zondag 25 november 2012

De eerste en laatste versierpoging


Op het hockeytoernooi gebeurde niet zoveel. We lagen overdag in het met bier gevoede gras en keken meisjes na, elkaar afbluffend met beloftes die de realiteit links en rechts inhaalden. Gehockeyd werd er niet en je twijfelde er niet over te bekennen dat je dat best wel jammer vond (integendeel, een gejatte hockeystick betekende een alibi als jouw team ergens op een scoreformulier stond). We spaarden onze krachten voor de moeite die we die avond deden om meisjes te ‘scoren’, iets waar ik me vanaf de dag na het hockeytoernooi hevig tegen zou gaan verzetten.

Ik pakte in de muffe tweepersoonstent een oranje t-shirt met een reusachtige witte print en deed mijn haar in een kuif; ik was klaar voor het feest. In de tot disco omgedoopte kantine stonden de populaire jongens van de organisatie luidruchtig te grijnzen achter de bar en de gammele draaitafel. Om hen heen stonden groepjes van elf: hockeyteams. Er werd aangevallen noch verdedigd. Fanatiek sloegen we onze eerste plastieken biertjes achterover. We wachtten tot één van ons zei: ‘We gaan ervoor’ en gingen ervoor. We liepen in een rij de dansvloer op en probeerden op een onopvallende manier op te vallen.

‘Je moet gewoon achter een meisje gaan staan en je handen om haar middel leggen,’ zei een teamgenoot, de linksback. Ik vond het een beetje klinken als de manier waarop je een giftige slang zonder gebeten te worden in een rieten mand stopt, of als een onbegrijpelijk trucje dat de hockeytraining net niet gehaald had. Was dit echt de manier? De keeper en midmid toonden bij wijze van antwoord dat dit de manier was. Ik keek vol verbazing hoe de meisjes de handen onverstoord toelieten, zonder te weten van wie ze waren. Binnen de kortste keren draaiden ze zich om – The Voice avant la lettre – en werd er naar hartenlust gezoend.

Dat moet ik ook kunnen, dacht ik, maar tegelijkertijd voelde ik, met de vele biertjes, weerzin omhoog komen. Het druiste tegen één van mijn destijds weinige principes in om me zo fysiek aan een meisje op te dringen, zonder me eerst netjes voor te stellen. Maar het was altijd nog beter dan moederziel alleen staan te kijken hoe de rest van mijn team daar totaal geen moeite mee had. Ik zette mijn laatste biertje van de avond weg en ging met knikkende knieën achter een meisje staan dat twee koppen groter was. Ik stootte met mijn schouder tegen haar rug, verexcuseerde me. Toen ze zich omdraaide, zei ik: ‘Hoi, ik ben Mike’ en legde mijn handen om haar middel.

Een koude rilling liep over mijn rug, ik durfde niet te denken over de seconden die zouden volgen en keek in pure paniek naar haar imposante pumps en mijn afgetrapte gympen. Op dat moment wist ik eigenlijk al genoeg. Toen ik tergend langzaam en vol berouw mijn loodzware hoofd optilde, keek het meisje vanuit haar hoogte op me neer met een blik die vernietigender was dan het erop volgend hoongelach van mijn teamgenoten. Ze duwde me met veel misbaar van zich af. Daar stond ik, afgegaan in een discipline die ik met veel vertwijfeling was gaan beoefenen.

Ik vraag me nog steeds af of die vertwijfeling, die inmiddels uitgegroeid is tot een onwrikbare weigering, het begin of het resultaat was van die beruchte avond. Zeker is dat het boek der versierpogingen na het eerste hoofdstuk weer dicht ging, om nooit meer geopend te worden.

donderdag 22 november 2012

Studeren


Toen ik klein was zag ik een keer een groep mannen en vrouwen in pak voorbijlopen. Dat was een imposant gezicht. Het ging om een groep studenten, zei mijn moeder. Ik had nog nooit gehoord van studenten en beeldde me in dat het een soort filmsterren waren, die zich verenigden door in dezelfde kleren door dezelfde stad te lopen, op een manier die iedereen opviel. Later werd me verteld dat studenten ergens voor doorleerden en dat ze dat deden op een universiteit, waar ze zich specialiseerden in iets waarin ze geïnteresseerd en vaak al bij voorbaat al goed in waren. Ik vond dat reuze bijzonder en had direct enorm veel ontzag voor studenten. Ik droomde ervan ooit zelf een student te zijn, op een echte universiteit.

