Tennissers hebben mooie namen. Juan Martin del Potro, zo iemand kun je alleen maar bewonderen. Of Jo-Wilfried Tsonga. Van Tsonga wil je een handtekening, niet van Jack Tuyp. Jack Tuyp moet elke wedstrijd een gele kaart krijgen voor de manier waarop je zijn naam dient uit te spreken: Jak Tuip. Jack Tuyp wilde graag proftennisser worden, maar heeft zich al vroeg neergelegd bij het feit dat zijn naam van elke ATP-lijst geweerd zou worden. Dan maar profvoetballer. Voor Robin Haase is ooit een uitzondering gemaakt.
Juan Martin del Potro bevindt zich in goed gezelschap. Wat dacht u van Janko Tipsarevic, Alexandr Dolgopolov, Stanislas Wawrinka, Andreas Seppi? Daar komen mensen voor naar de stadia, om met de woorden van Hans Kraaij senior te spreken – de naam Hans Kraaij senior! Voetballers hebben andere namen dan tennissers. Zij heten Bas Dost, Oscar Hiljemark of Pavel Cmovs. Daar zit geen mooie letter bij. De naam Marcos Baghdatis daarentegen ademt schoonheid. De charismatische Cyprioot slaat daardoor dubbele fouten die het aanzien meer waard zijn dan de goals van Bas Dost.
De namen van oud-tennissers zijn misschien nog wel mooier dan die van tennissers van nu. Toen ik klein was en een A2-vel levensgroot, maakte ik daarop speelschema’s van tennistoernooien. De toernooien werden bij mij thuis gespeeld, in de speelkamer, door mij. Ik sloeg met een badmintonracket een paar keer tegen een ballon en besloot dan welke spelers er door waren naar de volgende ronde. Ik had een sterke voorkeur voor spelers met een mooie naam.
Dus werden de halve finales gespeeld door spelers als Davide Sanguinetti, Goran Ivanicevic, Sergi Bruguera en Mark Phillippoussis. Phillippoussis kreeg van mij vaak een paar letters extra. Phillllipppoussssis. Hij heeft alle toernooien op zijn fraaie naam geschreven.
zaterdag 6 april 2013
vrijdag 5 april 2013
Niet gelezen
Ik ren de bus uit, sla het uitchecken een keer over en storm
het gebouw binnen, de trap op, het lokaal in. Geen leerlingen. Shit. Ik slinger
mijn hoofd de hoek om en kijk naar het lokaalnummer: 101. Daar zitten we
normaal gesproken, het eerste uur. Ik kijk op mijn horloge: half negen. Het
eerste uur begint normaal gesproken om half negen. Tot zover geen clou. Waar
zijn toch de leerlingen?
De clou kwam van de roostermaker: een nieuw rooster. Ik wist
van niets, maar had van alles kunnen weten als ik het weekend ervoor, zoals
ik meestal deed, (al) mijn mails had gelezen. Het nieuwe rooster stond ongelezen en
dikgedrukt in mijn inbox, tussen gelezen berichten over minder acute
onderwerpen. Ik baalde. Het uur erop was een tussenuur. Ik rekende uit hoeveel
uur ik nodeloos níet in mijn bed had gelegen.
Even later kwam er een vrouw de docentenwerkruimte in. Ze bleek mij te zoeken. Had ik dan toch les? Ik keek op mijn telefoon: het was inmiddels vijf voor tien. Dan begon normaal gesproken het tweede uur. Geen les dus, of er moest in het afgelopen uur wederom een nieuw rooster in werking getreden zijn. “Mike, kom gauw, we zijn al aan de late kant.” Ik keek verdwaasd op van mijn computer en richtte mijn blik op de priemende ogen van de docente, die ik wel kende maar nog niet eerder gesproken had.
