg besluiten wat ik ga doen. Wordt het soep of shampoo? Wordt het een verstopt doucheputje of een verstopte gootsteen? Die vrijheid zou ik voor geen goud willen inleveren.

Mijn vloerbedekking hoort ook in dit rijtje thuis. Mijn vloerbedekking is oud en gerimpeld. Daarom probeer ik hem een beetje te ontzien, door bijvoorbeeld niet over hem heen te rijden met mijn bureaustoel waar af en toe de rugleuning uit valt. Mensen adviseren corrigerende vloermatten, maar ik ben blij met mijn vloerbedekking zoals hij is. Ik til met alle liefde mijn bureaustoel over de gevoelige plekken en als ik stofzuig, trek ik in één beweging alles glad. Dan kan hij er weer even tegenaan. Ik zie huizenhoog op tegen het moment dat mijn vloerbedekking op andere plekken loslaat, de dag dat er nieuwe vloerbedekking voor de deur staat.

Eén van mijn boxen staat in een koffiekopje. Ik hoop dat dat nog lang zo mag blijven.

dinsdag 5 februari 2013

Als docent (2)

Ik voel me thuis op school. De vraag is: als docent of als leerling?

Op excursie krijgen de leerlingen van de eerste klas een uurtje vrije tijd. ‘Om de stad nog wat beter te leren kennen’, hoor ik een docent hoopvol zeggen. De leerlingen willen maar één onderdeel van de stad beter leren kennen en dat is haar fastfoodproductie. De meeste leerlingen duiken de McDonalds in, een paar leerlingen kiezen voor de KFC, gelegen naast de McDonalds. Zo zitten vijf minuten na het startschot alle leerlingen in een straal van twintig meter zich tegoed te doen aan al het vets dat de stad hen te bieden heeft. Ik twijfel. Wat zal ik eens gaan doen? KFC of de Mac? Het wordt de Mac.

Aan het einde van de dag verzamelen we op het afgesproken punt. De bussen staan er nog niet. Er wordt gevoetbald. Ik wil ook voetballen. Ik doe mee. Een andere docent ook. De andere docent haakt na de eerste goal weer af. Ik niet. Ik zweet. Ik doe mijn trui uit. De leerlingen zijn beter. De bussen komen. Ik wil nog even. We worden gewenkt. Samen met de leerlingen loop ik met tegenzin richting de bussen. Intussen kijk ik in mijn tas naar de bastognekoeken en chocoprinsen voor onderweg. De leerlingen doen hetzelfde. Ik deel uit. Twee aan twee lopen we de bus in.

De volgende dag pak ik, in de klas, een telefoon af. Er werd een spelletje op gespeeld, zag ik aan het verkrampte, op het beeldscherm geplakte gezicht van de speler. Ik kijk naar het scherm. OSM. Online Soccer Manager. Dat speelde ik ook! Als het zou kunnen speelde ik het nog steeds. Het is een geweldig spel. Je bent de manager van een voetbalteam, je vrienden van andere teams. Onderling sluit je overeenkomsten, onderhandel je over spelers en speel je wedstrijden. Het kost me moeite om de telefoon op mijn bureau te leggen – welk team zou de leerling zijn? Aan het einde van de les geef ik hem het toestel terug. Het was PEC Zwolle, en hij moest vechten tegen degradatie. Ik had het met hem te doen, ik kende het gevoel, ik was jarenlang RKC Waalwijk.

De les erop is de eerste les na de pauze. Leerlingen komen met meer spullen binnen dan ze kunnen tillen: broodjes, blikjes, koptelefoons, telefoons, jassen, mutsen, sjaals, komkommers, uitnodigingen,  boeken. Ik zeg dat dat natuurlijk nooit gaat passen, in het krappe lokaal. Dit is zowel grappig als serieus bedoeld. De leerlingen zijn onverstoorbaar: ‘Jawel hoor, meneer, komt goed.’ Ik vraag hen om het binnen allemaal op te bergen. Als de leerlingen de spullen hebben weggestopt, ben ik nog bezig mijn eigen koffiekopjes en boterhamzakjes weg te gooien. Op mijn bureau is een bom ontploft. Net op tijd vis ik mijn contract tussen een stapel antwoordbladen. ‘Meneer, ik ben mijn boek vergeten’, hoor ik vanuit de linkerkant van de klas. Ik kijk in mijn tas en zucht. Ik ben ook mijn boek vergeten.