Lokaal D is een lokaal helemaal achterin de gang van een reusachtig gebouw dat op mijn smartphone anders genoemd werd dan door het bord voor de ingang. Om kwart over drie zou het college moeten starten, het college dat een uur en drie kwartier duurt, met een kwartier pauze, of een half uur, afhankelijk van de rij voor de koffieautomaat. De docent is te laat. Hij rommelt wat met zijn sleutels; verkeerde sleutels. Bij binnenkomst wacht hij keurig op de studenten die nog later zijn dan hij. Om half vier neemt hij de aanwezigheid door. Om vier uur nog steeds, als blijkt dat ‘jezelf voorstellen’ door de vijftig aanwezige studenten opgevat is als ‘jezelf aanstellen’. De docent laat het begaan tot kwart over vier. Dan is het pauze.

Na de pauze neemt hij de belangrijkste thema’s van de cursus door. Na elk behandelde onderdeel vraagt hij of er nog vragen zijn. Die zijn er in overvloed. De docent gaat overal geduldig op in, ook als de relevantie in het geding is. Eén van de antwoorden mondt uit in een discussie over ervaringen met tweetaligheid. Een meisje vertelt dat ze zowel Limburgs als Nederlands sprak toen ze klein was. Ik moet een beetje lachen. Dat bevalt haar niet. Ze daagt me uit: “Kun jij Limburgs verstaan, dan?” Ik bedenk me dat ik de 1800 euro collegegeld nog over moet maken en dat er waarschijnlijk geen ‘niet-goed-geld-teruggarantie’ op zit.

Haar geschiedenis nodigt andere studenten uit vergelijkbare ervaringen te delen. De anekdotes reiken tot onverstaanbare buurmannen en brugklassers die Berber spreken, maar met een Zuid-Hollandse twist. Nu stelt de docent vragen: “Waar hoor je dat dan aan?” Er volgt een reeks sterk aangezette klanken en gelach stijgt op uit de klas. Ook de docent lacht. Terwijl hij op zijn horloge kijkt, slaat hij de kern van de theorie over: “Ik zet de powerpoint op blackboard”, verontschuldigt hij zich. Het college zit erop. Ik druip af en neem me voor de volgende keer alles te vertellen over mijn blog. Een beetje extra publiciteit is nooit weg. Ik maak er wel iets tweetaligs van; misschien kan de docent me helpen.

vrijdag 16 november 2012

Tennistrauma's

Afgelopen woensdag besloten mijn huisgenoot Raoul en ik te gaan tennissen. Het was te mooi weer om te gaan squashen en te koud voor het strand. Vroeger tenniste ik elke week een paar keer, nu zijn de tennispotjes net zo zeldzaam als de retourtjes Domburg en vormen ze aanleiding voor een stukje.

De baan naast het clubhuis was een uur lang voor ons. De vrouw die het tientje in ontvangst nam keek ons wantrouwend aan; waarschijnlijk werd er niet vaak vrijwillig betaald. We betraden de baan, het kunstlicht ging aan en het ballenblik open. Binnen een paar seconden had Raoul zijn trainingsbroek uitgedaan en stond hij de eerste ballen op te wachten. Op de baseline! Ik deed snel wat water in mijn haar en probeerde zo onaangedaan mogelijk naar achteren te lopen. Meestal rommel ik het eerste halfuur wat aan op het miniveld, ondertussen pratend met de terreinknecht en lachend over de eerste de beste bal: een mislukte dropshot die het net niet eens haalt. Nu was de eerste bal een kanonskogel langs de lijn. Vijf minuten later begonnen we met inserveren.

Bij 0-40 in de eerste game heb ik zeven services achter elkaar in het net geslagen. Ik heb het koud en zie niets, ondanks of dankzij het kunstlicht. Mijn arm voelt zwaar en de bal die ik uitgekozen heb om over het net te slaan laat bij het stuiteren al merken dat ik niet op zijn assistentie hoef te rekenen. Ik ben bang voor een vierde dubbele fout op rij, voor het verliezen van de game, voor gezichtsverlies en de dagelijkse confrontatie met Raoul en andere, op de hoogte gebrachte huisgenoten. Ik denk aan een tenniswedstrijd, een jaar of zeven geleden, waarin me hetzelfde gevoel bekroop, na hetzelfde aantal gemiste services.

Ik tenniste wel eens met Pieter, een vriend. Dat was gezellig maar lang niet altijd leuk. Pieter en ik konden ongeveer even goed tennissen, met dat verschil dat Pieter altijd met 6-1 6-2 van me won. En toch wilde hij met me dubbelen, tijdens het toernooi in Goirle. Ik wilde zijn vertrouwen niet beschamen en oefende de week voor het toernooi dagelijks tegen de muur. De wedstrijd in de eerste ronde was er meteen een tegen bekenden: twee beruchte feestneuzen uit Hilvarenbeek. Te doen. De eerste servicegame eindigde zonder dat iemand anders dan ik een bal geraakt had: vier dubbele fouten op een rij en het plotselinge en definitieve einde van Pieters vertrouwen in mijn kunnen.

