vrijdag 14 december 2012

Mode

De bovenste la van mijn klerenkast klemt. Er zit een shirt vast, een groen slaapshirt. Ik overweeg om het weg te gooien; ik draag het toch nooit en het ligt altijd in de weg.

Toen ik een jaar of acht was kocht ik het shirt. Het was me ongeveer tien maten te groot, wat destijds garant stond voor bewonderende blikken op het schoolplein. Het feit dat mijn korte broek zo’n beetje verdween onder het shirt werd door de afzenders van de blikken beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Ik kijk naar het shirt. Het is een groot, vaalgroen laken, met twee overdreven korte mouwen. De surfer op de voorkant mist een been, waarschijnlijk opgegeten door de wasmachine

In groep acht deed het groene shirt voor het eerst dienst als slaapshirt. In zijn plaats op het schoolplein verscheen Cocu, gedrukt op voetbalshirts van FC Barcelona en het Nederlands elftal. Ik had ook een PSV-shirt, met Kezman, maar piekerde er niet over om die naar school aan te doen. In de klas was bijna iedereen namelijk voor Ajax, uit Amsterdam, de stad waar Brabanders doorgaans zo op afgeven. Over FC Barcelona haalden vriendjes hun schouders op, gelukkig. Cocu was voor hen net zo onbekend als voor mij zwemmen met kleren aan, wat al mijn vriendjes reeds konden.

In de eerste klas werd het tijd om kleding serieus te nemen. Voetbalshirts waren voortaan uit den boze, net als die rare Nike Air Max schoenen waar ik een paar weken eerder nog met zoveel flair op gelopen had. Het draaide vanaf nu om spijkerjacks. Overal hingen spijkerjacks: in etalages, levensgroot in bushokjes en om de smalle schouders van leerlingen op school. Ik kocht een gewoon model, bang als ik was dat ik met stiksels, pads en gebleekte motieven niet met alle spijkerjackdragende klasgenoten door één deur zou kunnen. Mijn spijkerjack had geen kapsones, was gewoon blauw en had een paar decoratieve maar niet in het oog springende knopen. 

Een paar jaar later werd school stom en alles eromheen leuk. Een tussenuur werd gevierd als een vrije middag, waar het meestal ook in resulteerde. Aardbeienmilkshakes, nodeloze rondjes door de stad, voetballen met (eigen) schooltassen, alles was beter dan les. Om dit te illustreren flapten we rond in ongestrikte schoenen, droegen we joggingbroeken en slobbertruien van universiteiten waar het allemaal beter was en hadden we kapsels waar gel noch spiegel aan te pas was gekomen. We deden, kortom, geen moeite om ons aan te kleden voor school. Waarom zouden we ook? Wat dacht school wel? Dat alles om hem draaide? Mooi niet. Het was een hinderlijke onderbreking van onze dag, en dat mocht hij weten ook.

Ik besluit het shirt te houden. Ik heb tenslotte mijn voetbalshirts, spijkerjack, en joggingbroek ook nog ergens liggen. Er wordt aangebeld. Nu al? Ik realiseer me dat ik lang met het shirt in mijn handen heb gestaan. Snel schiet ik mijn schoenen aan… Snel schiet ik mijn schoenen aan. Hallo? Snel schiet ik mijn schoenen aan! Het gaat niet. Ik haal de bovenste veters naar me toe en probeer het nog een keer. Om mijn broekspijpen klemmen elastieken, zodat, als mijn voeten in mijn schoenen schuiven, mijn broek als vanzelf mee verdwijnt. Na veel wrikken lukt het. Tevreden strompel ik naar de deur. Ik moet oppassen dat ik mijn knieën niet te ver buig, want dan schiet mijn broek los. 

zaterdag 8 december 2012

De transfermarkt


Ik ben transfervrij. Al een tijdje. Mijn contract op de vorige school liep af en nu ben ik op zoek naar een nieuwe school. Ik voel me prima zonder school, maar je bent toch docent in opleiding en je wilt toch lesgeven. Het begint weer te kriebelen, het balletje mag weer gaan rollen. Mijn zaakwaarnemer Rob Jansen kijkt voor mij of er scholen interesse hebben. Omdat we nu middenin het seizoen zitten, moet ik het vooral hebben van blessures en van ontslagen. Rob houdt zijn ogen en oren open.