“Ik haal meteen de eerste leerling erbij, anders redden we het niet. Ik denk alles voor zich spreekt. De opdrachten liggen op volgorde van behandeling. Hoe is je Engels?” Totaal verbluft probeerde ik de informatie tot me door te laten dringen en samen te laten komen in een helder concept waarin mijn taakomschrijving als een soort vetlaagje naar boven zou komen drijven. Opdrachten, volgorde, eerste leerling, Engels. Ik keek om me heen: de muren bevonden zich dichterbij dan in andere lokalen. Mondelingen! Mondelingen Engels.
Als de laatste leerling het lokaaltje verlaat, bedankt de docent me voor de assistentie. “Vond je het leuk om te doen?” Dit is het moment om te zeggen dat ik het absoluut niet leuk vond om te doen, omdat ik helemaal niet de tijd had gehad om mijn tas mee te nemen, naar het toilet te gaan, op mijn/ons gemak de gang van zaken door te nemen en de boel voor te bereiden. Wat me tegenhoudt is de overtuiging dat er ergens melding was gemaakt van deze activiteit, dat die melding ergens dikgedrukt en ongelezen vergeefs op mijn aandacht wachtte.
Een slimme zet, zo bleek.
Even later kwam er een vrouw de docentenwerkruimte in. Ze bleek mij te zoeken. Had ik dan toch les? Ik keek op mijn telefoon: het was inmiddels vijf voor tien. Dan begon normaal gesproken het tweede uur. Geen les dus, of er moest in het afgelopen uur wederom een nieuw rooster in werking getreden zijn. “Mike, kom gauw, we zijn al aan de late kant.” Ik keek verdwaasd op van mijn computer en richtte mijn blik op de priemende ogen van de docente, die ik wel kende maar nog niet eerder gesproken had.
“Ik haal meteen de eerste leerling erbij, anders redden we het niet. Ik denk alles voor zich spreekt. De opdrachten liggen op volgorde van behandeling. Hoe is je Engels?” Totaal verbluft probeerde ik de informatie tot me door te laten dringen en samen te laten komen in een helder concept waarin mijn taakomschrijving als een soort vetlaagje naar boven zou komen drijven. Opdrachten, volgorde, eerste leerling, Engels. Ik keek om me heen: de muren bevonden zich dichterbij dan in andere lokalen. Mondelingen! Mondelingen Engels.
Als de laatste leerling het lokaaltje verlaat, bedankt de docent me voor de assistentie. “Vond je het leuk om te doen?” Dit is het moment om te zeggen dat ik het absoluut niet leuk vond om te doen, omdat ik helemaal niet de tijd had gehad om mijn tas mee te nemen, naar het toilet te gaan, op mijn/ons gemak de gang van zaken door te nemen en de boel voor te bereiden. Wat me tegenhoudt is de overtuiging dat er ergens melding was gemaakt van deze activiteit, dat die melding ergens dikgedrukt en ongelezen vergeefs op mijn aandacht wachtte.
Een slimme zet, zo bleek.
maandag 1 april 2013
De Flitz
De Flitz is
niet meer. Dicht. Voorgoed. Overgenomen door twee vedettes op het gebied van
succesvol overnemen. Eerder toverde dit duo een vervallen pand om tot een
sfeervolle, goed lopende kroeg. Dan weet je dat het menens is.
En dat
terwijl De Flitz in mijn ogen zo goed liep. Elke verjaardag weer kwamen er tientallen
mensen naartoe om te roken, darten, drinken en dansen. De hele avond lang
bleven deze mensen hangen, totdat uiteindelijk tegen vieren de jarige besloot
dat het mooi geweest was. Dan ging iedereen naar huis. Ik heb me nooit
gerealiseerd dat wij iedereen waren.
De Flitz was
een vrij grote kroeg in een centraal gelegen achterafstraatje – een vreemde
combinatie, iets waar De Flitz patent op had. Bij binnenkomst viel meteen de
vale, gestreepte bank op, die aan de rechterzijde van de voorste ruimte de zorgen
van de kroeg symboliseerde. Op de bank kon niet gezeten worden, bewezen mijn
ouders op mijn verjaardag.