Na lang gestuiter sla ik eindelijk mijn achtste service: een hele voorzichtige, hoge bal, maar het is zonder meer een service en hij is zonder meer in. Opgelucht sla ik de eerstvolgende bal in het net.

Een minuut of tien later staat het 5-1 voor mij. Ik sla weinig dubbele fouten en één mooie winner die alle andere niet afgedwongen punten rechtvaardigt. Dan slaat Raoul een winner, en nog één, en nog één, en van schrik sla ik de ene na de andere bal in het net: 5-5. Met het zweet in mijn handen denk ik terug aan de clubkampioenschappen van een jaar of tien geleden.

Ik deed mee in de categorie tot en met zestien jaar en speelde in de kwartfinale op baan 12 tegen Maurits Naaykens, een vriend – o jee. De eerste set eindigde in 6-1 voor mij. In de tweede set had ik bij 5-0 de zege binnen handbereik. Maar het ging mis. Terwijl ik al ballen raapte voor het volgende punt, sloeg Maurits een in mijn beleving onhaalbare bal terug. De vernedering was compleet toen ik na een dubbele fout mijn racket de lucht in gooide en nooit opving omdat hij in een boom bleef hangen. Ik stond toen nog voor, met 6-1 en 5-3, maar ik wist dat Maurits ging winnen. Ook een reserveracket zou geen uitkomst bieden.

Het wordt een tiebreak, het wordt 6-6 in de tiebreak, het wordt 8-6 voor Raoul. Ik onderdruk de neiging om met racket en al in een boom te klimmen. Voor de tweede keer loop ik als morele winnaar naar de bank: eindelijk afgerekend met mijn besmette tennisverleden.

zaterdag 27 oktober 2012

Klikken


‘Ik zag Rens een hele harde schop geven aan Jeroen, juf. Onder de tafel. Ik zag het echt. En Jeroen deed niks.’ Trillend van de spanning en trots wacht ik op het compliment dat volgens mijn logica aanstaande is. ‘Kom je nu klikken, Mike? Heb ik dat goed? Is dat wat je komt doen? Onbeschaamd klikken? Zonder dat je er zelf iets aan hebt, iemand anders in de moeilijkheden brengen? Dat is waarom je naar me toe bent gekomen? Ga jij de fruittafel maar eens schoonmaken, klikspaan.’

Over klikken werd op de basisschool schande gesproken, zowel door klasgenootjes als door de juf. Je kon nog beter iemand zijn bril afpakken, deze in de Yogo Yogo dippen en hem daarna in de zandbak gooien – om maar iets te noemen – dan klikken. Je kon beter vanaf je romp ingepakt worden in papier-maché dan uitgemaakt worden voor klikspaan.

Tegenwoordig is klikken de normaalste zaak van de wereld. Op straat, in de sauna, tijdens het uitgaan, op de Zwarte Cross, klikken kan overal en is gemakkelijker dan ooit tevoren. Het enige wat je ervoor nodig hebt is een maatje, iemand waarmee je klikt.

‘Ja, ik weet niet wat dat is, we klikken gewoon heel erg goed samen.’

Op allerlei niveaus kan er geklikt worden. Het kan zijn dat je met iemand klikt of een klik hebt, wat betekent dat je iemand verdraagt en dat die iemand jou doodvermoeiend vindt. Interessant wordt het als je met iemand een goede klik hebt: dat je om die iemand moet grinniken, dat je twee gezamenlijke interesses hebt met iemand en dat je allebei een verleden hebt in Haarlem. Een superklik heb je met iemand waarmee je iets van plan bent, een megaklik met iemand waarmee het plan dezelfde avond nog uitgevoerd moet worden.

Maar, en hier wordt het verwarrend, je kunt met een beetje pech ook een niet zo’n goede of zelfs slechte klik hebben met iemand. Je hebt tevergeefs je best gedaan om met iemand door één deur te kunnen en nu wensen jullie elkaar allerlei narigheden toe – dat maak ik ervan. Maar de klik is er. Hij kan alleen beter, bijvoorbeeld als de ander zou stoppen met jouw vriendin ondubbelzinnige sms’jes te sturen en jij daarop niet zou reageren door kaassoufflés in zijn brievenbus te proppen. Maar de klik is er.

