dinsdag 26 juni 2012

Gio




Maartje Paumens visie op het EK-debacle is de druppel die mijn emmer met meningen over Oranje doet overlopen. Het einde is zoek. Ik heb inmiddels theorieën gehoord over grasmatten, hotels, over opstootjes, kampen, spelersvrouwen, over gehumeurde huisdieren, verkeerd gezette tattoos en ongewassen spinazie in de pasta; ze geven allemaal uitsluitend blijk van de geldingsdrang van de afzenders. Allemaal even overtuigd van hun gelijk, in de hoop later bekend te worden als degene die als eerste de veelbesproken beerput insprong en met de ergste stank terugkwam.

Nu het einde toch zoek is, kan ik er net zo goed een schepje bovenop doen. Als Gerard Joling en Ronald Plasterk het kunnen, kan ik het ook. Mijn theorie is even gezocht als gemeend en nog niet eerder verkondigd. Zeer geschikt daarom om toe te voegen aan de meningendrab, waar hij zich ongestoord kan vermaken met alle verhitte speculaties en ondubbelzinnige stelligheden. Misschien zit er voor mijn mening een samenwerking met een andere mening in het vat; wellicht kan er gelekt worden.

Het sleutelwoord, of beter gezegd, de sleutelnaam, is Gio. Giovanni. Giovanni van Bronckhorst. Gezocht, absoluut. Kijk naar de opstelling van het Nederlands elftal en vergelijk deze met die van twee jaar geleden en zie daar het enige echte verschil: Giovanni van Bronckhorst is vervangen door Jetro Willems. Dus is het wel erg makkelijk om daarnaar te wijzen. Oké, Dirk Kuyt staat er ook niet meer in, maar dat mogen we onder de categorie logica scharen. Zo niet, dan doe ik het, met overtuiging bovendien, dus is het gerechtvaardigd. Jetro Willems is de enige verzwakking ten opzichte van het elftal van 2010. Zou dat nu de hoofdoorzaak zijn? Ik vind het gezocht.

Gemeend: Van Bronckhorst was een goede middenvelder en later een betrouwbare back die op- noch tegenviel bij Barcelona en op latere leeftijd bij het kwakkelende Feyenoord van waarde was. Op EK’s en WK’s  transformeerde Van Bronckhorst echter in Gio en was hij in één klap de beste speler ter wereld. Niets was Gio te gek. Hij verdedigde, verdeelde, dribbelde, demareerde, schoot en scoorde zelfde een keer met het hoofd, tegen de verbijsterde Italianen. Gio voetbalde weergaloos en maakte tegelijkertijd dankbaar gebruik van de onderschatting die hem deel viel. Matterazzi, Thiago Silva, Gallas, ze lachten in hun slagersvuisten om zijn vriendelijke geklets met op hol geslagen fans of journalisten na de training. Daar zou nooit een fatsoenlijke voetballer achter schuil kunnen gaan, zo iemand viel niet serieus te nemen.

Mooi wel. We hebben je gemist, Gio, tijdens dit EK. Geen egotripperij, maar vriendelijkheid als basis voor succes. En een ongekend, ontwapenend enthousiasme. Met een bezwete hand knijp je in de bezwete hand van het spelertje dat met jou het veld mag betreden: ‘Ik vind het ook wel spannend, hoor.’ Voor de wedstrijd neem je de tegenstanders verlegen handenschuddend een voor een in de maling. Er wordt niet naar je omgekeken. Suarez geeft je tijdens de halve finale van het WK 2010 een aai over je bol. Jij haalt je schouders op, bij jou hoeft het haar niet in model te zitten. Ook niet na rust. Even later maak je de mooiste goal uit je leven. Je bent dolblij en juicht uitbundig, maar zonder borstklopperij of ingestudeerde gebaren. Dat laat je over aan de specialisten om je heen. 

donderdag 14 juni 2012

Chanda



In de zomer pas ik een paar weken op Chanda. Ik heb met haar een relatie op afstand: ze is mijn hond, maar we wonen gescheiden van elkaar. Ze is nu vijftien jaar, precies zo oud als ze volgens de vrouw van de kennel zou gaan worden. Daar moet ik maar niet te veel aan denken. Chanda is de liefst denkbare hond en verdient het om geëerd te worden. Een requiem over (hopelijk) een paar jaar ligt voor de hand, maar dat zou suggereren dat er op eerdere momenten niet of nauwelijks aan haar gedacht is. Hierbij wil ik Chanda het tegendeel bewijzen.