Even
verderop, in de tot rookruimte omgedoopte keuken, kon wel gezeten worden, op de aanrechten. In de rookruimte vonden plotselinge privéflamenco-optredens plaats en
werden presentaties gegeven over de staat van alles in de wereld, verzorgd door
één van de weinige (andere) vaste gasten. Als ik zou roken, had ik er in deze
rookruimte weinig tijd voor gehad.
Als de
tafels en stoelen rond twaalf uur de versgegeven cadeaus droegen en de laatste darters
hun pijltjes opborgen, verhuisden we naar de dansvloer. Daar zetten we het op een dansen. Ongegeneerd dansen, met overmoedige sprongen en geschuur waar op
schoolfeesten schande van gesproken zou worden. In De Flitz niet. Je kon zo hoog springen als je wilde; in De Flitz was
alles geoorloofd.
Het zal even
wennen zijn: een verjaardag vieren bij iemand thuis.
donderdag 28 maart 2013
Verjaardag
Op 24 maart ben ik jarig. 23 maart en 25 maart zijn
doodnormale dagen, zelfs met
temperaturen onder de nul, maar de 24e is altijd een dag op zich. Er zijn wel eens dingen te doen op 24 maart: concerten, voorstellingen, koopzondagen, voetbalwedstrijden. Dan voel ik me trots, maar ook een beetje gepasseerd. Ze hebben toch maar mooi mijn verjaardag uitgekozen, maar ook: ze hebben mijn verjaardag uitgekozen! Hoe durven ze.
temperaturen onder de nul, maar de 24e is altijd een dag op zich. Er zijn wel eens dingen te doen op 24 maart: concerten, voorstellingen, koopzondagen, voetbalwedstrijden. Dan voel ik me trots, maar ook een beetje gepasseerd. Ze hebben toch maar mooi mijn verjaardag uitgekozen, maar ook: ze hebben mijn verjaardag uitgekozen! Hoe durven ze.
Elk jaar vier ik mijn verjaardag (zo makkelijk krijgen ze me
er niet onder). Vroeger gaf ik feestjes. Tegenwoordig ook, maar nu met
bitterballen in plaats van frietjes. Als het laat wordt, brengen we elkaar
thuis. Vroeger vierde ik vaak niet alleen mijn eigen verjaardag, maar ook
die van een paar vriendjes die net als ik in de lente jarig waren. We gingen
dan bowlen met de hele klas of schaatsen met de hele klas. Nu is bowlen teveel
gedoe en gaan we ergens zitten. Ik vier mijn verjaardagen sinds een paar jaar
solo.
Het vieren van mijn verjaardag is altijd spannend. Hoe
vinden mijn klasgenootjes mijn zelfgeprikte prikkers? Is er niemand allergisch
voor kaas? Op de fiets klappen de eerste ballonnen al – en ik ben de druiven vergeten! In de klas
zijn alle ogen op mij gericht. Ik mag iemand aanwijzen die me meehelpt met
uitdelen. Dat wil iedereen wel en ik kies het liefst iedereen. Dat mag niet. Ik
kies, willekeurig, twee aardige klasgenootjes. Dat mag ook niet. Aardig mag
wel, twee niet.
Vijftien jaar later zijn er andere zorgen: wat vinden mijn
vrienden van mijn zelfafgehuurde café? En van mijn zelfsamengestelde playlist?
Heeft iedereen een welkomstdrankje gekregen,
zonder dat ik bij het overhandigen ervan dat woord gebruikte? In de ene
hoek staan vrienden en in de andere hoek ook. Als jarige hoop ik op
gesprekken tussen de hoeken; als bezoeker zou ik daarvoor vrezen. Mijn ouders
en broer zijn er ook. Dat is fijn, maar ook (extra) spannend. Wat zouden ze van
mijn feestje vinden? Van mijn zelfafgehuurde café? En van mijn
zelfsamengestelde playlist?