zaterdag 19 januari 2013

Zonder telefoon

Mijn telefoon is stuk. Er is iets mis met de accu. Ik ben ermee naar de telefoonwinkel geweest en daar zei een jongen zonder enige expressie maar met een uitermate strak kapsel dat er iets mis was met de accu. Wat precies wist hij ook niet, maar hij kon de telefoon wel naar de fabriek sturen, dan zou er daar naar de accu gekeken worden. Door mensen die iets van telefoons wisten, voegde ik er in gedachte aan toe. Ik zag de jongen iets intikken op zijn strakke computer. Hij vroeg op zielloze, helemaal met zijn verkoopwaar vereenzelvigde wijze naar nummers, codes, adressen en formulieren die ik mee had moeten nemen. Ik staarde schuldbewust naar de grond en gaf hem alles wat ik hem kon geven: mijn telefoon.

Ik keek om me heen. Een deftige, oude man met een pet en een Burberry-sjaal keek naar een telefoon alsof het een tijdmachine was. Naast hem stond een aantal vrouwen van middelbare leeftijd zich te verwonderen over het gewicht, de grootte en de kleuren van de nieuwste toestellen. ‘Zou je het roze frame ook door je broek heen zie, als de telefoon oplicht?’ verwoordde een van de vrouwen hun aller nieuwsgierigheid. ‘Dat ligt er maar net aan wat voor een broek je aan hebt, Marjan’, beet een van de waarschijnlijk nog niet uitgeshopte vriendinnen haar toe. ‘Ja, dan ga ik nog even voor een zwarte broek kijken’, grapte Marjan, al werd dat niet door al haar vriendinnen zo opgevat.

In de tussentijd ontleedde de jongen met weinig verfijning mijn telefoon, tot er niets meer van over was dan een stapel losse onderdelen. Terwijl hij bezig was, zag ik in een flits alle telefoonnummers, e-mailadressen, berichtjes en foto’s verdwijnen. Ik dacht aan mijn lege telefoon; het resultaat van een onhandige actie van een jongen zonder expressie maar met een strak kapsel in de KPN-winkel. Dat zou een hoop gedoe geven. Hoe zou ik het op Facebook uitleggen? ‘Ik heb jullie nummers niet meer, maar jullie blijven mijn Facebookvrienden, 4ever.’ Zoiets? Misschien zou ik wel een Facebookpagina in het leven roepen, waarop iedereen zijn of haar nummers achter kon laten. Of zou ik Facebook er uitgooien? Afmaken waar de jongen in de KPN-winkel mee begonnen was? Tussen alle onderdelen zie ik mijn SIM-kaart. Misschien is dit het moment om alles in gang te zetten.

Ik zou eindelijk mijn ouders en broer weer eens kunnen verrassen door in plaats van net na, net voor het eten thuis te komen, met gruwelijke honger. Nu houden ze via What’s app nauwlettend mijn route bij en weten ze vaak eerder dan ik hoe laat ik thuis zal zijn. Ook zou ik weer eens iemand persoonlijk kunnen feliciteren – of ik het zal doen is een tweede – of sterkte wensen, of beide, als ik zou zien dat er bij de jarige thuis een zitverjaardag ophanden is. Misschien zou ik wel even blijven plakken. Ik ben op What’s app nog nooit even blijven plakken.

Niet langer zou alles voorgeprogrammeerd zijn. Ik zou naar buiten kunnen lopen, helemaal ingepakt tegen de sneeuw en gure noordoostenwind, en er op de stoep achter komen dat ik me een paar maanden vergist heb. Zoals dat soms gebeurt. Ik zou in een onbekende stad lopen als een onbekende, niet bewapend met een GPS-systeem dat gekoppeld is aan plaatselijke trekpleisters. Ik zou nietsvermoedend een ijsje voor de instorting behoeden terwijl ik de belangrijkste kathedraal van de stad voorbijloop.

Het vooruitzicht van een leven zonder telefoon begint me steeds beter te bevallen. Dit blijft zo totdat mijn telefoon weer in elkaar is gezet en de opluchting zich van me meester maakt. Ik had hem best wel gemist, mijn telefoon, de afgelopen minuten. Het blijft een goed plan, door het leven gaan zonder telefoon, maar dan bijvoorbeeld voor één dag: een dag in de vakantie, als ik niets te doen heb. Of een halve dag, om mee te beginnen. 

donderdag 3 januari 2013

Unox-meisje


“Ik ga voor de voorpagina”, dat schijnt Bente Eelman, sinds gisteren beter bekend als het Unox-meisje van 2013, gezegd te hebben. Ik kende tot 2013 het hele begrip Unox-meisje niet. Toen ik het gisteren voor het eerst hoorde dacht ik, zonder al te veel fantasie, aan een meisje met een een Unox-worst in haar handen. Misschien met een bord boerenkool erbij. Maar het bleek te gaan om het meisje dat het meest weelderig in haar bikini over het koude zand had gehuppeld tijdens, of eigen net na, de Nieuwjaarsduik. Sorry, de Unox Nieuwjaarsduik.