Vorige week had ik een gesprek op een school in de buurt. Rob kijkt vooral rond in de buurt, omdat hij weet dat ik een familieman ben en moeder de vrouw, als die eenmaal aan boord is, liever niet verhuist, zeker met het oog op de kleine. De school in de buurt was moeilijk te bereiken. Omdat ik slechts een schoolloze docent in opleiding ben, moest ik de fiets nemen. De fiets noch ik was uitgerust met een (werkend) navigatiesysteem, dus vroeg ik de weg aan passerende mensen op straat. Als voormalig docent op een school was dat even omschakelen.

Ik werd ontvangen door de vrouw van personeelszaken, die me bij de rectrix en twee docenten afleverde. De rectrix vertelde me waarom ik voor de moeilijk bereikbare school in de buurt moest kiezen. De school had een visie, de jeugdopleiding deugde en het gebouw was uitgerust met de meest moderne apparatuur zodat iedereen op school zich optimaal kon ontwikkelen. Daarbij zaten er al meer dan 1300 leerlingen op de moeilijk bereikbare school in de buurt. Voor hen was de school wellicht iets beter bereikbaar, bedacht ik me, toen ik op de terugweg de hoofdingang ontdekte.

Plotseling werden er vragen aan mij gesteld, over wat ik de school te bieden had en over wat ik zou doen in situaties. Mijn antwoorden zetten de rectrix en haar adjudanten om in een profielschets waarmee zichtbaar mijn geschiktheid gewogen werd. Dit tafereel had iets weg van een ingewikkelde wijnsoort die met argwaan gekeurd werd. Ik voelde de druk toenemen en wist dat alles wat ik zei uitvergroot werd. Het goede gevoel, dat voetballers doorgaans aan gesprekken als dit overhouden, ontbrak vanaf het begin. Er werd voortdurend op mijn helft gespeeld: de belangen van de school prevaleerden boven mijn motivatie en verwachtingen. Heb ik het zo goed verwoord, Rob? 

zondag 25 november 2012

De eerste en laatste versierpoging


Op het hockeytoernooi gebeurde niet zoveel. We lagen overdag in het met bier gevoede gras en keken meisjes na, elkaar afbluffend met beloftes die de realiteit links en rechts inhaalden. Gehockeyd werd er niet en je twijfelde er niet over te bekennen dat je dat best wel jammer vond (integendeel, een gejatte hockeystick betekende een alibi als jouw team ergens op een scoreformulier stond). We spaarden onze krachten voor de moeite die we die avond deden om meisjes te ‘scoren’, iets waar ik me vanaf de dag na het hockeytoernooi hevig tegen zou gaan verzetten.

Ik pakte in de muffe tweepersoonstent een oranje t-shirt met een reusachtige witte print en deed mijn haar in een kuif; ik was klaar voor het feest. In de tot disco omgedoopte kantine stonden de populaire jongens van de organisatie luidruchtig te grijnzen achter de bar en de gammele draaitafel. Om hen heen stonden groepjes van elf: hockeyteams. Er werd aangevallen noch verdedigd. Fanatiek sloegen we onze eerste plastieken biertjes achterover. We wachtten tot één van ons zei: ‘We gaan ervoor’ en gingen ervoor. We liepen in een rij de dansvloer op en probeerden op een onopvallende manier op te vallen.

‘Je moet gewoon achter een meisje gaan staan en je handen om haar middel leggen,’ zei een teamgenoot, de linksback. Ik vond het een beetje klinken als de manier waarop je een giftige slang zonder gebeten te worden in een rieten mand stopt, of als een onbegrijpelijk trucje dat de hockeytraining net niet gehaald had. Was dit echt de manier? De keeper en midmid toonden bij wijze van antwoord dat dit de manier was. Ik keek vol verbazing hoe de meisjes de handen onverstoord toelieten, zonder te weten van wie ze waren. Binnen de kortste keren draaiden ze zich om – The Voice avant la lettre – en werd er naar hartenlust gezoend.

Dat moet ik ook kunnen, dacht ik, maar tegelijkertijd voelde ik, met de vele biertjes, weerzin omhoog komen. Het druiste tegen één van mijn destijds weinige principes in om me zo fysiek aan een meisje op te dringen, zonder me eerst netjes voor te stellen. Maar het was altijd nog beter dan moederziel alleen staan te kijken hoe de rest van mijn team daar totaal geen moeite mee had. Ik zette mijn laatste biertje van de avond weg en ging met knikkende knieën achter een meisje staan dat twee koppen groter was. Ik stootte met mijn schouder tegen haar rug, verexcuseerde me. Toen ze zich omdraaide, zei ik: ‘Hoi, ik ben Mike’ en legde mijn handen om haar middel.