Dit jaar vier ik mijn verjaardag op de avond voor mijn
verjaardag, die overgaat in de nacht van mijn verjaardag. Ik heb behalve
risotto voor drie personen niets hoeven (voor)bereiden en doordat we in de
kroeg gaan weerwolven blijven de hoeken leeg. Mijn kamer is versierd door huisgenoten en
kort nadat ik wakker word, vind ik mezelf ontbijtend terug in de Mac. Het is
alles bij elkaar een geweldige, ontspannen verjaardag. Voel ik dan echt geen enkele verantwoordelijkheid? Jawel, ik moet iedereen nog bedanken hiervoor. Bij
dezen!
donderdag 14 maart 2013
Vergaderen
En nu zit ik aan een tafel die met een stuk of acht andere
tafels een ‘u’ vormt. Er hangt een wasem van koffie boven de opstelling en aan
het hoofd zit een docent met stapels papieren en een zorgelijk gezicht. De tijd
heeft mijn voorspellingen ingehaald: ik ben één van de vermoeide docenten
geworden. Om me heen zitten collega’s en, verdomd, de meeste van hen ken ik. Er
wordt gezucht en af en toe hard gelachen. Het is een fijn gevoel om eindelijk
deel uit te maken van iets wat zo lang buiten mijn bereik lag, maar ten
opzichte van mijn klasgenoten voel ik me schuldig. Ik doe waar we tijdens het corveeën
onze docenten van betichtten: ik praat in het geheim over leerlingen. En ik
drink koffie.
zondag 10 maart 2013
Shania Twain
Ik zet de radio aan en val met mijn oren in de boter: de
Powervrouwen top 101. Een top 100 is altijd aan mij besteed en een top 101 –
net eentje meer, lekker dwars, lekker anders – lust ik rauw. En dan ook nog één
met powervrouwen. Ik houd van powervrouwen, van de term vooral. Een powervrouw
laat niet met zich sollen, zingt gewoon waar het op staat. 'Haten is verlaten', twittert
de powervrouw. Ik zet de radio harder en vraag me hardop af welke powervrouw er
stoer in de startblokken zou staan, klaar om haar statement te maken. Na een
minutenlange aankondiging hoor ik een bekend intro. Het is de intro van ‘Man, I
feel like a woman’, van Shania Twain.
De cd van Shania Twain kocht ik in de cd-winkel in
Hilvarenbeek. Ik was een jaar of tien. De cd-winkel was muf en de verkoper deed
daar weinig voor onder. Ik kocht daar niet alleen de cd van Shania Twain, maar ook
die van de Charley Lownoise & Mental Theo en een singeltje van Aqua. Van
enige cohesie in mijn smaak was nog lang geen sprake. Ik luisterde wat ik leuk
vond, was nog niet op de hoogte van, laat staan gevoelig voor genres en
bijbehorende doelgroepen. Pet Shop Boys, Solid Harmony, Tracy Chapman, Toy Box,
Shania Twain, ze stonden bij mij allemaal op één bandje.
Waar Shania Twain precies over zong, ontging me. Ik kon de
woorden dromen, dat wel, maar had geen flauw idee wat ze betekenden. Dat maakte
me niets uit. ‘Honey, I’m home’, ‘Don’t be stupid (you know I love you)’ en ‘Man,
I feel like a woman’ zong ik altijd van begin tot eind mee; alleen de
allermoeilijkste woorden liet ik passeren. Intussen maakte ik ijverig mijn eerste
huiswerkopgaves, over staartdelingen en hoofdsteden. Op mijn deur hing een oude
poster van Sesamstraat. Als vriendjes dat kinderachtig vonden, stelde ik de
poster gerust met de woorden van Shania Twain: ‘You’re still the
one’.
Nog steeds luister ik wel eens naar Shania Twain, of naar
Captain Jack, 3T, Fugees of Coolio. Op Spotify kan ik alles wat ik 15 jaar lang
heb moeten missen weer terugvinden. Dat ik niet de enige ben die naar
jeugdherinneringen op zoek is, zie ik aan de enorme hoeveelheid ‘oude’
playlists die er op Spotify te vinden zijn. Dat gegeven sterkt me in het
streven om nog meer muziek van vroeger te luisteren. Ik hoef me er schijnbaar
niet voor te schamen.