Chanda spreek je uit als Tjenda. De naam bereikte mij via Chanda Rubin, tennisster uit de jaren ’90. Ik was in die tijd een groot tennisfan, al verried mijn voorkeur voor Michael Chang de willekeur waarmee ik mijn fanschap bedreef. Chang zou het worden, de naam van mijn aanstaande hond. Toen bleek dat het een meisje zou worden zocht ik naarstig naar een tennisster waarvan de naam op Chang leek. Het resultaat was Chanda Rubin. Na een paar keer oefenen met apporteren, iets wat weggegooide tijd zou blijken, vond ik de naam Chanda mooi, mooier zelfs dan Chang.

Chanda was mijn verjaardagscadeau. Ik werd negen. Het werd tijd voor een broertje of zusje, vond ik. Mijn ouders dachten daar anders over; dat zou niet meer gaan gebeuren. Een hond dan maar. Ook dat idee ondervond de nodige weerstand. Wie zou er voor de hond gaan zorgen? Uitlaten, borstelen, naar de dierenarts voor een prik, het hoorde er allemaal bij en het zou hoofdzakelijk mijn verantwoordelijkheid gaan worden. Had ik dat ervoor over? Ik kende het woord verantwoordelijkheid nog niet en besloot het ervoor over te hebben.

En dus kreeg ik een hond. Ik wilde het liefst een kleine hond en werd daarin gesteund door mijn moeder die geen goede ervaringen had met grote honden (eigenlijk één grote hond). Het werd een Boomer, wat ik ook een mooie naam vond. Een Boomer was een kruising tussen een Maltezer en een Tshi-tzu; ook niet verkeerd. Chanda werd ontvangen met kussens, water en kaas. De eerste nacht piepte ze, waarschijnlijk omdat ze haar moeder miste. We hebben haar daarna zelden op een geluid kunnen betrappen. Daarentegen likt ze onophoudelijk en rent ze per dag vijf minuten als een gek in het rond. Ze is bijna altijd vrolijk, ook als daar weinig reden toe is, tijdens bijvoorbeeld een verkleumende sneeuwwandeling of een nijpend gebrek aan kaas.

Chanda stak ooit vol bravoure een drukke straat over, haar baasje desolaat en met een geknapt riempje achterlatend. Chanda kwam ooit op achteloze wijze terug van een onaangekondigd logeerpartijtje bij een vriendje in de tuin. Chanda maakte ooit, na een nieuwsgierige sprint met kwispelende staart kennis met twee paarden. Chanda kon alles aan. Chanda kan alles aan! Nog vele jaren, lieve Chanda. 

vrijdag 8 juni 2012

Groot of klein scherm?



De bondscoach mag twijfelen over het wel of niet opstellen van Jetro Willems, ik kamp met een dilemma dat vele malen hardnekkiger is. Ga ik morgen de wedstrijd thuis kijken, thuis in Tilburg, bij mijn ouders? Of in de stad, in Utrecht, met vrienden? Neem ik het risico zwaar ontgoocheld tussen hordes uitgedoste Thialfsupporters te staan? Of speel ik de veilige kaart en drink ik, na een eclatante 4-0 overwinning, met enige vertwijfeling een glas spa rood? ‘Op onze jongens!’

Als ik risico neem ga ik in de stad kijken. Mee in de oranje gekte. Met alle gevolgen van dien: negentig minuten lang een boomlange vent voor mijn neus, met een weelderige bos krullen op de plek waar Ibi in beeld zou moeten verschijnen; geen geluid, dus geen commentaar, dus geen idee hoeveel interlands Mark van Bommel nu precies meer gespeeld heeft dan Edgar Davids. Daarbij: gejoel en geklap, ongeacht hoe tergend langzaam het baltempo of dodelijk voorspelbaar het spel van Nederland is. Tot slot het risico dat je zestien minuten pauzeert en zodoende de eerste goal mist – niet alleen Poulsen heeft van dat moment wakker gelegen.

