woensdag 31 juli 2013

Voetbal 2.0

PSV heeft gisterenavond in het eigen Philips Stadion bijzonder slechte zaken gedaan waar het gaat om de plaatsing voor de volgende voorronde van de Champions League. Het team van coach Phoxy won onder toeziend oog van mascottes Cocu, Faber en Van der Weerden slechts met 2-0 van Zulte Waregem, dat in de return genoeg heeft aan een reglementaire 3-0 overwinning. ‘We hebben gegokt en verloren’, aldus een berustende supporter. ‘Ik zie Zulte Waregem thuisblijven.’ Zijn coach was minder somber over de kansen van de Eindhovenaren: ‘Het wordt moeilijk, maar het is volgende week aan Zulte Waregem om niet op te komen dagen. We zullen er alles aan doen om ze naar het stadion te lokken. Wie weet wat er nog mogelijk is.’

Dat zal PSV dan wel moeten proberen zonder het voltallige team dat gisterenavond op het veld stond. Met nul gele en nul rode kaarten zijn alle spelers voor minstens één Europese wedstrijd geschorst. ‘Dat is een domper’, aldus Phoxy, die in dat opzicht het gemis van Van Bommel nogmaals benadrukte, ‘maar we hebben een brede selectie van 23 spelers en meer dan duizend meereizende supporters, die allemaal genoeg kwaliteiten hebben.’ Wie er woensdag aan de aftrap zullen verschijnen, wilde de oefenmeester nog niet zeggen. Wel gaf hij aan dat iedereen een wedstrijdshirt aan moet doen, het liefst één van dit seizoen. Er zullen dus waarschijnlijk weer enkele supporters hun opwachting maken in PSV 1. ‘Dat zal dit seizoen wel vaker het geval zijn. Dat zijn de wetten van het moderne voetbal’, aldus de coach in het grote vossenpak.

Daarmee doelde hij op het loodzware programma van de clubs. Ook deze jaargang zullen alle wedstrijden in de rust afgewerkt worden. ‘Het werd tijd dat de spelers uit de e- en f-jeugd eens hun zin kregen’, verdedigt KNVB-voorzitter Ruben van Bommel (9) de vorig jaar ingevoerde herverdeling. Phoxy heeft zijn bedenkingen bij de verandering. ‘Gevolg van deze keuze is dat de spelers in het kwartier dat er nog van hun wedstrijden is overgebleven, vol gas geven, wat tot meer blessures en daardoor tot meer inbreng van supporters leidt’. Op de vraag of de coach, ondanks de uitslag, de schorsingen en de op handen zijnde blessures, toch nog iets positiefs kan noemen over de wedstrijd van gisterenavond, luidde het antwoord instemmend: ‘Ja hoor, ik vond dat we, zeker in de eerste vijf minuten, als individualisten speelden. Dat deed me deugd. En de tweede goal was weliswaar randje binnenspel, maar de aanval die eraan voorafging was fantastisch. Dat geeft ons vertrouwen.’

Volgende week woensdag speelt PSV de returnwedstrijd tegen Zulte Waregem, in Brussel. De wedstrijd zal te zien zijn op TLC, tussen 20:45 en 21:00 uur. Vanaf 15:00 uur wordt er voorbeschouwd in de studio, door alle spelersvrouwen en natuurlijk vaste analist Maarten van Rossum. Mis het niet.

dinsdag 30 juli 2013

Lienelien

Het is kwart over zeven. Een meisje staat te wachten op station Nunspeet. Ze draagt een blauwe strik in het haar en een grote tas. Het is Lienelien. Ze eet ongeduldig een Mars. Niet vergeten die straks van de omzet af te trekken! Oh, wat is Lienelien blij met deze gedachte. Op het perron en in de middellange sprinter richting Nijmegen die aan de vaalblauwe horizon verschijnt weet nog niemand wat hen te wachten staat. Lienelien wel. Ze doet dit inmiddels al bijna twee maanden. Oh, wat vindt ze het leuk om te doen! Ze gaat heel graag met mensen om. Collega’s noemen haar een mensenmens. Lienelien stopt het papiertje van de Mars in haar buidel en stapt met opgewekte armgebaren, die je normaal gesproken voor een partijtje huppelen reserveert, de trein in.