Daarom zet ik nu ook zonder moeite een nummer van T-Spoon
aan. Ik schaam me nergens voor, alhoewel: ik zou ook weer niet willen dat iedereen ervan af zou weten. Misschien schaam ik me toch. 'Keep on smiling' is het eerste nummer van een urenlange privésessie. Dit stukje ga ik nooit plaatsen.
donderdag 21 februari 2013
MSN
MSN-taal. Dat zei ik. MSN-taal. Ik had rekening gehouden met
allerlei reacties of het gebrek eraan, maar dit had ik niet zien aankomen. De
klas barst in lachen uit. ‘Dat bestaat niet meer, meneer!’ Roept een leerling.
‘Wat? MSN-taal?’ ‘Nee! MSN! MSN bestaat niet meer’. Ik kan mijn oren niet
geloven. MSN bestaat niet meer? Er wordt wederom hard gelachen. ‘Echt al jaren
niet meer’, wrijft een andere leerling het erin. Ik lach besmuikt mee,
terwijl ik broed op een synoniem. Dat had ik beter niet kunnen doen. Na
‘sms-taal’ is de les ten dode opgeschreven.
MSN kwam tegelijkertijd met mijn buitenboordbeugel: in de
eerste klas installeerde ik het programma op mijn computer. Mijn e-mailadres
was bugsbruggink@hotmail.com en
om die reden heette ik Bugs Bruggink – naar één van mijn favoriete PSV’ers Arnold
Bruggink, of naar één van mijn favoriete Looney Tunesfiguren Bugs Bunny. In het
begin had ik maar een paar vrienden. Ik was er vroeg bij, maakte ik mezelf
wijs. Om altijd te kunnen zien wie van deze paar vrienden online waren en om
zelf te bepalen wanneer ik dat was, was mijn status altijd afwezig. In de praktijk was ik vaak het tegenovergestelde van
afwezig: dan zat ik doodstil achter de computer, alert op alles wat op MSN kon
gebeuren.
Toen de vrienden langzaam toenamen, deden de verschillende
MSN-namen dat ook. Ik zag op het scherm regels uit songteksten en levensmotto’s
verschijnen, omringd door veelbetekenende symbolen en smileys. Het waren vaak
gewichtige boodschappen, die niet helemaal strookten met de Mr. Beanagenda’s
die naast de MSN’ers op de bureaus lagen. Maar aan die wetenschap had ik niets;
Bugs Bruggink verbleekte bij alle filosofische wijsheden en dus moest er een
andere naam komen. Ik koos een regel uit een nummer van The Streets: iets over
climbing the ladder. Ik had geen idee wat het betekende, maar de regel viel
niet uit de toon bij de andere en daar ging het om. Ik plakte er drie puntjes
achter om de naam wat extra lading te geven…
Op school merkte ik dat MSN er niet voor niets was. Ik ging
steeds meer de behoefte voelen om dingen te bespreken, mogelijk omdat ik steeds
meer dingen meemaakte, maar waarschijnlijk omdat er overal op school door
iedereen van alles besproken werd. Die gesprekken gingen nog wel eens langs me
heen, maar op MSN haalde ik deze gespreksachterstand dan in door honderduit te
klagen over leraren, zonder enige aanleiding nieuwe liefdes te voorspellen of
te bemiddelen in ruzies die er eigenlijk niet waren. Het leven kreeg wat meer
diepgang, concludeerden we, op MSN. Doordat niemand met een MSN-naam als Bugs
Bruggink hier tegenin durfde te gaan, heb ik pas recent ontdekt dat dat
eigenlijk wel meeviel.
Behalve toen ik ging MSN’en met een heel leuk meisje.