Maar ook de intense vreugde als er gescoord wordt. Alsof alles van die ene wedstrijd afhangt. Sorry, omdát alles van die ene wedstrijd afhangt. En de spanning, die te snijden is, maar die het hoofd geboden wordt door de eensgezindheid die er uit het getier op de scheidsrechter en gefluit naar de tegenstander doorklinkt.  Het is een cliché, het oranjegevoel, maar als het bestaat, huist het in kleine cafés met grote schermen.

En niet in een iets ruimere woonkamer met een beduidend kleiner scherm. Daar wordt het oranjegevoel met alle geoorloofde middelen buiten de deur gehouden. Zo wordt tijdens de voorbeschouwing van Jan van Halst – punctueel zoals (gelukkig) alleen hij dat kan – misprijzend gelachen. Het Wilhelmus doorstaan we met ongeduldig zuchten en als de eerste pass gegeven is, volgt direct de eerste de eerste cynische bespiegeling over de onkunde achterin. Hè, gezellig.

Maar wel meer in de lijn van wat er op het veld gebeurt en wat het belang ervan is. Van de Wiel probeert trucjes uit die hij de volgende dag op Twitter kan zetten, met erachter: #fifa12. Relativering is dus op zijn plaats, omdat we kunnen zien dat de lamlendige wedstrijd onze onverdeelde aandacht niet waard is en horen dat het aantal interlands van Mark zo’n vaart niet loop. En omdat na de kansloos verloren wedstrijd het journaal opgezet wordt en er in de wereld ook het een en ander gebeurd is dat onze onverdeelde aandacht eigenlijk meer verdient.

Maar stel nou dat de wedstrijd met flitsende aanvallen en schoonheden van doelpunten gewonnen wordt? Dan moet ik niet aan relativering denken, dan wil ik alleen maar aan de wedstrijd denken. Oké, en aan de lonkende kwartfinale. Maar nergens anders aan. Wat nou als Nederland weer zulke poulewedstrijden op de mat legt als vier jaar geleden maar ik onthoud alleen dat er in juni in Peru een helikopter vermist was, met daarin één Nederlander? En dat was niet eens een speler van het Nederlands elftal! Onverdraagbaar zou dat zijn.

Ik denk dat ik morgen op mijn kamer begin. Als het 1-0 wordt verkas ik naar de stad en bij 0-1 neem ik snel de trein naar Tilburg. Het is aan het Nederlands elftal.

vrijdag 1 juni 2012

Fietsen naar school




Ik heb een koptelefoon gekocht. Een beschaafde, maar toch: een koptelefoon. Ik zal hier niet beginnen over de voordelen van een koptelefoon, maar geloof ze, die zijn er. Eén van de nadelen, behalve dat de drager eruitziet als een middelbare scholier, is dat de koptelefoon zich geen raad weet met fietshelmen. En laat ik nu, direct na aanschaf, een stuk gaan fietsen. Valse start voor de koptelefoon, laatste kans voor de oordopjes.

Ik fiets met muziek van een hele tijd geleden een route van een hele tijd geleden. De route gaat via Oisterwijk naar Hilvarenbeek en van Hilvarenbeek weer terug naar Tilburg. Het laatste stuk is nostalgisch – nu al. Mijn middelbareschoolroute. Deze start bij de parkeerplaats van Abrahams Bouwmaterialen, waar we elke dag verzamelden. In de eerste klas om kwart over zeven, in de zesde om kwart over acht, of niet – ze bekijken het maar mooi. In de eerste met vier tassen, aan elkaar en de fiets gebonden met dikke spinnen waarmee normaal het IKEA-meubilair in busjes bij elkaar gehouden werd; in de zesde met een flodderige schoudertas met een paar boeken, of zonder – ze bekijken het maar mooi.

Bij Abrahams werd bepaald met wie je zou fietsen; een combinatie van geografische opstelling en tijd van vertrek. Bij een slechte loting kon je nog uit de brand geholpen worden door de delegatie uit Biest-Houtakker, die een eigen vertrek-/aanhaakplaats hadden honderd meter verderop. Had je echter meteen beet, dan was het zaak je partner goed in de gaten te houden door schouder aan schouder te fietsen en onafgebroken sterke verhalen te vertellen. Dat moest je vol zien te houden tot de eerste oversteekplaats. Daar werden eventuele burenruzies opgelost en kon de fietstocht echt beginnen. Een route die in de eerste ongeveer een half uur in beslag nam en in de zesde een tot drieënhalf uur (ze bekijken het maar mooi) duurde.