Daar zijn foto’s van gemaakt. Alleen al van Bente zijn er een stuk of twintig van uitgekomen – ik weet dat omdat ik ging zoeken. Deze foto’s zijn gemaakt door professionele fotografen met een baan bij een krant of tijdschrift. Zij hebben staan dringen om de beste plekken op het strand, zo dicht mogelijk bij de branding. Hun resultaat is een enorme verzameling foto’s van voornamelijk minderjarige meisjes in bikini. Ook Bente is nog geen achttien. Haar goede voornemen is om dit jaar te slagen voor haar havo-examen.

En waar we die fotografen met toestellen en al de zee in zouden moeten duwen, onthalen we ze nu als helden, als vakmannen/-vrouwen. De Telegraaf weet niet hoe snel ze Bente op de voorpagina moet plaatsen en in haar kielzog volgt Editie.nl, met een item over de bijna blote Unox-babe Bente. Sites als vkmag.nl en programma’s als Shownieuws vergapen zich niet alleen aan Bente maar ook aan tientallen andere middelbare scholieren. Allemaal rennende meisjes, in bikini. Soms is er net wat meer zichtbaar dan Kijkwijzer goed zou keuren bij films die dezelfde meisjes op vrijdagavond zouden willen zien.

Bentes wens is in vervulling gegaan. Ze is, nog voor haar eerste proefexamens, een bekendheid geworden. Ik denk niet dat ze er lang van zal genieten. Misschien doet de wetenschap dat ook de eerste pornosites – ik weet dat omdat ik nog steeds aan het zoeken was – met haar foto’s aan de haal zijn gegaan al wat afbreuk aan de titel. En anders toch wel de ondubbelzinnige reacties van mannen wiens foto’s leeftijden van ver boven de 50 verraden: ‘Een topper hoor, volgend jaar ga ik ook maar de nieuwjaarsduik doen.’ En: ‘Ze ziet er in ieder geval lekkerder uit dan een Unox rookworst!’

maandag 31 december 2012

Vuurwerk


Hè gezellig, oudjaar. Ik was al bang dat ik vandaag zelf mocht bepalen wat ik zou willen doen. De commercie schiet gelukkig weer te hulp. Vandaag is de dag van de oliebollen, van De Toppers in concert en van vuurwerk afsteken. Veel vuurwerk. Heel veel vuurwerk. En daarvoor is geld apart gelegd, want wij verkeren in financieel moeilijke tijden, dus dan leg je geld apart voor dingen die er daadwerkelijk toe doen. Noem het primaire behoeftes. Noem het in ieder geval primair.

’s Ochtends om tien uur klinkt het startschot, maar als je een beetje lef hebt, heb je voor de koffie al achteloos een paar rotjes afgestoken. Living on the edge. Wie doet je wat? De politie? Serieus?! Op 31 december is Nederland oorlogsgebied. Het betreden ervan is geheel op eigen risico, ook voor de politie. Zij met lef en zij met vuurwerk maken de dienst uit, zij die enig belang hechten aan hun zintuigen en ledematen blijven binnen en lezen de krant. De boodschappen worden thuisbezorgd.

Ik heb voor een weeshuis tosti’s gemaakt. Mij niet gezien. Dan valt ineens mijn oog op ‘2 meter 41’. De maat staat gedrukt op een verkreukeld briefje dat op de rand van mijn bureau ligt, op het punt om in de prullenbak te vallen. Het is de lengte van mijn toekomstige gordijnen. Het is de verkeerde lengte. Ik kijk naar de voorwaarden: veranderen mag, maar dan wel binnen 24 uur. Ik heb nog een uur. Als ik mijn fiets pak zie ik een jongen van een jaar of elf en een verveeld gezicht iets gooien in de richting van een kat. De kat ziet het ook en verstopt zich doodsbang onder een auto.