Elke dag. Met haar MSN’en werd een even zenuwslopende als belangrijke
bezigheid. We spraken af om op bepaalde tijden te MSN’en. Dan zorgde ik ervoor
dat ik op offline stond – een recente
ontdekking – en dat ik een paar uur niets anders te doen had. Vanaf de
begroeting werd elke zin het resultaat van veel wanhopige pogingen er
één te schrijven. Alles moest ertoe doen. Op een dag schakelden we over op geheimtaal;
dat hielp iets. We durfden nu te schrijven dat we elkaar leuk vonden. Soms
zetten we de webcam aan en zwaaiden we. Het hielp allemaal niet veel, want als
we elkaar op school tegenkwamen, liepen we nog altijd in een verlegen boog om
elkaar heen. Toch maakte dat niet veel uit: we hoefden onze virtuele verkering niet in het echte leven te bewijzen.
(L):(:@Liefuh MSN, kga je missuh... R.I.P.:(:@(L)
zondag 17 februari 2013
De beschouwingen beschouwd
Mijn bed
heeft zich verstopt onder een bladerendek van bouwplannen, bronnen,
samengevatte bronnen en daarop gebaseerde beschouwingen, geschreven door mijn – mag ik dat zeggon? – derdeklassers. Als
ik goed kijk zie ik een enkele snelhechter, maar de meeste papieren zijn met
een nietje of niet samengevoegd. Het is een gigantische bende en ik heb geen
idee waar ik moet beginnen.
Ik besluit
alles waar dezelfde naam op staat een eigen plek op het bed te geven. De
laatste paar namen die voorbijkomen zitten tweede rang, op het voeteneind, het
zij zo. Vervolgens loop ik de pakketten op alfabet af. De controle bestaat uit
een korte blik op de bronnen, een wat langere blik op de samenvattingen, een
grondige blik op het bouwplan en een minutieuze bestudering van de beschouwing.
Na twee controles ben ik evenzoveel uren verder. Ik heb nog geen idee wat de
cijfers worden. Eerst maar eens wat eten.
De dag erop heb
ik spierpijn in mijn schrijfarm. De commentaren, veelal over de wat wollige
formuleringen, hadden bondiger gekund. Ik kijk naar mijn bed, waar de nog niet
bedeelde stapels op hun beloning wachten. Nog elf. De spanning is er
grotendeels af. Weer dat ene onderwerp, weer een congruentiefout, weer de
gedachte aan hoe ik dat in de les ga uitleggen: een congruentiefout. “Je moet uitgaan van een aantal en niet van appels.”
“Waarom is dat?” “Je moet uitgaan van een
aantal en niet van appels. Vragen?” De laatste beschouwing ligt al bijna de hele dag op bed – hij wel.
Ik pak de
lijst erbij. De beschouwing is geschreven door iemand met dyslexie. Ik schenk
mezelf nog een kop thee in. De tekst is, zo zie ik direct, met overgave en
enthousiasme geschreven. De woorden dansen op het papier, alleen vrijwel
nergens in de maat. Het lijkt alsof er een bom aan letters is ontploft. Het is
aan mij om de bedoelde coherentie erin te ontdekken. Ik krijg het niet voor
elkaar. Dat ligt aan mij, want de leerling is dyslectisch; hem mag ik
niets aanrekenen. Dat het cijfer dat ik hem moet geven in de verste verte niet strookt
met zijn prestatie en de beheersing van de taal, moet ik voor lief nemen. Het is over middernacht en mooi geweest.
donderdag 14 februari 2013
Eerste competitiedag
Het is kwart voor zeven. Over anderhalf uur gaat mijn
wekker, maar ik ben al een tijdje wakker. Mijn hart bonst in mijn keel. In mijn
tennistenue kijk ik naar een aflevering van Alfred Jodokus Kwak die ik al ken.
Het is een enge aflevering, met een hoofdrol voor Krabnagel de Kater. In haar
mand blaft onze hond Chanda een nare droom weg. Ik zet de tv uit en loop naar
de keuken. De boterham met pindakaas die ik smeer gaat in veel etappes en met veel moeite naar
binnen. In mijn hoofd speelt de wedstrijd zich af, punt voor punt. Ik win nipt,
in drie sets.