‘Hallo allemaal!’ Klinkt het uit de luidsprekers. Het is Lienelien. Doordat ze haar mond te dicht bij de ontvanger houdt, klinkt haar stem in de coupés schel en luid. ‘Ik ben Lienelien!’ De trein slaakt een wanhopige zucht. De conducteur heeft zeker zijn dochtertje meegenomen, denkt een enkeling. Lienelien is van de railcatering, weten de zuchters. ‘Ik ben Lienelien en ik ben van de railcatering’, bevestigt Lienelien. ‘Als u zin heeft in een lekker kopje koffie, een lekker kopje thee, een lekker kopje warme chocomel, een lekker fris colaatje, een lekker koud biertje, een lekkere gevulde koek, een lekkere Ma… Snickers, een lekkere rol pepermunt of een lekkere rol stophoest, dan kunt u die bij mij bestellen. Ik ben er in enkele ogenblikken. Tot zo!’ Dag, Lienelien, tot zo.

In het tweede treinstel zit een ouder echtpaar. Ze zitten eerste klas, want hij heeft een voordeelkaart voor de eerste klas. Lekker rustig, weten ze uit eerdere prettige ervaringen. Ze zijn op weg naar een begrafenis van een goede vriend. Voor Lienelien is iedereen hetzelfde en voor Lienelien heeft iedereen recht op een fijne, onbezorgde dag. ‘Goeduh… morgen, mevrouw, meneer! Een lekker dagje eruit, vandaag?’ ‘Nou, dat is niet helemaal het geval’, zegt de man. ‘Oh’, zegt Lienelien, ‘ook prima, toch?’ De vermoeide ogen van de vrouw gaan een paar seconden dicht. De man knijpt in haar hand; hij loodst haar door dit pijnlijke moment. Voor Lienelien bestaan er geen pijnlijke momenten. ‘Kan ik u met iets verblijden?’ Vraagt ze. De blauwe strik wappert van haar tomeloosheid. ‘Niet? Dan wens ik u een heel fijne dag samen!’ En vrolijk banjert Lienelien verder.

In Nijmegen zit Lieneliens reis erop. In het kleine kamertje wacht haar baas op de portefeuille en haar werkkleding, inclusief blauwe strik. Als Lienelien zich heeft omgekleed, is ze weer gewoon Evelien. Haar telefoon wil niet aan. Evelien zegt ‘kut’ en zucht zo hard dat twee passerende mensen omkijken. Het is het oudere echtpaar. Even overweegt Evelien om hun alles uit te leggen, te vertellen over Lienelien. Dan besluit ze het niet te doen. Het gaat niet om haar of om Lienelien. Zeker niet voor deze mensen, en zeker niet vandaag. Ze voelt zich schuldig, al weet ze dat ze slechts haar werk deed. Morgen gaat ze op zoek naar een nieuwe baan.

dinsdag 23 juli 2013

Zwemmen

De zon schijnt door mijn openstaande, enkelglazen raam naar binnen. Het is half tien ’s ochtends. Vandaag wordt het tropisch warm. Aandoenlijk was de trotse twinkeling in de ogen van weervrouw Willemijn Houbert, gisteren, op het journaal. Alsof we het aan haar te danken hadden. Ik kijk routineus op mijn telefoon en zie dat ik ge-app’t – zou je het net zo schrijven als ge-sms’t? – ben. Of ik mee ga zwemmen vandaag. Eigenlijk hou ik niet van zwemmen, iets wat in het diepe van zwembad De Hispohal geworteld is, maar bij dit weer is verkoeling wel erg fijn. Bovendien is het vooruitzicht op beachballen en broodjes met La Vache Qui Rit beleggen een aarzelende duik in de het Maarsseveense meer waard. Ik ga mee.

Op het door bomen begrensde grasveldje liggen ongeveer veertig mensen. Er is plek genoeg; alleen aan het water is het vol. Toch kost het ons moeite onze handdoeken ergens op één van de lege stukken neer te leggen. Een soort behoedzaamheid maakt zich van ons meester: zou de zon hier wel blijven schijnen? Zou de hond van onze achterburen onderweg naar de tennisbal ons kampement ontwijken? Liggen we niet te dicht naast de meisjes die duidelijk geheime informatie aan het uitwisselen zijn?  Nadat één van ons zijn handdoek heeft neergelegd, weten we niet hoe snel we zijn voorbeeld moeten volgen.

Als we gaan liggen nemen we de schade op. Tegenover ons ligt een zon(nebank)gebruinde man met een grote zonnebril en dito buik. Hij steunt op zijn licht trillende armen. Zijn brillenglazen zijn gericht op ons en zijn mondhoeken op de grond. We pakken er gauw een boek bij. Als we af en toe opkijken zien we dat de man niet van houding en (k)ijkpunt veranderd is. Als het een andere man was geweest, hadden we er misschien om kunnen lachen. Nu niet. Dit was niet een man om wie je kon lachen.