Als de klik er eenmaal niet meer is, moet je je serieuze zorgen gaan maken. Grote kans dat, in dit stadium, de sms’jes gevolg hebben gekregen en dat je een nieuwe deurmat moet kopen.

zaterdag 13 oktober 2012

Het Symposium


Dinsdagmiddag: college. Ik heb zes euro meegenomen, zodat ik donderdag mee mag naar het symposium. Deelname is verplicht. Het begrip symposium klinkt mij even hoogdravend als nietszeggend in de oren. Ik heb geen idee wat te verwachten. Het is in een zaal in het Weltgebouw, op de Uithof. Ik kom nooit op de Uithof.

Ik print voor de zekerheid de route en ga een uur van tevoren de deur uit.

Aangekomen bij het Weltgebouw wordt me verteld dat ik me aan kan melden bij een tafeltje waar twee meisjes met een flesje Spa Blauw pennen en programmaboekjes uitdelen. Ik geef mijn naam op. Mijn naam staat op de lijst. Ik krijg een pen en een programmaboekje.

De zaal is hoog en heeft geen ramen. Ongeveer honderd aangemelden hebben zich zorgvuldig over het meer dan dubbele aantal stoelen verspreid. Ik vind een plekje naast een norse man met een laptop en een stukgelezen Freedom van Jonathan Franzen. Even later schuiven drie studiegenoten aan. Zij hebben ook een pen en een programmaboekje.

De meeste deelnemers dragen een badge met hun naam erop. De badges van de organisatie zijn geel, zodat te zien is wie het symposium organiseren. Wij hebben geen badges gekregen, waarom is niet helemaal duidelijk.

De Nederlandse sprekers zijn allemaal ‘leading’ in een bepaald onderzoeksgebied en bewijzen dat door in het Engels over hun meest recente onderzoek te vertellen. De ehh’s en bijbehorende rode vlekken maken duidelijk dat het voor de sprekers een spannende dag is. Voor het Nederlandse publiek is het vooral een inspannende dag. Om de kortademige verhalen over ‘predetermined PD content’ niet in het rijk der vergetelheid terecht te laten komen, maken veel mensen foto’s van de geprojecteerde sheets. Dan lopen er ineens twee laatkomers voor de projector. Er worden nog wat foto’s gemaakt, maar die zijn mislukt.

Voor me zit een vrouw met een vraag. Ze twijfelt. Ze steekt voorzichtig haar hand op en stopt die dan weer weg, zoals ze in een overvol restaurant de ober zou wenken. Dan steekt iemand anders gedecideerd zijn vinger op. Het is een man van over de vijftig; zijn wijsvinger prijkt in de benauwde lucht. De vrouw zucht en laat haar schouders hangen. De man vraagt zijn vraag en de spreker beantwoordt deze lachend net niet helemaal.

In de pauze is er koffie en zijn er krakelingen, en voor de betere speurder zoute stengels in plastic bakjes. Men netwerkt en kauwt op de krakelingen waarvan de verpakking te vroeg van het plastic folie ontdaan is. Er staat een rij voor de wc.

Daarna wordt er door de sprekers doorlopend gerefereerd aan het einde van de bijeenkomst. ‘After this, there will be only one slide left’, stelt een vrouw met een onderzoek over veel aspecten van iets het publiek gerust. ‘That was it’, besluit ze haar presentatie. Tijdens de discussie, gevuld met anekdotes van mensen uit het publiek – ’In my school period …’ – kijk ik geïnspireerd naar de houten stoelleuningen. Vrijwel alle rugleuningen bevatten tekeningen en teksten. Op die van mijn benedenbuurman staat een tekening van Spongebob met één been en een ooglapje en de mij niet onbekende tekenfilmslogan: ‘Ducktales, woohoo!’

De bijeenkomst is afgelopen. De betrokkenen bedanken elkaar en geven elkaar cadeautjes. Het publiek sluipt de zaal uit. Ik blijf nog even zitten. Voor ik het weet zit ik in een lege zaal. Ik kijk naar een andere rugleuning. ‘Hannah Montana, the world is yours’, staat er. 

zaterdag 6 oktober 2012

De mishandeling van Mumford and sons

Gisteren, De Wereld Draait Doorrr: Jan Dulles en één van de twee andere J’s gaan een band in de schijnwerpers zetten, door een bewerking van een nummer van deze band te spelen. Ik houd me vast aan de leuning van de bank; dit kon wel eens pijn gaan doen. BZN in een nieuw jasje, Frans Duits in het Engels, Saskia en Serge met een beat, ik ben op alles voorbereid. Matthijs van Nieuwkerk wrijft in zijn handen alsof het Tweede Kerstdag is en kijkt opgewonden maar ook enigszins angstig naar de Volendamse enclave. Dan doet de linker-J ineens zijn puppyogen dicht en zijn havenmond open. Er klinkt een aantal schrille, hoge tonen en een zin waar je de Pabo niet mee binnen zou komen. De rechter-J heeft maling aan de Pabo en ramt als door een paling gebeten op zijn gitaar.