Eindelijk is het tien voor negen. Mijn fiets staat al voor
de deur. Ik zwiep mijn tennistas over mijn schouder en zeg mijn ouders gedag. Ze
komen kijken. Het wordt vast een spannende wedstrijd. Ik rijd zo hard ik kan
naar de club. Onderweg kom ik mijn trainer tegen. Misschien komt hij ook wel
kijken. Ik rijd het laatste stukje uit het zadel en rem zo hard dat mijn fiets slipt. Niemand ziet het. Binnen
wordt mijn naam genoteerd op het wedstrijdformulier. Ik mag zelf mijn
handtekening erbij zetten. Onze oudere tegenstanders kijken ons vanachter de
aangrenzende tafel neerbuigend aan.
De wedstrijd is helemaal niet spannend. In het eerste deel gaat het gelijk op, in het tweede deel is mijn tegenstander veel beter. Ik
verlies, maar mijn ouders en broer zeggen dat ik goed gespeeld heb. Ze moeten
wel, denk ik, maar misschien was het ook wel zo. Mijn tegenstander laat de baan
vegen door zijn zusje. Dat vind ik maar niks. Ik neem me voor altijd mijn eigen
baanhelft te blijven vegen, ook later, als ik een beroemde proftennisser ben.
De moeder van mijn tegenstander buigt zich over het hek en spreekt bemoedigende
woorden. Ze vraagt wat ik wil drinken. Ik lust wel een ranja.
Vier ranja’s later zijn mijn consumptiebonnen op. Mijn
vriendjes hebben hun wedstrijden ook verloren. Eén van hen kan dit moeilijk
verkroppen. Met een vuurrood, betraand hoofd stampt hij de kantine binnen. Zijn tegenstander speelde de hele wedstrijd vals! Boos gooit hij zijn consumptiebonnen
op de bar; die hoeft hij niet meer, hij gaat naar huis. De barman, zijn vader, probeert hem tegen te houden, maar voordat hij achter de bar vandaan gekomen is, zit zijn zoon al op de fiets.
Van de bonnen kopen we een Speedy, tien banaantjes in een plastic bekertje, een snoepzak met taaie dropsleutels en een rare ufo met poeder erin, nog een ranja en een zakje chips. Terwijl we ons hieraan tegoed doen kijken we alle drie dromerig en tevreden naar buiten, niet wetende dat twee van ons daar over vijf minuten verwacht worden voor de dubbelwedstrijd. We hebben nog nooit een dubbelwedstrijd gespeeld. Zou dat met twee ballen zijn? De andere dubbel gaat niet door, wegens een boze teamgenoot die naar huis is. Het is onze eerste competitiedag.
Van de bonnen kopen we een Speedy, tien banaantjes in een plastic bekertje, een snoepzak met taaie dropsleutels en een rare ufo met poeder erin, nog een ranja en een zakje chips. Terwijl we ons hieraan tegoed doen kijken we alle drie dromerig en tevreden naar buiten, niet wetende dat twee van ons daar over vijf minuten verwacht worden voor de dubbelwedstrijd. We hebben nog nooit een dubbelwedstrijd gespeeld. Zou dat met twee ballen zijn? De andere dubbel gaat niet door, wegens een boze teamgenoot die naar huis is. Het is onze eerste competitiedag.
zondag 10 februari 2013
Dierbare beperkingen
De zesenzestigste daghap
schrijf ik op een nieuwe laptop. Het moest er een keer van komen. De nieuwe
laptop is een lease laptop van school, met alles erop en eraan. Mijn oude had
ademhalingsproblemen en lag permanent aan de cooler. Ik gaf hem nog een paar maanden.
De nieuwe ademt gelijkmatig en zelfstandig en heeft een functionerende n-toets.
Ik voel me bevrijd, maar ook onteigend. Ik was gehecht geraakt aan de papieren
propjes die ik om de zoveel tijd op de krater plakte die de n-toets had
achtergelaten. Nu heb ik een laptop waaraan niets mankeert.