Ongeveer op de helft bevond zich, plompverloren, een café, of iets wat daarvoor moest doorgaan. Een kapotte schommel illustreerde de vervallen staat waarin het verkeerde. Er was nooit iemand te bekennen, binnen noch buiten op het terras, terwijl in de wijde omtrek geen andere cafés te bekennen waren. Onze eerste ervaringen met vege tekens; je dacht er niet aan een voet binnen te zetten, zelfs niet bij acute dorst, honger of geldingsdrang. Spookverhalen stapelden zich al gauw op en maakten het café tot een mysterieuze attractie en een bron aan inspiratie voor sterke verhalen die de volgende ochtend wellicht van pas zouden komen.

Even verderop lag de wijk Broekhoven. Waar het onheil zich bij het café nog verborgen hield, lag (hing) het in Broekhoven op straat. Wheelyende scooters, schreeuwende locals, drugsdealende kleerkasten, aan alles was gedacht. Bang gemaakt door verhalen over in elkaar geslagen scholieren reden we in de eerste nog wel eens een paar niet veel veiligere straten om, maar naarmate we steeds vaker schoolgenoten heelhuids op school zagen verschijnen, boden we Broekhoven vol aangezette trots het hoofd. En al zagen we dat het allemaal niet zoveel voorstelde, op school beweerden we het tegendeel en hielden zo een tweede mythe in stand.

Als ik Broekhoven uit ben, rijd ik door het centrum naar het huis van mijn ouders. Ik wacht bij een stoplicht, tegenover school. Ik kijk, wat langer dan normaal, naar het gebouw. Niets veranderd, aan de buitenkant. Als ik omkijk zie ik drie jongens op me afkomen. Ze lopen zwijgend langs me de school in. Ze zijn een jaar of veertien, schat ik. Ze dragen alledrie een koptelefoon. 

dinsdag 15 mei 2012

De schouwburggids




De schouwburggids valt op de mat. Sinds de telefoongids verleden tijd is en er nog geen iPads op deze manier bezorgd worden, kan het geluid niets anders betekenen. Ik loop onbeheerst naar de voordeur, pak de gids op en scheur hem uit zijn onterende folie. Op de voorkant staat een wild springende man met een viool in zijn hand en zijn tong uit zijn mond. Als je een 3D-bril op zou zetten zou die er direct driedimensionaal van afgetrapt worden - de toon is gezet. Het boekje ruikt lekker, naar oude speelgoedboekjes van de Intertoys of de Bart Smit. Herinneringen aan gure zondagmiddagen dringen zich op: lijstjes maken, kiezen tussen Legokastelen, een uitstapje naar de meisjesafdeling, meewarig grinniken om speelgoed waar ik (zogenaamd) overheen gegroeid was.

Ik sla de eerste bladzijde om. Een reclameboodschap met eromheen drie spontaan poserende recensenten en een voorwoord van de nieuwe directeur verschijnen in beeld. Ik heb een zwak voor duimopstekende deskundigen, maar ik ben gek op voorwoorden, dus mijn aandacht schiet meteen die kant op. Verplichte bedankjes, open deuren, hemeltergende metaforen, hypocriete succeswensen; een mengsel van dat alles in een amicaal en lichtvoetig geschreven stukje tekst – voor wie erin trapt. Heerlijk. Hopelijk koop ik ooit nog een boek met de tweehonderd allerbeste voorwoorden. Ik zou ze alle tweehonderd in mijn huis ophangen. En daarover schrijven, in het voorwoord.

De directeur van dienst heeft geblondeerde haren en de armen over elkaar. In de eerste alinea heeft hij het over spannende tijden. In deze spannende tijden stormt het, dus we worden uitgenodigd te komen schuilen onder het dak van de schouwburg – ja, ja, ja! In de tweede alinea gaat het over jezelf verwonderen, verbazen, je laten verrassen, over de magie van theater. Dit deel riekt naar plagiaat, maar wellicht maken dergelijke ijle termen deel uit van het schouwburggidsprotocol en gaat de directeur vrijuit. Het voorwoord wordt afgesloten met regelrechte campagnetaal. ‘Ga met ons de uitdaging aan’ is de uitsmijter. Ik vraag me af hoe ik dat moet doen, met de schouwburg de uitdaging aangaan. Misschien dat ik het binnenkort maar ’s moet proberen: ‘Hallo, meneer de directeur? Ik kom met u de uitdaging aangaan. Schikt het?’