Anderhalve minuut later is het leed geleden. J en J grijnzen. Ze weten het: ze hebben zojuist Mumford and Sons muzikaal aangerand en ze gaan ermee wegkomen ook. Ze stappen zo gierend van het lachen in de auto, eten de MC-Drive leeg en rijden om de beurt bellend met en pochend tegen Kees Tol terug naar Volendam. Geen spookrijder, geen ontvoering van Nick of Simon, geen drooglegging, niets. Geen gevaar, want Halina Reijn geeft op de voor haar typerende, triomfantelijke toon te kennen nog nooit van de band te hebben gehoord en Matthijs moet grinniken om ‘het kunstje’ van de Mumfords dat door de Keizer-Schilderformatie zo haarfijn wordt blootgelegd. Ik voel me als door een school palingen gebeten. Een kunstje! Ik zie vol afschuw hoe Jan Dulles tijdens ‘The Cave’ op de vloer stampt alsof hij een gorilla is en de opvoering van het nummer een soort paringsritueel betreft. Een kunstje!

De Nieuwe CD Van Mumford And Sons Is Magistraal. De nummers zijn zo mooi en wel degelijk origineel. Oké, origineel in hun soort, maar dat vind ik eigenlijk nog knapper en zeker niet minder de moeite van het luisteren waard. Daarbij dragen alle liedjes een soort urgentie in zich; elk nummer voegt iets toe. Dat komt voornamelijk door de doorleefde stem van Marcus Mumford, maar ook door de teksten en door de opbouw van de nummers: het opzwepende ritme waar je je helemaal in kan verliezen. Het is dus een kunst om deze CD als een kunstje af te doen. 

Ik heb een paar jaar geleden in een rokershok in Utrecht nog venijnig beweerd dat op cultureel gebied alles ertoe doet zolang er mensen plezier aan beleven: over smaak valt niet te twisten. Mumford and Sons brengen deze overtuiging aan het wankelen. Hier mag eigenlijk niet over getwist worden. Toch gebeurt het, door Matthijs van Nieuwkerk en even later door Jan Dulles, die na de gevoelloze daad een slok neemt en met een minzaam lachje voorspelt dat de volgende CD van Mumford and Sons vernieuwender zal zijn. Jan Dulles! Zegt! Dat! Dat is alsof een visboer op de markt luid schreeuwend klaagt over de geluidsoverlast. Daarbij aangetekend dat het op de markt muisstil is. Dit slaat alles, dit kan ik niet over mijn kant laten gaan. Vandaar en aldus.

zaterdag 22 september 2012

Wim T. en Paul H.



Wim T. Schippers loopt verheugd door het vernieuwde Stedelijk Museum. Om hem heen kiezen andere kunstenaars en kunstliefhebbers zorgvuldig een plaats waarvandaan zij hun deskundige licht kunnen laten schijnen op een effen rood doek. Wim T. jubelt over de woede die hij voelt als hij naar sommige kunstwerken kijkt. Dat daaraan vaak voorbij wordt gegaan door kunstminnend Nederland; aan de waarde van een kunstwerk dat je verontwaardigt of kwetst. Ik luister ernaar zoals de gemiddelde SGP-stemmer naar Kees van der Staaij luistert: niet. Ik hoor alleen de stem van Ernie en kan niet anders dan alles wat deze stem me vertelt voor waarheid aan te nemen. Ik vergeet terstond dat de man in beeld een tapijt van pindakaas op zijn naam heeft staan.

Ook Paul Haenen staat bij mij op een torenhoog voetstuk. Als hij, in welke hoedanigheid dan ook, zou verkondigen dat het heerlijk is om je hoofd in een bak met aardappelpuree te leggen, zou ik mijn spullen neerleggen en direct de proef op de som nemen. Dezelfde stem heeft mij immers ooit geadviseerd een broodje met pindakaas en banaan te eten, wat tot op de dag van vandaag één van de weinige constanten in mijn eetpatroon is. Wie ben ik om de stem van Bert tegen te spreken? Bert, die met Ernie, mijn ouders en school verantwoordelijk is voor mijn algemene ontwikkeling. Zonder Bert en Ernie geen broodje pindakaas-banaan, maar zonder Bert en Ernie ook geen benul van de letter f, van wind, van delen, vakantie, dingen die geel zijn, stilte en van vriendschap.