In het water zwemt een hond. Dat zal die van de achterburen zijn. Hij wordt geroepen door zijn baasje. ‘Mikey! Kom! Hier! Nu!’ Mikey komt uit het water en schudt wild om zich heen. Hij zegt iets tegen zijn vader. Mikey is boos, misschien omdat hij zojuist als een hond gecommandeerd werd. Zijn vader is boos omdat Mikey niet naar hem luisterde. Ze lopen naar de moeder van Mikey. Die is boos omdat Mikeys zussen niet met zijn allen een ijsje willen halen. Mikeys zussen zijn boos omdat hun moeder niet mee wil lopen om voor hen de ijsjes te bestellen bij de grote, norse meneer in de ijscokar. De familie van Mikey houdt het gauw voor gezien. Ruziënd lopen ze naar hun fietsen.

Als we willen zwemmen, wordt ons de weg naar het diepere deel versperd door twee beachballers. Ze staan ver uit elkaar, waardoor ze een groot deel van de doorloop blokkeren. Ik meen het meisje te herkennen uit café De Voortuin, waar ze werkt. De twee – misschien zijn het broer en zus – lachen overdreven hard bij te korte en duiken als malloten naar te diepe ballen. Wat een uitslovers. Alsof alles om hen draait. We lopen zuchtend om het tweetal heen als ik ineens ook de jongen herken. Lag hij niet op mijn handdoek? En was hij niet degene die ten overstaan van zijn vrienden met veel omhaal paprikachips in een bakje La Vache Qui Rit doopte? Ja, nu weet ik het zeker: dat was hij. Dat was ik.

Ik besluit niet langer meer op anderen te letten en zet schuldbewust een paar stappen vooruit. 

maandag 15 juli 2013

Tafeltennissen

Er zijn weinig dingen die ik liever doe dan tafeltennissen. Zelfs erover schrijven voelt als tijdverspilling. Ik zou veel vaker willen tafeltennissen. Vroeger hadden we een tafeltennistafel, die stond de hele zomer buiten, maar als de zon scheen moest er een kleed over. Boos keken mijn broer dan naar boven – dat was niet de afspraak! Bij de eerste wolk haalden we het doek eraf en de batjes tevoorschijn. Mijn broer wilde met 21-0 winnen, ik zoveel mogelijk onmogelijke winners slaan. Algauw droop de frustratie van onze ingespannen gezichten af. We stopten als alle balletjes (uit boosheid) over de heg geslagen waren.

Op weg naar de Franse of Spaanse camping verheugden we ons op het eindeloos spelen van rond de tafel. Mijn broer was vaak een van de jongere, maar door zijn tennistenue en het bezitten van twee batjes niet te onderschatte deelnemers. Ik was nog eens vier jaar jonger en daardoor niet veel meer dan een duimende voetveeg die van tevoren van iedereen uit medeleven een leven aangeboden kreeg. Met mijn levens op zak rende ik vervolgens in het ritme van de bal tussen mijn twee keer zo lange tegenstanders om de tafel, als een vluchtende kabouter in een enorm bos. Als ik aan de beurt was, gierden de zenuwen door mijn lichaam. Na de eerste ronde ontving ik zelden nog gratis levens. Dit was mij meer waard dan de spaarzame levens die ik zelf vergaarde.

Toen ik iets ouder was, deed ik een keer mee aan een tafeltennistoernooi in Hilvarenbeek. Geen rond de tafel, maar wedstrijden, met sets tot de 21 en drinkpauzes. Een beetje zoals thuis. Ik had me opgegeven voor het Taptoe Tafeltennistoernooi na de gymles op school, omdat de juf het wel iets voor me vond. Ik ging er heen met mijn moeder en een versgeplakt batje. De eerste wedstrijd zal ik nooit vergeten. Ik speelde tegen een jongen van mijn leeftijd. Hij had een serieuze, ondoorgrondelijke blik in zijn ogen en lange stekels op zijn hoofd, die zijn lijzige gestalte iets venijnigs gaven. Hij speelde alles slice en balde na elk gewonnen punt zijn vuist. Ik wist niet wat ik meemaakte. Mijn tegenstander bleek op tafeltennis te zitten. Geen wonder, fluisterde mijn moeder na het laatste punt. Ik verloor met twee keer 21-10, maar kreeg later die dag wel een diploma, dat ik ondankbaar in ontvangst nam, als een echte winnaar.