Ik blader verder naar de beschrijvingen van de voorstellingen die in het volgende seizoen op het programma staan. Ook bij het lezen hiervan struikel ik over de clichés, de geforceerde knipogen en de hijgerige complimenten. Het woord ‘geniet’ komt zo vaak voor dat op een gegeven moment alle andere woorden er ook op gaan lijken. Het hele boekje is één groot genot geworden en ik realiseer me ineens dat de tweehonderd beste voorwoorden al uitgegeven worden. Jaarlijks, in de schouwburggids. Geen wonder dat ik hem nu al voor de derde keer aan het lezen ben.

dinsdag 1 mei 2012

(On)gedwongen

Een normale dag. ’s Ochtends naar de supermarkt voor brood en sap. En pindakaas. Aan de kassa wordt me gevraagd of ik een bonuskaart heb. Mijn antwoord is een hoopvol en geoefend ‘Nee, niet bij me.’ Of ik de bonuskaart van de caissière wil gebruiken. Graag. Helaas krijg ik geen exemplaar overhandigd, dat ik direct teruggeef aan het meisje achter de kassa. Het zou de waanzin compleet maken. Nu heb ik het vermoeden dat een aantal mensen, de caissière incluis, een soort dit-gaat-me-boven-de-pet-logica achter de hele transactie zoekt. In plaats van toe te geven dat de bonuskaart niets voorstelt; ieder pratend persoon krijgt de korting.

Met mijn ontbijt in een plastic tas fiets ik naar het station. Met enige moeite wring ik mijn fiets tussen duizenden andere. Drie sloten zorgen ervoor dat iedereen met ribben mijn fiets uit zijn hoofd kan zetten. Ook zorgen ze ervoor dat mijn tas voor ongeveer een derde uit sleutels bestaat. Uit diezelfde tas haal ik, terwijl ik de trap oploop, mijn OV-chipkaart. Ik wil inchecken, maar hoor drie keer een piep, kort achter elkaar. Te lang voor de lezer gehouden. De consequentie: een tijdstraf van tien minuten. Ik vind het nogal wat en bel alvast naar school:  het eerste uur wordt een moeilijk verhaal. De reden is dat dan al.

Na een uitgelopen afspraak check ik weer in, op het perron. In één keer raak, ditmaal. In de trein wordt mijn (OV-)kaartje gecontroleerd. Het duurt even, want eerst moet bepaald worden of het middag of avond is: ‘Goede… eh… tja, wat is het, eh… vijf over zes… avond alweer.’ Er volgt ongemakkelijk gelach; mijn wenkbrauwen zetten koers richting haargrens. Ik geef mijn OV-kaart en steek mijn arm uit om hem weer aan te nemen, maar de conducteur is iets op het spoor gekomen. ‘Mmmmeneer, u heeft niet ingecheckt.’ ‘Jawel. Hij piepte, op een rustige manier, en maar één keer.’ Ik heb geen bewijs, dus ik waag me nogmaals en met meer precisie aan het geluid dat de lezer maakte: ‘Piep.’ En nog een keer: ‘Piep.’ ‘Dat zijn twee piepen, meneer.’

Uit eten, niet veel later. Hetzelfde probleem met goedenavond; kan het al? De ober vraagt of we wat komen eten of komen drinken. Jazeker... Oké, wat eten. Of we een voorgerecht gaan bestellen. En of we alvast een mandje brood met kruidenboter willen. En de wijnkaart, en de menukaart, en de kaart met de dagmenu’s. Vervolgens horen we een aantal keer dat we rustig aan moeten doen met het maken van een keuze. De keuze valt op het tapasmenu. Tweemaal, want het zijn porties voor twee personen: eerst een gang met koude tapas, daarna met warme.