Een koude rilling liep over mijn rug, ik durfde niet te denken over de seconden die zouden volgen en keek in pure paniek naar haar imposante pumps en mijn afgetrapte gympen. Op dat moment wist ik eigenlijk al genoeg. Toen ik tergend langzaam en vol berouw mijn loodzware hoofd optilde, keek het meisje vanuit haar hoogte op me neer met een blik die vernietigender was dan het erop volgend hoongelach van mijn teamgenoten. Ze duwde me met veel misbaar van zich af. Daar stond ik, afgegaan in een discipline die ik met veel vertwijfeling was gaan beoefenen.

Ik vraag me nog steeds af of die vertwijfeling, die inmiddels uitgegroeid is tot een onwrikbare weigering, het begin of het resultaat was van die beruchte avond. Zeker is dat het boek der versierpogingen na het eerste hoofdstuk weer dicht ging, om nooit meer geopend te worden.

donderdag 22 november 2012

Studeren


Toen ik klein was zag ik een keer een groep mannen en vrouwen in pak voorbijlopen. Dat was een imposant gezicht. Het ging om een groep studenten, zei mijn moeder. Ik had nog nooit gehoord van studenten en beeldde me in dat het een soort filmsterren waren, die zich verenigden door in dezelfde kleren door dezelfde stad te lopen, op een manier die iedereen opviel. Later werd me verteld dat studenten ergens voor doorleerden en dat ze dat deden op een universiteit, waar ze zich specialiseerden in iets waarin ze geïnteresseerd en vaak al bij voorbaat al goed in waren. Ik vond dat reuze bijzonder en had direct enorm veel ontzag voor studenten. Ik droomde ervan ooit zelf een student te zijn, op een echte universiteit.

Lokaal D is een lokaal helemaal achterin de gang van een reusachtig gebouw dat op mijn smartphone anders genoemd werd dan door het bord voor de ingang. Om kwart over drie zou het college moeten starten, het college dat een uur en drie kwartier duurt, met een kwartier pauze, of een half uur, afhankelijk van de rij voor de koffieautomaat. De docent is te laat. Hij rommelt wat met zijn sleutels; verkeerde sleutels. Bij binnenkomst wacht hij keurig op de studenten die nog later zijn dan hij. Om half vier neemt hij de aanwezigheid door. Om vier uur nog steeds, als blijkt dat ‘jezelf voorstellen’ door de vijftig aanwezige studenten opgevat is als ‘jezelf aanstellen’. De docent laat het begaan tot kwart over vier. Dan is het pauze.

Na de pauze neemt hij de belangrijkste thema’s van de cursus door. Na elk behandelde onderdeel vraagt hij of er nog vragen zijn. Die zijn er in overvloed. De docent gaat overal geduldig op in, ook als de relevantie in het geding is. Eén van de antwoorden mondt uit in een discussie over ervaringen met tweetaligheid. Een meisje vertelt dat ze zowel Limburgs als Nederlands sprak toen ze klein was. Ik moet een beetje lachen. Dat bevalt haar niet. Ze daagt me uit: “Kun jij Limburgs verstaan, dan?” Ik bedenk me dat ik de 1800 euro collegegeld nog over moet maken en dat er waarschijnlijk geen ‘niet-goed-geld-teruggarantie’ op zit.

Haar geschiedenis nodigt andere studenten uit vergelijkbare ervaringen te delen. De anekdotes reiken tot onverstaanbare buurmannen en brugklassers die Berber spreken, maar met een Zuid-Hollandse twist. Nu stelt de docent vragen: “Waar hoor je dat dan aan?” Er volgt een reeks sterk aangezette klanken en gelach stijgt op uit de klas. Ook de docent lacht. Terwijl hij op zijn horloge kijkt, slaat hij de kern van de theorie over: “Ik zet de powerpoint op blackboard”, verontschuldigt hij zich. Het college zit erop. Ik druip af en neem me voor de volgende keer alles te vertellen over mijn blog. Een beetje extra publiciteit is nooit weg. Ik maak er wel iets tweetaligs van; misschien kan de docent me helpen.

vrijdag 16 november 2012

Tennistrauma's

Afgelopen woensdag besloten mijn huisgenoot Raoul en ik te gaan tennissen. Het was te mooi weer om te gaan squashen en te koud voor het strand. Vroeger tenniste ik elke week een paar keer, nu zijn de tennispotjes net zo zeldzaam als de retourtjes Domburg en vormen ze aanleiding voor een stukje.