Sinds een paar jaar weet ik dat het aandeel van Wim T. Schippers en Paul Haenen in mijn algemene ontwikkeling nog groter is geweest dan ik altijd gedacht heb. Tot mijn grote verbazing bleken zij gedurende al mijn Sesamstraatjaren ook de wijze lessen van Grover, Graaf Tel en Kermit de Kikker de wereld in te hebben gestuurd. Het is dus ook aan hen te danken dat ik drie keer nadenk voordat ik een verkoper met een koffer vol föhns binnenlaat, dat ik weet dat kikkers geen tanden hebben en dat ik schapen tel als ik niet kan slapen omdat ik bang ben dat ik ga dromen over een enge vampier met een Duits accent.

Van Bert leerde ik dat er musea bestaan en dankzij Ernie weet ik nu ook dat het fijn is om je daarbinnen af en toe eens flink op te winden. Bedankt, meneer Wim T. en meneer Paul H., voor alles!

dinsdag 18 september 2012

't Pandje



Vandaag is de dag waarop Diederik Samsom en Mark Rutte voor het eerst draagvlak zagen voor een kabinet met ten minste hun partijen. En dat al na de bescheiden inmenging van verkenner Henk Kamp – vroeger bij de scouting ook al verkenner. Dat stemt hoopvol, al zou je ook kunnen zeggen dat beide lijsttrekkers het draagvlak afgelopen woensdag in de maag gesplitst kregen. ‘De kiezer heeft gesproken’, zo vatte Fleur Agema de overduidelijke uitslag niet al te inventief samen.

Ik wist al een paar dagen eerder dat er draagvlak was. Niet zozeer voor de coalitie PvdA-VVD(-…), maar voor samenwerking in het algemeen, voor elke denkbare coalitie. Een half uur in nachtkroeg ’t Pandje was daarvoor afdoende.

Vrijdagnacht: in de trein van Amsterdam naar Utrecht is geen lege stoel te bekennen. Tientallen mensen liggen overdwars op de tweezitters te slapen of staan in de rij om een stukje rails te bedekken met hun maaginhoud. Ik sta onhandig te wiebelen in een tussencoupé, door de NS om onbegrijpelijke redenen een balkon genoemd – met frisse lucht heeft het barweinig te maken. In Utrecht rollen de meesten de trein uit. Ik moet zeggen dat mijn evenwicht ook betere tijden heeft gekend. Vanavond nog. Toch voel ik me niet dronken. Voor het woord ‘aangeschoten’ ben ik allergisch, dus houd ik het op nuchter.

Een paar uur later zit ik samen met een vriend in ’t Pandje. ’t Pandje is de enige kroeg in Utrecht waar je niet voor maar na het uitgaan naartoe gaat. Het laatste beetje nuchterheid dat je met je meebrengt wordt daar, met behulp van een paar dodelijke vazen bier, resoluut de deur gewezen. Normaal gesproken hang je vervolgens op je nek in één van de oude houten stoelen en mompel je een paar laatste woorden tegen de persoon die nog in je vervaagde gezichtsveld valt. Daarna is de tank leeg en strompel je naar huis. Als iemand de volgende dag aan je vraagt hoe het was, kun je volstaan met: Pandje. Zo’n avond.

Deze keer verloopt het anders. In de trein hebben we op de mensen om ons heen een forse drinkachterstand opgelopen. De magie van ’t Pandje is ineens ver te zoeken. Wat overblijft is een oude kroeg met een drijfnatte vloer met daarop een gezelschap zo bont dat het Nederlandse politieke stelsel, tot aan de Piratenpartij, zich gepresenteerd zou zien. We gaan zitten. Ons tafeltje ontsnapt aan ieders wellustige aandacht. We zijn buitengesloten door het vermoeide lichaam van een man met een degelijke polo die met zijn kont op ons tafeltje steunt terwijl hij met drie mannen met bril en een vrouw met bril praat over een survivalkamp.

Als de man een biertje gaat halen zien we onze andere kroeggenoten: twee breedgeschouderde mannen met truien vol merknamen en onduidelijke nummers slaan vertwijfeld op een gokkast. Als er twee blonde diva’s op het gedreun afkomen houden ze er direct mee op: tijd om te oogsten. Er wordt een soort stoelendans gedanst die voor één van de kleerkasten een teruggang naar de gokkast betekent; de andere man loopt met beide dames de deur uit.

Aan de bar zit een kroegeigenaar en – nou ja zeg – aan het tafeltje even verderop zit er nog één! Beduusd van zowel dit feit als het feit dat we beide mannen als kroegbazen herkenden, ontgaat ons het kortgejurkte meisje dat naast de eigenaar aan de bar zit volledig. Ze wordt met elke inhalige aanblik een paar jaar jonger. Als ze met de kroegeigenaar mee naar huis loopt, schatten we haar op 25, hooguit. Bij de man komen we uit op het dubbele.