Op vergelijkbare wijze hield ik van de Facebookbezoeken waarbij ik een keer of tien op ‘vernieuwen’ moest drukken voordat alle berichten van de laatste dagen in beeld verschenen. Ik schrok me dood toen Facebook direct in al haar glorie getoond werd. Ik kon er niet goed mee omgaan. Facebook was voor mij een belofte geworden, een geleidelijke vervulling van mijn bijna exploderende zucht naar ditjes en datjes. De nieuwe weergave leidde tot een digitale vraatzucht die zijn weerga niet kende.
Een andere beperking die langzaam is uitgegroeid tot een dierbare gewoonte is het douchen in de keuken. Het geluid van kletterend douchewater is voor mij inmiddels net zo verbonden aan de keuken als het geluid van kokend water in de pan. Douchen in een badkamer zou voor mij degradatie betekenen, een teruggang naar het voorspelbare leven in gescheiden domeinen. Nu kan ik naar de keuken lopen en onderweg besluiten wat ik ga doen. Wordt het soep of shampoo? Wordt het een verstopt doucheputje of een verstopte gootsteen? Die vrijheid zou ik voor geen goud willen inleveren.
Mijn vloerbedekking hoort ook in dit rijtje thuis. Mijn vloerbedekking is oud en gerimpeld. Daarom probeer ik hem een beetje te ontzien, door bijvoorbeeld niet over hem heen te rijden met mijn bureaustoel waar af en toe de rugleuning uit valt. Mensen adviseren corrigerende vloermatten, maar ik ben blij met mijn vloerbedekking zoals hij is. Ik til met alle liefde mijn bureaustoel over de gevoelige plekken en als ik stofzuig, trek ik in één beweging alles glad. Dan kan hij er weer even tegenaan. Ik zie huizenhoog op tegen het moment dat mijn vloerbedekking op andere plekken loslaat, de dag dat er nieuwe vloerbedekking voor de deur staat.
Eén van mijn boxen staat in een koffiekopje. Ik hoop dat dat nog lang zo mag blijven.
Op vergelijkbare wijze hield ik van de Facebookbezoeken waarbij ik een keer of tien op ‘vernieuwen’ moest drukken voordat alle berichten van de laatste dagen in beeld verschenen. Ik schrok me dood toen Facebook direct in al haar glorie getoond werd. Ik kon er niet goed mee omgaan. Facebook was voor mij een belofte geworden, een geleidelijke vervulling van mijn bijna exploderende zucht naar ditjes en datjes. De nieuwe weergave leidde tot een digitale vraatzucht die zijn weerga niet kende.
Een andere beperking die langzaam is uitgegroeid tot een dierbare gewoonte is het douchen in de keuken. Het geluid van kletterend douchewater is voor mij inmiddels net zo verbonden aan de keuken als het geluid van kokend water in de pan. Douchen in een badkamer zou voor mij degradatie betekenen, een teruggang naar het voorspelbare leven in gescheiden domeinen. Nu kan ik naar de keuken lopen en onderweg besluiten wat ik ga doen. Wordt het soep of shampoo? Wordt het een verstopt doucheputje of een verstopte gootsteen? Die vrijheid zou ik voor geen goud willen inleveren.
Mijn vloerbedekking hoort ook in dit rijtje thuis. Mijn vloerbedekking is oud en gerimpeld. Daarom probeer ik hem een beetje te ontzien, door bijvoorbeeld niet over hem heen te rijden met mijn bureaustoel waar af en toe de rugleuning uit valt. Mensen adviseren corrigerende vloermatten, maar ik ben blij met mijn vloerbedekking zoals hij is. Ik til met alle liefde mijn bureaustoel over de gevoelige plekken en als ik stofzuig, trek ik in één beweging alles glad. Dan kan hij er weer even tegenaan. Ik zie huizenhoog op tegen het moment dat mijn vloerbedekking op andere plekken loslaat, de dag dat er nieuwe vloerbedekking voor de deur staat.
Eén van mijn boxen staat in een koffiekopje. Ik hoop dat dat nog lang zo mag blijven.
Abonneren op:
Posts (Atom)