De baan naast het clubhuis was een uur lang voor ons. De vrouw die het tientje in ontvangst nam keek ons wantrouwend aan; waarschijnlijk werd er niet vaak vrijwillig betaald. We betraden de baan, het kunstlicht ging aan en het ballenblik open. Binnen een paar seconden had Raoul zijn trainingsbroek uitgedaan en stond hij de eerste ballen op te wachten. Op de baseline! Ik deed snel wat water in mijn haar en probeerde zo onaangedaan mogelijk naar achteren te lopen. Meestal rommel ik het eerste halfuur wat aan op het miniveld, ondertussen pratend met de terreinknecht en lachend over de eerste de beste bal: een mislukte dropshot die het net niet eens haalt. Nu was de eerste bal een kanonskogel langs de lijn. Vijf minuten later begonnen we met inserveren.

Bij 0-40 in de eerste game heb ik zeven services achter elkaar in het net geslagen. Ik heb het koud en zie niets, ondanks of dankzij het kunstlicht. Mijn arm voelt zwaar en de bal die ik uitgekozen heb om over het net te slaan laat bij het stuiteren al merken dat ik niet op zijn assistentie hoef te rekenen. Ik ben bang voor een vierde dubbele fout op rij, voor het verliezen van de game, voor gezichtsverlies en de dagelijkse confrontatie met Raoul en andere, op de hoogte gebrachte huisgenoten. Ik denk aan een tenniswedstrijd, een jaar of zeven geleden, waarin me hetzelfde gevoel bekroop, na hetzelfde aantal gemiste services.

Ik tenniste wel eens met Pieter, een vriend. Dat was gezellig maar lang niet altijd leuk. Pieter en ik konden ongeveer even goed tennissen, met dat verschil dat Pieter altijd met 6-1 6-2 van me won. En toch wilde hij met me dubbelen, tijdens het toernooi in Goirle. Ik wilde zijn vertrouwen niet beschamen en oefende de week voor het toernooi dagelijks tegen de muur. De wedstrijd in de eerste ronde was er meteen een tegen bekenden: twee beruchte feestneuzen uit Hilvarenbeek. Te doen. De eerste servicegame eindigde zonder dat iemand anders dan ik een bal geraakt had: vier dubbele fouten op een rij en het plotselinge en definitieve einde van Pieters vertrouwen in mijn kunnen.

Na lang gestuiter sla ik eindelijk mijn achtste service: een hele voorzichtige, hoge bal, maar het is zonder meer een service en hij is zonder meer in. Opgelucht sla ik de eerstvolgende bal in het net.

Een minuut of tien later staat het 5-1 voor mij. Ik sla weinig dubbele fouten en één mooie winner die alle andere niet afgedwongen punten rechtvaardigt. Dan slaat Raoul een winner, en nog één, en nog één, en van schrik sla ik de ene na de andere bal in het net: 5-5. Met het zweet in mijn handen denk ik terug aan de clubkampioenschappen van een jaar of tien geleden.

Ik deed mee in de categorie tot en met zestien jaar en speelde in de kwartfinale op baan 12 tegen Maurits Naaykens, een vriend – o jee. De eerste set eindigde in 6-1 voor mij. In de tweede set had ik bij 5-0 de zege binnen handbereik. Maar het ging mis. Terwijl ik al ballen raapte voor het volgende punt, sloeg Maurits een in mijn beleving onhaalbare bal terug. De vernedering was compleet toen ik na een dubbele fout mijn racket de lucht in gooide en nooit opving omdat hij in een boom bleef hangen. Ik stond toen nog voor, met 6-1 en 5-3, maar ik wist dat Maurits ging winnen. Ook een reserveracket zou geen uitkomst bieden.