Tegenwoordig spelen de toernooien zich weer af op campings. Met drie vrienden vorm ik het vaste deelnemersveld. Ons enige criterium voor een geschikte camping is dat er voldoende en goede tafeltennistafels zijn: binnentafels, met een normaal netje, van net, niet van beton. De huisjes mogen verdrinken in lekkages, de campingwinkel mag de meest smerige campingkazen verkopen, de douches mogen op twee kilometer fietsafstand liggen van het zwembad, zolang er maar onder de voor ons noodzakelijke omstandigheden getafeltennist kan worden. Dan spelen we toernooitjes: één tegen één, best of three, tot de 21. We drinken de ene na de andere Aquarius, af en toe haalt één van ons het in zijn hoofd een slice-bal te slaan en bij gewonnen punten ballen we onze vuist. Een beetje zoals op het Taptoe Tafeltennistoernooi. 

zaterdag 13 juli 2013

Rock Werchter 2013: (geen) contact met het publiek

Het was een onvergetelijke ervaring. Niet alleen voor ons, ook voor Passenger, Lianne La Havas, Ben Howard en de zanger van The Script. Woorden kwamen ze tekort om het naar complimenten hunkerende publiek te voeden. Nooit eerder hadden de (wereld)beroemde artiesten in zo’n grote tent gestaan, nooit eerder hadden ze een publiek getroffen dat zo mooi zingen kon en nooit eerder scheen de zon zo mooi als op Rock Werchter 2013.

Aan ons, het publiek, was het de schone taak het oprechte kaf van het babbelende koren te scheiden. Zou Rock Werchter, deze editie in het bijzonder, inderdaad zo’n unieke aangelegenheid zijn voor deze festivalveelvraten? Rock Werchter, het festival met de meest enthousiaste bezoekers, de beste akoestiek en het beste aangelengde bier? Of werd ons een dikke vette, plastieken worst voorgehouden?

Passenger kreeg van ons het voordeel van de twijfel. Hij sprak veel. Later zag ik op Youtube hoe hij op verschillende andere podia exact hetzelfde verhaal verkondigde: over zijn zenuwen en over het feit dat dit optreden toch wel zijn grootste en belangrijkste optreden ‘so far’ – een citaatje voor de betrouwbaarheid – was. Mooi ingetuind dus. Of zou hij het ditmaal gemeend hebben, maar in de korte tijd geen andere uiting hebben kunnen vinden dan de ingestudeerde?

De oprechtheid van Ben Howard stond niet ter discussie. Hij was zichtbaar aangedaan door de uitzinnige zaal en liet dit in verlegen woord en gebaar blijken. Blijkbaar went geadoreerd worden niet, of in ieder geval niet voor iedereen. Ook Lianne La Havas reageerde beduusd op het enthousiasme in de tent. Haar intermezzo’s werden gekenmerkt door een ontwapende spontaniteit; met een aantal ‘Oh dear’s liet La Havas blijken niet berekend te zijn op zo’n enthousiast publiek. Als je er langer over nadenkt, schurkt dat tegen minachting aan. Maar niet bij Lianne, die daarvoor veel te innemend was.

Daniel O’Donoghue van The Script deed allerminst zijn best zijn obligate woorden enige oprechtheid mee te geven. Hij kwezelde op het hoofpodium over love, zijn liefde voor Belgium – de hoofdstad van Brussel – en hoe goed de vibe wel niet was. De veelal 14-/15-jarige, veelal vrouwelijke toeschouwers slikten het voor zoete koek of waren met hun telefoon filmpjes van dit unieke moment aan het maken. Ook als Daniel had gezegd dat hij een vrachtwagen sneldrogend cement over hen zou gooien, hadden ze hem verlamd van aanbidding aangegaapt, denk ik.

En dan was er Jake Bugg. Hij stond in dezelfde ‘amazing’ tent als waarin eerder op de dag Passenger zijn ‘gig’ verzorgde. Maar Jake zei niets over zenuwen, de waarde van dit optreden of over het (weldegelijk) enthousiaste publiek. Hij speelde zijn nummers en alleen als het publiek erg haar best deed, werd ze in binnensmonds Engels bedankt. Als er geklapt werd, keek Jake afkeurend de zaal in, alsof hij zijn grootmoeder zag dansen op één van zijn meest dierbare nummers. Hij zette tijdens zijn weergaloze solo’s een gezicht op dat die weergaloosheid onderstreepte. En Jake lachte slechts één keer, om iets wat alleen Jake Bugg begreep.