De laatste Spanjaard was hier bezweken. Hij had kreunend en kruipend van ellende de uitgang opgezocht en was met zijn vrienden, die eerder op de dag al het loodje legden, teruggehold naar Spanje. Zonder in te checken.

maandag 23 april 2012

Geen School


“Dames en heren, van harte welkom bij Debat op 2. Mijn naam is Arie Boomsma en ik heb een lange nek die ik graag uitsteek. Deze week doe ik dat voor een project op een middelbare school in Utrecht. Met dit project, Geen School genaamd, wordt ingespeeld op de interesses en wensen van de leerlingen. In plaats van het verwerken van de gebruikelijke lesstof, krijgen de betrokken leerlingen een week lang de kans om hun eigen programma samen te stellen. Hierbij reiken de mogelijkheden tot workshops van bekende muzikanten of vergaderingen met politici. Leerlingen merken dat ze invloed en zeggenschap hebben, worden zich bewust van hun eigen talenten en leren deze optimaal te benutten.”

 “Eerste reacties…”

“Ja, hartstikke leuk natuurlijk, zo’n feestweek voor de leerlingen, maar wanneer wordt de achterstand ingehaald? Ze zullen uiteindelijk toch allemaal hun examens moeten halen, of niet?”

“Meneer Louwman, u wilt hierop reageren, zie ik.”

“Ja, heel graag. Ten eerste is het geen feestweek. Dat leerlingen het naar hun zin hebben wil niet zeggen dat er niets geleerd wordt; dat is een misvatting die in deze tijd wild om zich heen slaat. Leerlingen zijn de hele week actief in de weer met de verwezenlijking van ambitieuze leerdoelen die ze zichzelf gesteld hebben.
Daarnaast is het vasthouden aan examens een excuus om vast te houden aan het huidige dominante onderwijssysteem. Het is een cirkelredenering, wanneer je stelt dat aan het huidige onderwijssysteem niet getornd mag worden, omdat anders de examens, die daar onderdeel van uitmaken, niet gehaald kunnen worden. Zo krijgt het huidige systeem een soort onschendbaarheid waarop ze absoluut geen recht heeft.”

“Maar het huidige systeem heeft zich toch bewezen? Ik moet er niet aan denken dat het veranderd wordt, de leerlingen zijn al zo moeilijk in de hand te houden in deze tijd.”

“Ik weet niet of het huidige systeem zich bewezen heeft, op een aantal vlakken misschien. Ik vind in ieder geval dat het een aantal cruciale aspecten van de ontwikkeling van jongeren over het hoofd ziet. Denk aan de creatieve ontwikkeling, aan het buiten bestaande kaders denken, waar jonge mensen juist zo goed in zijn. Dit blijft in het onderwijs vaak onderbelicht. Terwijl dergelijke kwaliteiten leerlingen in staat stellen hun eigen voorkeuren en talenten te ontdekken. In de huidige onderwijspraktijk is het vaak de bedoeling om klasgenoten of docenten zo goed mogelijk na te doen. Dit leidt tot uniformiteit in keuzes die juist op eigen inzichten gebaseerd zouden moeten zijn.
Dat leerlingen in deze tijd moeilijk in de hand te houden zijn, betwijfel ik helemaal. Als ik me baseer op mijn eigen ervaringen, geldt dit hooguit voor een enkele leerling. De lastige leerling is pas in de meerderheid als je als docent a priori uitgaat van gedragsproblemen in de klas. De leerlingen merken dit en komen in opstand, en gelijk hebben ze; ze willen serieus genomen worden. Hun houding heeft dus, mijns inziens, bijna altijd een oorsprong of oorzaak waar de docent invloed op uitoefent. Aan de docent is het daarom de taak zoveel mogelijk leerlingen zo goed mogelijk te bereiken.”

“Een oplossing als deze is geen haalbare kaart. Voor een meer leerlinggerichte aanpak is in deze tijd van bezuinigen geen geld en ruimte.”

“Misschien toch wel. Nu het kabinet gevallen is veranderen de vooruitzichten. De kans is groot dat een nieuwe regering een andere verdeling maakt als het gaat om door te voeren bezuinigingen. Het onderwijs kan daarvan profiteren. Hopelijk krijgt Geen School de aandacht die het in mijn ogen verdient en zet het onderwijs spoedig de eerste resolute stappen in de richting van de leerling.”

maandag 9 april 2012

Lezen en lachen

Voor mijn neus ligt een artikel. Of wat daarvan over is: een wirwar van zwaar beschadigde a4-tjes. Het pak telt een stuk of veertig pagina’s. Dit weet ik, omdat ik als een doorgewinterde examenkandidaat het aantal pagina’s van het leeswerk heb ingeschat. En dit artikel zit rond de veertig; een niemendalletje, nauwelijks serieus te nemen. En nog in het Nederlands ook. Rutte zou direct mijn studiefinanciering omzetten in een boete als hij hierover hoorde.