Het wordt een tiebreak, het wordt 6-6 in de tiebreak, het wordt 8-6 voor Raoul. Ik onderdruk de neiging om met racket en al in een boom te klimmen. Voor de tweede keer loop ik als morele winnaar naar de bank: eindelijk afgerekend met mijn besmette tennisverleden.

zaterdag 27 oktober 2012

Klikken


‘Ik zag Rens een hele harde schop geven aan Jeroen, juf. Onder de tafel. Ik zag het echt. En Jeroen deed niks.’ Trillend van de spanning en trots wacht ik op het compliment dat volgens mijn logica aanstaande is. ‘Kom je nu klikken, Mike? Heb ik dat goed? Is dat wat je komt doen? Onbeschaamd klikken? Zonder dat je er zelf iets aan hebt, iemand anders in de moeilijkheden brengen? Dat is waarom je naar me toe bent gekomen? Ga jij de fruittafel maar eens schoonmaken, klikspaan.’

Over klikken werd op de basisschool schande gesproken, zowel door klasgenootjes als door de juf. Je kon nog beter iemand zijn bril afpakken, deze in de Yogo Yogo dippen en hem daarna in de zandbak gooien – om maar iets te noemen – dan klikken. Je kon beter vanaf je romp ingepakt worden in papier-maché dan uitgemaakt worden voor klikspaan.

Tegenwoordig is klikken de normaalste zaak van de wereld. Op straat, in de sauna, tijdens het uitgaan, op de Zwarte Cross, klikken kan overal en is gemakkelijker dan ooit tevoren. Het enige wat je ervoor nodig hebt is een maatje, iemand waarmee je klikt.

‘Ja, ik weet niet wat dat is, we klikken gewoon heel erg goed samen.’

Op allerlei niveaus kan er geklikt worden. Het kan zijn dat je met iemand klikt of een klik hebt, wat betekent dat je iemand verdraagt en dat die iemand jou doodvermoeiend vindt. Interessant wordt het als je met iemand een goede klik hebt: dat je om die iemand moet grinniken, dat je twee gezamenlijke interesses hebt met iemand en dat je allebei een verleden hebt in Haarlem. Een superklik heb je met iemand waarmee je iets van plan bent, een megaklik met iemand waarmee het plan dezelfde avond nog uitgevoerd moet worden.

Maar, en hier wordt het verwarrend, je kunt met een beetje pech ook een niet zo’n goede of zelfs slechte klik hebben met iemand. Je hebt tevergeefs je best gedaan om met iemand door één deur te kunnen en nu wensen jullie elkaar allerlei narigheden toe – dat maak ik ervan. Maar de klik is er. Hij kan alleen beter, bijvoorbeeld als de ander zou stoppen met jouw vriendin ondubbelzinnige sms’jes te sturen en jij daarop niet zou reageren door kaassoufflés in zijn brievenbus te proppen. Maar de klik is er.

Als de klik er eenmaal niet meer is, moet je je serieuze zorgen gaan maken. Grote kans dat, in dit stadium, de sms’jes gevolg hebben gekregen en dat je een nieuwe deurmat moet kopen.

zaterdag 13 oktober 2012

Het Symposium


Dinsdagmiddag: college. Ik heb zes euro meegenomen, zodat ik donderdag mee mag naar het symposium. Deelname is verplicht. Het begrip symposium klinkt mij even hoogdravend als nietszeggend in de oren. Ik heb geen idee wat te verwachten. Het is in een zaal in het Weltgebouw, op de Uithof. Ik kom nooit op de Uithof.

Ik print voor de zekerheid de route en ga een uur van tevoren de deur uit.

Aangekomen bij het Weltgebouw wordt me verteld dat ik me aan kan melden bij een tafeltje waar twee meisjes met een flesje Spa Blauw pennen en programmaboekjes uitdelen. Ik geef mijn naam op. Mijn naam staat op de lijst. Ik krijg een pen en een programmaboekje.

De zaal is hoog en heeft geen ramen. Ongeveer honderd aangemelden hebben zich zorgvuldig over het meer dan dubbele aantal stoelen verspreid. Ik vind een plekje naast een norse man met een laptop en een stukgelezen Freedom van Jonathan Franzen. Even later schuiven drie studiegenoten aan. Zij hebben ook een pen en een programmaboekje.

De meeste deelnemers dragen een badge met hun naam erop. De badges van de organisatie zijn geel, zodat te zien is wie het symposium organiseren. Wij hebben geen badges gekregen, waarom is niet helemaal duidelijk.