Na het vertrek van de kroegeigenaar en zijn verovering passeert een lange, slungelige jongen met een door het corps platgewalst kapsel. Hij lijkt op zoek naar iemand die met hem mee wil, waarnaartoe is niet duidelijk. De politieke parallellen dienen zich met bakken tegelijk aan. Als de degelijke poloman na een korte uitstap naar een andere plaats in de bebrilde cirkel zijn vertrouwde plek aan onze tafel weer inneemt, besluiten we dat het tijd is om te gaan; voordat ook wij aan de beurt komen. Onderweg naar huis passeren we een gevallen vrouw. Ze likt haar wonden. Als we haar vragen wat eraan scheelt, zegt ze: ‘De kiezer heeft gesproken.’

maandag 20 augustus 2012

Tattoo

Buiten, op een bankje, zit een man met een hoed. Hij kijkt naar zijn schoenen. Zijn oogleden hangen als luifels over zijn ogen. Hij heeft zijn best gedaan, maar dat heeft niets uitgehaald. Het bankje waar de man op zit is eigendom van een tattooshop. Binnen ervaart zijn dochter de masochistische pijn van het betatoeëerd worden, terwijl de man schrikt van een paar benen dat hij herkent van het werk. Snel trekt hij de hoed wat verder over zijn hoofd. Hij denkt aan zijn dochter. Toen ze een jaar of vier was plukte ze wel eens bloemen voor hem. Zomaar. Nu heeft ze een madeliefje op haar enkel. Zomaar.

Ik loop voorbij het bankje met de man en de hoed. Ik denk aan mijn ouders, die zich wel eens met overslaande stem hebben verzet tegen een plaktattoo van Kellogs Cornflakes op mijn wang, die ik met veel extra spuug had weten aan te brengen. Ik denk aan de hoed die mijn moeder zou opzetten als ik een tattoo zou nemen. Ze zou voor geen goud op dit bankje gaan zitten. En ik denk aan de trekken op mijn vaders gezicht, het stadium van de verbazing ver voorbij. Hij zou me elk jaar een coltrui voor mijn verjaardag geven. En een A4’tje met een levensgroot vraagteken.

Misschien is het dat vooruitzicht dat me ervan weerhoudt mijn naam in Chinese tekens op mijn kuit te laten zetten. Maar ik denk het niet. Ik heb zelf ook niks met tattoos; en dan vooral niet met initialen van familieleden of vrienden op mijn arm of een traantje bij mijn oog omdat ik ooit per ongeluk een klasgenoot een blauw oog heb gesoftbald. De symboliek heeft nog wel iets, maar ik zie het niet zitten om die uit te dragen, en zeker niet op zo’n manier. Belangrijke gebeurtenissen en personen uit mijn leven wil ik niet in de vorm van een donkerblauw alfabet blootstellen aan de ogen van voorbijgangers die misschien net een gezinszak loempia’s achterover hebben gewerkt.

Een afbeelding van drie pingpongballen met de kapsels van Gullit, Rijkaard en Van Basten – gewoon, zomaar – is wat dat betreft meer iets voor mij. Maar dan wel op een papiertje, om af en toe grinnikend naar te kijken en het daarna als een uitgewerkte grap in de prullenbak te gooien. En niet om elke ochtend samen mee onder de douche te staan, totdat ik er op een gegeven moment tegen ga praten. Toch ben ik blij dat sommigen die schroom niet voelen, en zonder gewetensproblemen hun overwinning tijdens de Heukelomse tafeltenniskampioenschappen op hun elleboog laten vereeuwigen. Ik kijk daar graag naar. Zij hebben echter hun leven lang iets uit te leggen. ‘Waar staat die voor?’ En: ‘Waarom niet iets met meer diepgang?’ De twee meest onterechte vragen over een tattoo. Ik zou meteen de setstanden erbij laten zetten.

woensdag 1 augustus 2012

Zwarte woensdag




Zwarte woensdag, de dag waarop de Nederlandse sportfan zijn voorlopig rampzalige sportzomer zou zien opgaan in een oranje-gouden gloed, is voorbij. Gelukkig. Ik kijk er nooit naar uit, naar zwarte woensdagen. Ze beginnen altijd hoopvol, maar lopen dan zomaar uit op een deceptie. Ik heb het met eigen ogen kunnen zien. Je bent beter af met een zwarte zaterdag. Van zwarte zaterdag weet je tenminste dat het neerkomt op een aaneenschakeling van persoonlijke drama’s, zwarte woensdag is op dat gebied nog niet uit de kast gekomen. Roze maandag staat te popelen om daarvoor te zorgen.