Conclusie: er bestaan grote verschillen in het contact tussen artiest en publiek. En: het is nooit goed. En: wat was het goed! En daarom: wat maakt het eigenlijk uit. Snel vergeten, dit stukje.

dinsdag 2 juli 2013

Persconferentie op school

‘Dag dames en heren, welkom op de jaarlijkse persconferentie hier in Wageningen. Zojuist,  nog geen half uur geleden, is recht boven mij, in de lerarenkamer van Pantarijn, de klassenindeling voor het schooljaar 2013-2014 bekendgemaakt en zoals gebruikelijk doen wij live verslag van de persconferentie die naar aanleiding daarvan wordt gehouden. Dit jaar zal Mike Louwman het docentencorps vertegenwoordigen. Louwman is een beginnend docent Nederlands. Hij neemt volgend jaar vier klassen of minder of meer voor zijn rekening; hoeveel precies is nog niet uitgelekt. Wel is uitgelekt dat de persconferentie dit jaar in het teken zal staan van geheimhouding. Of Louwman van plan is zich daar aan te houden is dan weer niet uitgelekt, maar we zijn hard bezig dat boven water te krijgen.

‘Ja, goedemorgen meneer Louwman, de naam is Ted van Bemmelen, van Onderwijsneus: meneer Louwman, ik begreep dat u komend schooljaar niet alleen lesgeeft, maar ook een mentoraat voor uw rekening neemt. Wat is daarvan waar?’ ‘Daar is niets van waar.’ ‘Dus u doet het niet?’ ‘Daar is ook niets van waar.’ ‘Dus u doet het wel?’ ‘Nee, maar ik kan het ook niet uitsluiten.’ ‘Als ik daarop mag aansluiten… Michiel Marsmeijer van het weekblad Antwoord: als u mentor wordt, wat voor een mentor wilt u dan zijn? Heeft u daar al over nagedacht?’ ‘Ja.’ ‘Dank u wel.’

‘Ja hallo, ben ik te verstaan? Ja? Mooi. Fanny Rolmops, Koninklijk enkelvoud: ‘Mike, mag ik trouwens Mike zeggen?’ ‘Daar laat ik me liever niet over uit.’ ‘Waarmee moeten je leerlingen je eigenlijk aanspreken?’ ‘Is dat uw vraag?’ ‘Eh, ben je bereid er meerdere te beantwoorden?’ ‘Daar laat ik me niet over uit.’ ‘Ja, dat is mijn vraag.’ ‘Daar laat ik me niet over uit.’ ‘Oké, een andere vraag dan.’ ‘Ik beantwoord maar één vraag.’

‘Goedeeeee… morgen, hier Dennis Anker van Aanminderen, een tijdschrift over mensen met een serieuze tot vergevorderde vaarverslaving: klopt het dat u onlangs met collega’s in Friesland bent geweest? Om te varen? Op een schooldag?’ ‘Dat klopt.’ ‘Wat precies?’ ‘Dat.’ ‘Dat varen?’ ‘Nee.’ ‘Dat in Friesland?’ ‘Nee.’ ‘Dat op een schooldag?’ ‘Ja, dat.’ ‘Dank u wel.’

‘Mike, kanjer, wat heerlijk om weer eens een jonge docent met zo’n gezonde Hollandse kop een vraag te kunnen stellen.’ ‘Mag ik vragen waar ik u van kan kennen?’ ‘Van de televisie, denk ik, van mijn reisprogramma. Dan ga ik op pad om te integreren in andere culturen. Man, dat is zo mooi om te doen. En wat een heerlijke mensen die ik er tegenkom. Echte kanjers zijn het. Daarmee kom ik direct op mijn vraag: hoeveel kanjers heb jij volgend jaar in de klas?’ ‘In welke klas?’ ‘In de klassen die je hebt.’ ‘Welke klassen heb ik?’ ‘Dat weet ik natuurlijk niet.’ ‘Dan weet ik ook niet hoeveel kanjers daarin zitten.’ ‘Geen probleem. Bedankt voor deze fantastische ervaring. Man, wat heerlijk is het om met jonge mensen te werken!’


‘Hiermee ronden we de persconferentie af. Als er nog vragen zijn, stel ze alstublieft niet. Mochten er dingen duidelijk geworden zijn, dan is dat uw verdienste geweest. Tot volgend jaar.’