De Nederlandse sprekers zijn allemaal ‘leading’ in een bepaald onderzoeksgebied en bewijzen dat door in het Engels over hun meest recente onderzoek te vertellen. De ehh’s en bijbehorende rode vlekken maken duidelijk dat het voor de sprekers een spannende dag is. Voor het Nederlandse publiek is het vooral een inspannende dag. Om de kortademige verhalen over ‘predetermined PD content’ niet in het rijk der vergetelheid terecht te laten komen, maken veel mensen foto’s van de geprojecteerde sheets. Dan lopen er ineens twee laatkomers voor de projector. Er worden nog wat foto’s gemaakt, maar die zijn mislukt.

Voor me zit een vrouw met een vraag. Ze twijfelt. Ze steekt voorzichtig haar hand op en stopt die dan weer weg, zoals ze in een overvol restaurant de ober zou wenken. Dan steekt iemand anders gedecideerd zijn vinger op. Het is een man van over de vijftig; zijn wijsvinger prijkt in de benauwde lucht. De vrouw zucht en laat haar schouders hangen. De man vraagt zijn vraag en de spreker beantwoordt deze lachend net niet helemaal.

In de pauze is er koffie en zijn er krakelingen, en voor de betere speurder zoute stengels in plastic bakjes. Men netwerkt en kauwt op de krakelingen waarvan de verpakking te vroeg van het plastic folie ontdaan is. Er staat een rij voor de wc.

Daarna wordt er door de sprekers doorlopend gerefereerd aan het einde van de bijeenkomst. ‘After this, there will be only one slide left’, stelt een vrouw met een onderzoek over veel aspecten van iets het publiek gerust. ‘That was it’, besluit ze haar presentatie. Tijdens de discussie, gevuld met anekdotes van mensen uit het publiek – ’In my school period …’ – kijk ik geïnspireerd naar de houten stoelleuningen. Vrijwel alle rugleuningen bevatten tekeningen en teksten. Op die van mijn benedenbuurman staat een tekening van Spongebob met één been en een ooglapje en de mij niet onbekende tekenfilmslogan: ‘Ducktales, woohoo!’

De bijeenkomst is afgelopen. De betrokkenen bedanken elkaar en geven elkaar cadeautjes. Het publiek sluipt de zaal uit. Ik blijf nog even zitten. Voor ik het weet zit ik in een lege zaal. Ik kijk naar een andere rugleuning. ‘Hannah Montana, the world is yours’, staat er. 

zaterdag 6 oktober 2012

De mishandeling van Mumford and sons

Gisteren, De Wereld Draait Doorrr: Jan Dulles en één van de twee andere J’s gaan een band in de schijnwerpers zetten, door een bewerking van een nummer van deze band te spelen. Ik houd me vast aan de leuning van de bank; dit kon wel eens pijn gaan doen. BZN in een nieuw jasje, Frans Duits in het Engels, Saskia en Serge met een beat, ik ben op alles voorbereid. Matthijs van Nieuwkerk wrijft in zijn handen alsof het Tweede Kerstdag is en kijkt opgewonden maar ook enigszins angstig naar de Volendamse enclave. Dan doet de linker-J ineens zijn puppyogen dicht en zijn havenmond open. Er klinkt een aantal schrille, hoge tonen en een zin waar je de Pabo niet mee binnen zou komen. De rechter-J heeft maling aan de Pabo en ramt als door een paling gebeten op zijn gitaar.

Anderhalve minuut later is het leed geleden. J en J grijnzen. Ze weten het: ze hebben zojuist Mumford and Sons muzikaal aangerand en ze gaan ermee wegkomen ook. Ze stappen zo gierend van het lachen in de auto, eten de MC-Drive leeg en rijden om de beurt bellend met en pochend tegen Kees Tol terug naar Volendam. Geen spookrijder, geen ontvoering van Nick of Simon, geen drooglegging, niets. Geen gevaar, want Halina Reijn geeft op de voor haar typerende, triomfantelijke toon te kennen nog nooit van de band te hebben gehoord en Matthijs moet grinniken om ‘het kunstje’ van de Mumfords dat door de Keizer-Schilderformatie zo haarfijn wordt blootgelegd. Ik voel me als door een school palingen gebeten. Een kunstje! Ik zie vol afschuw hoe Jan Dulles tijdens ‘The Cave’ op de vloer stampt alsof hij een gorilla is en de opvoering van het nummer een soort paringsritueel betreft. Een kunstje!