Om de hoek word ik opgewacht door een paar andere vuurwerkafstekers. Ze kijken me vuil aan. Ik fiets op hun terrein. Ik belet hen in het onbezorgd rondslingeren van rotjes, honderdknallers, duizendknallers, begrotingstekortknallers. Door mij moeten ze uitkijken in welke richting ze het gooien. Als ik doorfiets maak ik het helemaal bont en zijn ze genoodzaakt om hun wapens voor korte tijd neer te leggen. Met tegenzin en volgens mij zelfs enige vertwijfeling doen ze dat.

In de volgende straat ga ik op zoek naar bondgenoten. Ik probeer een praatje aan te knopen met een vrouw op de fiets die geen vuurwerk afsteekt – het zou wat zijn. De vrouw merkt dat ik niet gewend ben praatjes aan te knopen en fietst door.

Dan ontploft er voor onze neus een enorme vuurwerkbom. De vrouw valt van schrik om, ik van schrik bijna. Om ons heen gaan autoalarmen af. Mijn oren suizen. De vrouw krabbelt op, balt haar vuist en met trillende stem roept ze de bommengooiers iets toe. Die zijn ook op de grond gaan liggen, zo hard moeten ze lachen. Ik help de vrouw op haar fiets en bal mijn vuist niet. Ik doe niets. Vandaag ben ik een indringer op vreemd grondgebied, dus ik kijk wel uit.

woensdag 19 december 2012

Het houten hok


‘Want lieve luisteraars, vergeet niet waarvoor we het doen. Als we onze handen hiervan afhouden komt er elke zes seconde een bekende Nederlander in beeld.’ Het is december van het jaar 2013 als DJ Giel Beelen zich gedurende zes dagen vrijwillig laat opsluiten in een hondenhok van anderhalve vierkante meter. Het hondenhok is gevestigd in de achtertuin van Connie Breukhoven, de enige BN’er  die in het voorgaande jaar niet thuis gaf toen er aan haar deur geklopt werd met de vraag of ze haar imago een boost wilde geven. Vanessa wist dat tegen de door haar geleden imagoschade geen euro’s konden opboksen en besloot daarom af te zien van deelname aan de kermis. Nu, in 2013, geeft ze Giel Beelen onderdak en brengt ze hem tweemaal daags een bak met vers drinkwater.

Giel Beelen sloot op maandag 24 december 2012, daags na de instorting van de aarde, de deuren van het glazen huis. Hij was geknakt. Waar de vorige zes keren hem goed waren bevallen, met alle loftuitingen en een aangesterkte status als bewonderde BN’er, viel deze editie hem zwaarder op de maag dan de glazen voedzame vruchtenshakes waar de heren gewoonlijk met zoveel tegenzin hun lippen aan zetten – medeleven kent zijn grenzen. Giel Beelen was het beu. Elke keer dagenlang met je hoofd vol geweten in beeld verschijnen en dankbaar tientjes in ontvangst nemen, dat begon zijn tol te eisen in de 51 andere weken van het jaar. Giel ging zich steeds meer bezighouden met de oneerlijke verdeling van welvaart over de wereld. Soms voelde hij zich zelfs een beetje bezwaard, bezwaard dat hij de dag van zijn laatste vruchtenshake alweer aan de hertenbiefstuk zat. En dus moest het over zijn; de goede doelen mochten niet zijn onbezorgde luizenleven gaan beheersen.

‘Met een donatie van slechts 1 euro 50 helpt u Gerard Ekdom een Voetbal International te kopen en thuis op de bank te blijven zitten.’ Giel kijkt op en zet zijn microfoon uit. Zijn eerste en laatste gast betreedt het hok. Het is Maurice de Hond, met de eindstand: 663 euro is er opgehaald voor de stichting Geef Nederland een blijvend geweten. Giel is geëmotioneerd. Een innige omhelzing met De Hond volgt: ‘Maurice, met dit geld kunnen we zoveel doen! Eindelijk kunnen we ervoor zorgen dat Youp van het Hek, Waylon, Gers Pardoel, Ilse Delange, Sanne Hans, Patrick Lodiers en Carice van Houten geld aan goede doelen geven zonder daarbij in de publiciteit te hoeven treden. En wat dacht je van al die andere, niet bekende Nederlanders?’ Er valt een stilte. Het volgende moment geeft De Hond met gedragen stem te kennen dat de regering heeft besloten het bedrag te halveren omdat er geen vertegenwoordigers aan het woord zijn geweest. Beelen haalt zijn schouders op en zegt dat op de koop toe te nemen. ‘Ach’, besluit hij, ‘het is ook maar een actie.’