Gelukkig staan er wel genoeg wetenschappelijke termen in het artikel, evenals definities, stellingen, terzijdes en kanttekeningen bij eerder onderzoek. Genoeg in ieder geval om na een paar zwaar beladen zinnen de weg helemaal kwijt te raken. Zo lees ik met de beste bedoelingen tot drie keer toe een relativerende bijzin over enerzijds en anderzijds, behorend bij een al vrij genuanceerde hoofdzin. Uit alle macht probeer ik de beweringen met elkaar in verband te brengen. Het lukt me niet en ik weet ineens hoe het komt: er staat niets grappigs in. Nergens.

Ik ben blij dat ik mijn eigen aandeel in deze worsteling buitenspel heb weten te zetten en fantaseer over een wereld waarin Theo Maassen en de universiteit net zo onafscheidelijk zijn als Ad Visser en de meiden van Echte meisjes op zoek naar zichzelf. Dat zou toch geweldig zijn. Natuurlijk leidt het tot meer leeswerk – kernachtige verslagen zullen tot het verleden horen – maar ik zou het er wel voor over hebben. ‘In dit onderzoeksartikel, dat we trouwens met onze tenen getypt hebben, bouwen we voort op het drieledige onderzoek naar de beïnvloeding van taalstoornissen in het taalverwervingsproces.’ Ik zou het in een ruk lezen en op zoek gaan naar meer informatie: welke tenen?

Ook andere persoonlijke informatie, bijvoorbeeld over smaak of buitenechtelijke escapades, kan leiden tot humoristische passages. Zolang de informatie maar niets bijdraagt aan de wetenschappelijke waarde van het artikel. ‘Deze filosofie kenmerkt zich door de prominente rol die dit dogma erin speelt. Will Smith slaat wat dat betreft de spijker op zijn kop, als hij in Getting jiggy with it aangeeft dat men de groove (zijn/haar intuïtie) moet volgen. Er zijn wel uitzonderingen. Ik spreek uit ervaring; heeft overigens wel tot een significante score geleid.’

Ik denk niet dat ik het nog mee ga maken, maar mocht er ooit een humoristische wind door de wetenschap gaan waaien, dan raap ik alle blaadjes op, want dan wil ik geen zin meer hoeven missen.

zaterdag 31 maart 2012

Autorijden



Ik lees een boek over Columbine. Ik heb het boek gewonnen, doordat ik de uitgeverij van het boek heb geliked op Facebook. Normaal staan daar straffen op, ditmaal werd ik ervoor beloond. Sindsdien like ik me drie slagen in de rondte. Ik like Mark Rutte in de hoop dat hij zetels weggeeft, ik like Acda en de Munnik in de hoop op materiaal bij Thomas in de schuur en ik like bangalijsten om erop te komen. Tot nu toe moet ik het doen met het boek.

In het boek rijdt de halve high school in een auto. Een paar achterblijvers worden nog in de bakfiets naar school gebracht, broodtrommeltje onder de arm, maar de rest scheurt volleerd en met piepende banden het parkeerterrein op. Hun rijbewijs doet dienst als schoolpas. Ik zie ouders voor me, gedesillusioneerd graaiend naar hun fietssleutels – of zouden de auto’s van de leerlingen zelf zijn? Nee toch? Of wel? Het zijn er wel veel, lees ik. Te veel misschien om in één ochtend uit alle garages te ontvoeren.

Het lijkt me een raar idee, autorijden op je zestiende, of het nou je eigen auto is of niet. Toen ik zestien was fietste ik naar school en had ik al de grootste moeite om heelhuids aan te komen; een auto was een belachelijk idee geweest. Ik weet nog dat ik een keer met mijn linkerhand in mijn rechterrem kneep, zomaar eigenlijk. Dat idee was geëindigd in een ravage waarbij de spaken en spatborden ons om de oren vlogen. Op de autoweg had datzelfde idee geleid tot afgebroken deuren in plaats van spaken, en een rijbewijs met een hele dikke streep erdoor.