De Nieuwe CD Van Mumford And Sons Is Magistraal. De nummers zijn zo mooi en wel degelijk origineel. Oké, origineel in hun soort, maar dat vind ik eigenlijk nog knapper en zeker niet minder de moeite van het luisteren waard. Daarbij dragen alle liedjes een soort urgentie in zich; elk nummer voegt iets toe. Dat komt voornamelijk door de doorleefde stem van Marcus Mumford, maar ook door de teksten en door de opbouw van de nummers: het opzwepende ritme waar je je helemaal in kan verliezen. Het is dus een kunst om deze CD als een kunstje af te doen. 

Ik heb een paar jaar geleden in een rokershok in Utrecht nog venijnig beweerd dat op cultureel gebied alles ertoe doet zolang er mensen plezier aan beleven: over smaak valt niet te twisten. Mumford and Sons brengen deze overtuiging aan het wankelen. Hier mag eigenlijk niet over getwist worden. Toch gebeurt het, door Matthijs van Nieuwkerk en even later door Jan Dulles, die na de gevoelloze daad een slok neemt en met een minzaam lachje voorspelt dat de volgende CD van Mumford and Sons vernieuwender zal zijn. Jan Dulles! Zegt! Dat! Dat is alsof een visboer op de markt luid schreeuwend klaagt over de geluidsoverlast. Daarbij aangetekend dat het op de markt muisstil is. Dit slaat alles, dit kan ik niet over mijn kant laten gaan. Vandaar en aldus.

zaterdag 22 september 2012

Wim T. en Paul H.



Wim T. Schippers loopt verheugd door het vernieuwde Stedelijk Museum. Om hem heen kiezen andere kunstenaars en kunstliefhebbers zorgvuldig een plaats waarvandaan zij hun deskundige licht kunnen laten schijnen op een effen rood doek. Wim T. jubelt over de woede die hij voelt als hij naar sommige kunstwerken kijkt. Dat daaraan vaak voorbij wordt gegaan door kunstminnend Nederland; aan de waarde van een kunstwerk dat je verontwaardigt of kwetst. Ik luister ernaar zoals de gemiddelde SGP-stemmer naar Kees van der Staaij luistert: niet. Ik hoor alleen de stem van Ernie en kan niet anders dan alles wat deze stem me vertelt voor waarheid aan te nemen. Ik vergeet terstond dat de man in beeld een tapijt van pindakaas op zijn naam heeft staan.

Ook Paul Haenen staat bij mij op een torenhoog voetstuk. Als hij, in welke hoedanigheid dan ook, zou verkondigen dat het heerlijk is om je hoofd in een bak met aardappelpuree te leggen, zou ik mijn spullen neerleggen en direct de proef op de som nemen. Dezelfde stem heeft mij immers ooit geadviseerd een broodje met pindakaas en banaan te eten, wat tot op de dag van vandaag één van de weinige constanten in mijn eetpatroon is. Wie ben ik om de stem van Bert tegen te spreken? Bert, die met Ernie, mijn ouders en school verantwoordelijk is voor mijn algemene ontwikkeling. Zonder Bert en Ernie geen broodje pindakaas-banaan, maar zonder Bert en Ernie ook geen benul van de letter f, van wind, van delen, vakantie, dingen die geel zijn, stilte en van vriendschap.

Sinds een paar jaar weet ik dat het aandeel van Wim T. Schippers en Paul Haenen in mijn algemene ontwikkeling nog groter is geweest dan ik altijd gedacht heb. Tot mijn grote verbazing bleken zij gedurende al mijn Sesamstraatjaren ook de wijze lessen van Grover, Graaf Tel en Kermit de Kikker de wereld in te hebben gestuurd. Het is dus ook aan hen te danken dat ik drie keer nadenk voordat ik een verkoper met een koffer vol föhns binnenlaat, dat ik weet dat kikkers geen tanden hebben en dat ik schapen tel als ik niet kan slapen omdat ik bang ben dat ik ga dromen over een enge vampier met een Duits accent.

Van Bert leerde ik dat er musea bestaan en dankzij Ernie weet ik nu ook dat het fijn is om je daarbinnen af en toe eens flink op te winden. Bedankt, meneer Wim T. en meneer Paul H., voor alles!

dinsdag 18 september 2012

't Pandje



Vandaag is de dag waarop Diederik Samsom en Mark Rutte voor het eerst draagvlak zagen voor een kabinet met ten minste hun partijen. En dat al na de bescheiden inmenging van verkenner Henk Kamp – vroeger bij de scouting ook al verkenner. Dat stemt hoopvol, al zou je ook kunnen zeggen dat beide lijsttrekkers het draagvlak afgelopen woensdag in de maag gesplitst kregen. ‘De kiezer heeft gesproken’, zo vatte Fleur Agema de overduidelijke uitslag niet al te inventief samen.