Hoe zwart de woensdag ook was, ik heb hem uitgezeten, en om eerlijk te zijn niet zonder plezier. Ik heb Britse roeisters aangemoedigd die ternauwernood hun voorsprong wisten te behouden, ik heb gezien hoe vier Belchinezen met badmintonrackets naar huis gestuurd werden en ik was getuige van een onvervalst koekje van eigen deeg, toen brulaap Bas Verwijlen in de tweede ronde op bravoure verslagen werd en met de degen tussen de benen afdroop. Alles zou wijken voor goud; daar heeft welgeteld één schermer, nummer 78 van de wereld, aan meegewerkt. Dat is nog eens wat je noemt een missie.

Maar vooral heb ik sporten gezien waarvan ik me enkel het bestaan bewust was. Dat er bij judo gegoocheld wordt met straffen en golden scores heb ik wel eens meegekregen, maar dat er twee bronzen medailles te verdelen zijn wist ik niet – zouden er daarom zoveel Nederlanders meedoen? Evenmin kende ik het ritueel bij zwemwedstrijden om, als voorprogramma, twee of drie exotische klunzen te water te laten. Hun tijden worden genoteerd, maar dat is niet meer dan een formaliteit. In wezen verzorgen ze het opwarmnummer, schotelen ze het publiek wat doldwaze comedy voor. Chique hoor. De Olympische gedachte is vast opgegeten door onze eigen ‘kanjerwatcher’ op de tribune, wier chauvinisme nog altijd even onnvoorwaardelijk als onuitstaanbaar is. Dat ze haar tien minuten voor aanvang het water in gooien.

Wat me ook opviel waren de verschillende manieren van (on)sportiviteit, gekoppeld aan de verschillende sporten. De Olympische Spelen kunnen niet voorkomen dat in de vier tussenliggende jaren elke sport zijn eigen wetten en gewoonten ontwikkelt. Zo is het bij tafeltennis gebruikelijk om je na elk gewonnen punt – per wedstrijd zijn dat er zo’n tachtig – te gedragen alsof je zojuist tafeltennisgeschiedenis hebt geschreven. De vuist gaat de lucht in, er wordt oogcontact gezocht met zowel de tegenstander als de coach en er vliegen kreten in het rond die in een in het Chinees nagesynchroniseerde aflevering van Jerry Springer niet zouden misstaan. Ook hier heeft de Olympische gedachte het niet lang volgehouden.

De Olympische gedachte is uitgeweken naar het beachvolleybalveld, waar overenthousiaste spelers elkaar om de tien punten (kantwissel) een hand en een knipoog geven en waar er meer gelachen wordt dan de vele jaren training rechtvaardigen. Misschien heeft het ook iets te maken met de merkwaardige combinatie van slagregen en in je bikini op een zandveld rondrennen. Toch is het een leuke sport om naar te kijken. Het ziet er spectaculair, leuk en licht uit, waarvan het laatste een prestatie op zich is. Ik weet er het fijne niet van, maar staan de zaalvolleyballers niet gewoon met veel te veel spelers in het veld? Er mag immers maar twee keer gepasst worden; de bal mag maar door drie spelers aangeraakt worden. De andere staan een mooie kijksport in de weg. Lozen, die andere drie. Het water in, samen met Erica.

Ook in de manier waarop de winnaar gefeliciteerd wordt vertonen de sporten enorme verschillen. Verschillen die, gezien de wetmatigheid waarmee ze zich manifesteren, schijnbaar een lange voorgeschiedenis kennen. Bij tafeltennis – het zal u niet verbazen – wordt de winnaar getrakteerd op een uitgebluste pengreephand en het zicht op een teleurgestelde kruin. Dat liegt er niet om. Waar het er wel om liegt is in het zwembad, en dan vooral als de vrouwen gezwommen hebben. De winnares gilt en slaat een paar keer op het water, als een soort lokroep aan de anderen. Vervolgens krijgt ze van een paar zelfverkozen concurrenten een harteloze, willoze knuffel. ‘Goed gedaan, meid. Ik zal volgende keer ook mijn best doen.’

Als tennisliefhebber heb ik verguld van trots gezien hoe de tennissers ook op de Olympische spelen een voorbeeld zijn waar het gaat om sportiviteit en sportbeleving. Er wordt gelachen en er worden vuisten gebald, maar op momenten dat het kan of dat het logisch is. Het is in de regel gepast gedrag, oprecht ook en het gaat zelden ten koste van de concentratie van de tegenstander. Na het laatste punt krijgt deze een hoge hand en, in het geval van Federer, een paar goedbedoelde adviezen. Was de wereld maar een tennisbaan.