Gelukkig was ik net een paar maanden achttien toen ik mijn rijbewijs haalde. Op de fiets remde ik allang niet meer, dus ook niet met mijn verkeerde hand, en over mijn schouder kijken deed ik consequent omdat ik gewend was spullen te laten vallen. Ik was er klaar voor. Het ritje naar de Albert Heijn en weer terug ging goed, omdat er niemand op een bloedhete zondag naar een gesloten supermarkt op weg was en ik vlakbij woonde. Ook op de snelweg voelde ik me thuis: ik was de enige bestuurder die niet naar het strand reed en had alle ruimte om alles een beetje uit te proberen. Ik kwam er bijvoorbeeld achter dat de cruise control niet werkte omdat ik een half uur daarvoor per ongeluk de richtingaanwijzer had aangezet. Naar rechts, naar de vluchtstrook, was de boodschap van de auto aan mij.

Een jaar later ben ik op weg naar Utrecht, voor het eerst. In het centrum wring ik de auto van mijn moeder tussen een paar slingerende fietsers die zichzelf lukraak over de straat verspreid hebben en kom ik tot stilstand bij het afgesproken kruispunt waar de hel lijkt losgebarsten. Ik probeer de auto op een stoeprand te tillen, maar de stoeprand is te hoog en de auto stuitert terug. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik heb geleerd zo ver mogelijk vooruit te kijken, maar mijn zicht wordt geblokkeerd door razende fietsers en toeterende auto’s. Ik besluit om over te steken en, als ik het overleef, toch maar naar de auto te luisteren. Fietsen is zo gek nog niet.

maandag 26 maart 2012

Gewoon

Ik heb gewoon niet zoveel met Paulien Cornelisse, maar ik deel haar belangstelling voor modieus taalgebruik wel gewoon. Ik zeg belangstelling en niet passie, ik wil niet vooruitlopen op een volgend stukje uit mijn Paulien-reeks, dat zou niet leuk zijn. Ik zeg leuk en niet chill, ik wil niet vooruitlopen op een volgend stukje uit mijn Paulien-reeks, dat zou niet leuk zijn. Ik weet niet of Paulien gewoon al aan de tand heeft gevoeld, maar anders wil ik graag een poging wagen. Voor de oplettende lezer en Paulien: anders is hier totaal overbodig, ik ben immers al begonnen.

Gewoon is volgens mij een van de meest gebruikte woorden van dit moment. Met gewoon geef je aan dat het allemaal niet zoveel voorstelt, wat je zegt. Gewoon voorkomt dat je je kwetsbaar opstelt in situaties waarin dat ongewenst is: in alle. Gewoon is veilig en zeurt niet. ‘Ik ben gewoon een beetje aan het rennen’, zeg je bijvoorbeeld tegen iemand die je tegenkomt als je traint voor de halve marathon die je koste wat het kost wil lopen. Stel dat je hem niet haalt, dan was je gewoon maar een beetje aan het rennen. Gewoon werkt uiterst effectief tegen gezichtsverlies.

Je kunt gewoon ook gebruiken als er statements gemaakt moeten worden, op verjaardagen bijvoorbeeld. Oppervlakkige statements om een ander een beetje mee uit de tent te lokken. Let wel: een beetje, het moet wel gezellig blijven. Tijdens een praatje over je nieuwe bril ineens zeggen: ‘Ik vind het gewoon niet kunnen dat de Albert Heijn op zondag al om zes uur sluit’, dat is gewoon in topvorm. In deze zin zorgt gewoon niet alleen voor extra overtuigingskracht, maar ook voor de verantwoording om op dit vreemde moment over de Albert Heijn te beginnen. ‘Dat bedacht ik me gewoon’, zou je in geval van nood nog kunnen zeggen.

Ik weet niet of het eerste stukje uit Taal is ook gewoon echt míjn ding hiermee is geschreven. Wat me tegenhoudt is het feit dat ik mezelf in de afgelopen twee minuten, pratend met een huisgenoot, betrapte op een stuk of zeven gewoons. En, sterker nog: ik was er trots op, het voelde goed. Misschien is taal dan toch meer Pauliens ding.