Ik wist al een paar dagen eerder dat er draagvlak was. Niet zozeer voor de coalitie PvdA-VVD(-…), maar voor samenwerking in het algemeen, voor elke denkbare coalitie. Een half uur in nachtkroeg ’t Pandje was daarvoor afdoende.

Vrijdagnacht: in de trein van Amsterdam naar Utrecht is geen lege stoel te bekennen. Tientallen mensen liggen overdwars op de tweezitters te slapen of staan in de rij om een stukje rails te bedekken met hun maaginhoud. Ik sta onhandig te wiebelen in een tussencoupé, door de NS om onbegrijpelijke redenen een balkon genoemd – met frisse lucht heeft het barweinig te maken. In Utrecht rollen de meesten de trein uit. Ik moet zeggen dat mijn evenwicht ook betere tijden heeft gekend. Vanavond nog. Toch voel ik me niet dronken. Voor het woord ‘aangeschoten’ ben ik allergisch, dus houd ik het op nuchter.

Een paar uur later zit ik samen met een vriend in ’t Pandje. ’t Pandje is de enige kroeg in Utrecht waar je niet voor maar na het uitgaan naartoe gaat. Het laatste beetje nuchterheid dat je met je meebrengt wordt daar, met behulp van een paar dodelijke vazen bier, resoluut de deur gewezen. Normaal gesproken hang je vervolgens op je nek in één van de oude houten stoelen en mompel je een paar laatste woorden tegen de persoon die nog in je vervaagde gezichtsveld valt. Daarna is de tank leeg en strompel je naar huis. Als iemand de volgende dag aan je vraagt hoe het was, kun je volstaan met: Pandje. Zo’n avond.

Deze keer verloopt het anders. In de trein hebben we op de mensen om ons heen een forse drinkachterstand opgelopen. De magie van ’t Pandje is ineens ver te zoeken. Wat overblijft is een oude kroeg met een drijfnatte vloer met daarop een gezelschap zo bont dat het Nederlandse politieke stelsel, tot aan de Piratenpartij, zich gepresenteerd zou zien. We gaan zitten. Ons tafeltje ontsnapt aan ieders wellustige aandacht. We zijn buitengesloten door het vermoeide lichaam van een man met een degelijke polo die met zijn kont op ons tafeltje steunt terwijl hij met drie mannen met bril en een vrouw met bril praat over een survivalkamp.

Als de man een biertje gaat halen zien we onze andere kroeggenoten: twee breedgeschouderde mannen met truien vol merknamen en onduidelijke nummers slaan vertwijfeld op een gokkast. Als er twee blonde diva’s op het gedreun afkomen houden ze er direct mee op: tijd om te oogsten. Er wordt een soort stoelendans gedanst die voor één van de kleerkasten een teruggang naar de gokkast betekent; de andere man loopt met beide dames de deur uit.

Aan de bar zit een kroegeigenaar en – nou ja zeg – aan het tafeltje even verderop zit er nog één! Beduusd van zowel dit feit als het feit dat we beide mannen als kroegbazen herkenden, ontgaat ons het kortgejurkte meisje dat naast de eigenaar aan de bar zit volledig. Ze wordt met elke inhalige aanblik een paar jaar jonger. Als ze met de kroegeigenaar mee naar huis loopt, schatten we haar op 25, hooguit. Bij de man komen we uit op het dubbele.

Na het vertrek van de kroegeigenaar en zijn verovering passeert een lange, slungelige jongen met een door het corps platgewalst kapsel. Hij lijkt op zoek naar iemand die met hem mee wil, waarnaartoe is niet duidelijk. De politieke parallellen dienen zich met bakken tegelijk aan. Als de degelijke poloman na een korte uitstap naar een andere plaats in de bebrilde cirkel zijn vertrouwde plek aan onze tafel weer inneemt, besluiten we dat het tijd is om te gaan; voordat ook wij aan de beurt komen. Onderweg naar huis passeren we een gevallen vrouw. Ze likt haar wonden. Als we haar vragen wat eraan scheelt, zegt ze: ‘De kiezer heeft gesproken.’