donderdag 21 februari 2013

MSN

MSN-taal. Dat zei ik. MSN-taal. Ik had rekening gehouden met allerlei reacties of het gebrek eraan, maar dit had ik niet zien aankomen. De klas barst in lachen uit. ‘Dat bestaat niet meer, meneer!’ Roept een leerling. ‘Wat? MSN-taal?’ ‘Nee! MSN! MSN bestaat niet meer’. Ik kan mijn oren niet geloven. MSN bestaat niet meer? Er wordt wederom hard gelachen. ‘Echt al jaren niet meer’, wrijft een andere leerling het erin. Ik lach besmuikt mee, terwijl ik broed op een synoniem. Dat had ik beter niet kunnen doen. Na ‘sms-taal’ is de les ten dode opgeschreven.

MSN kwam tegelijkertijd met mijn buitenboordbeugel: in de eerste klas installeerde ik het programma op mijn computer. Mijn e-mailadres was bugsbruggink@hotmail.com en om die reden heette ik Bugs Bruggink – naar één van mijn favoriete PSV’ers Arnold Bruggink, of naar één van mijn favoriete Looney Tunesfiguren Bugs Bunny. In het begin had ik maar een paar vrienden. Ik was er vroeg bij, maakte ik mezelf wijs. Om altijd te kunnen zien wie van deze paar vrienden online waren en om zelf te bepalen wanneer ik dat was, was mijn status altijd afwezig. In de praktijk was ik vaak het tegenovergestelde van afwezig: dan zat ik doodstil achter de computer, alert op alles wat op MSN kon gebeuren.
Toen de vrienden langzaam toenamen, deden de verschillende MSN-namen dat ook. Ik zag op het scherm regels uit songteksten en levensmotto’s verschijnen, omringd door veelbetekenende symbolen en smileys. Het waren vaak gewichtige boodschappen, die niet helemaal strookten met de Mr. Beanagenda’s die naast de MSN’ers op de bureaus lagen. Maar aan die wetenschap had ik niets; Bugs Bruggink verbleekte bij alle filosofische wijsheden en dus moest er een andere naam komen. Ik koos een regel uit een nummer van The Streets: iets over climbing the ladder. Ik had geen idee wat het betekende, maar de regel viel niet uit de toon bij de andere en daar ging het om. Ik plakte er drie puntjes achter om de naam wat extra lading te geven…
Op school merkte ik dat MSN er niet voor niets was. Ik ging steeds meer de behoefte voelen om dingen te bespreken, mogelijk omdat ik steeds meer dingen meemaakte, maar waarschijnlijk omdat er overal op school door iedereen van alles besproken werd. Die gesprekken gingen nog wel eens langs me heen, maar op MSN haalde ik deze gespreksachterstand dan in door honderduit te klagen over leraren, zonder enige aanleiding nieuwe liefdes te voorspellen of te bemiddelen in ruzies die er eigenlijk niet waren. Het leven kreeg wat meer diepgang, concludeerden we, op MSN. Doordat niemand met een MSN-naam als Bugs Bruggink hier tegenin durfde te gaan, heb ik pas recent ontdekt dat dat eigenlijk wel meeviel.
Behalve toen ik ging MSN’en met een heel leuk meisje. Elke dag. Met haar MSN’en werd een even zenuwslopende als belangrijke bezigheid. We spraken af om op bepaalde tijden te MSN’en. Dan zorgde ik ervoor dat ik op offline stond – een recente ontdekking – en dat ik een paar uur niets anders te doen had. Vanaf de begroeting werd elke zin het resultaat van veel wanhopige pogingen er één te schrijven. Alles moest ertoe doen. Op een dag schakelden we over op geheimtaal; dat hielp iets. We durfden nu te schrijven dat we elkaar leuk vonden. Soms zetten we de webcam aan en zwaaiden we. Het hielp allemaal niet veel, want als we elkaar op school tegenkwamen, liepen we nog altijd in een verlegen boog om elkaar heen. Toch maakte dat niet veel uit: we hoefden onze virtuele verkering niet in het echte leven te bewijzen.
(L):(:@Liefuh MSN, kga je missuh... R.I.P.:(:@(L)

zondag 17 februari 2013

De beschouwingen beschouwd

Mijn bed heeft zich verstopt onder een bladerendek van bouwplannen, bronnen, samengevatte bronnen en daarop gebaseerde beschouwingen, geschreven door mijn – mag ik dat zeggon? –  derdeklassers. Als ik goed kijk zie ik een enkele snelhechter, maar de meeste papieren zijn met een nietje of niet samengevoegd. Het is een gigantische bende en ik heb geen idee waar ik moet beginnen.

Ik besluit alles waar dezelfde naam op staat een eigen plek op het bed te geven. De laatste paar namen die voorbijkomen zitten tweede rang, op het voeteneind, het zij zo. Vervolgens loop ik de pakketten op alfabet af. De controle bestaat uit een korte blik op de bronnen, een wat langere blik op de samenvattingen, een grondige blik op het bouwplan en een minutieuze bestudering van de beschouwing. Na twee controles ben ik evenzoveel uren verder. Ik heb nog geen idee wat de cijfers worden. Eerst maar eens wat eten.

De dag erop heb ik spierpijn in mijn schrijfarm. De commentaren, veelal over de wat wollige formuleringen, hadden bondiger gekund. Ik kijk naar mijn bed, waar de nog niet bedeelde stapels op hun beloning wachten. Nog elf. De spanning is er grotendeels af. Weer dat ene onderwerp, weer een congruentiefout, weer de gedachte aan hoe ik dat in de les ga uitleggen: een congruentiefout.  “Je moet uitgaan van een aantal en niet van appels.” “Waarom is dat?” “Je moet uitgaan van een aantal en niet van appels. Vragen?” De laatste beschouwing ligt al bijna de hele dag op bed – hij wel.

Ik pak de lijst erbij. De beschouwing is geschreven door iemand met dyslexie. Ik schenk mezelf nog een kop thee in. De tekst is, zo zie ik direct, met overgave en enthousiasme geschreven. De woorden dansen op het papier, alleen vrijwel nergens in de maat. Het lijkt alsof er een bom aan letters is ontploft. Het is aan mij om de bedoelde coherentie erin te ontdekken. Ik krijg het niet voor elkaar. Dat ligt aan mij, want de leerling is dyslectisch; hem mag ik niets aanrekenen. Dat het cijfer dat ik hem moet geven in de verste verte niet strookt met zijn prestatie en de beheersing van de taal, moet ik voor lief nemen. Het is over middernacht en mooi geweest.

donderdag 14 februari 2013

Eerste competitiedag

Het is kwart voor zeven. Over anderhalf uur gaat mijn wekker, maar ik ben al een tijdje wakker. Mijn hart bonst in mijn keel. In mijn tennistenue kijk ik naar een aflevering van Alfred Jodokus Kwak die ik al ken. Het is een enge aflevering, met een hoofdrol voor Krabnagel de Kater. In haar mand blaft onze hond Chanda een nare droom weg. Ik zet de tv uit en loop naar de keuken. De boterham met pindakaas die ik smeer gaat in veel etappes en met veel moeite naar binnen. In mijn hoofd speelt de wedstrijd zich af, punt voor punt. Ik win nipt, in drie sets.

Eindelijk is het tien voor negen. Mijn fiets staat al voor de deur. Ik zwiep mijn tennistas over mijn schouder en zeg mijn ouders gedag. Ze komen kijken. Het wordt vast een spannende wedstrijd. Ik rijd zo hard ik kan naar de club. Onderweg kom ik mijn trainer tegen. Misschien komt hij ook wel kijken. Ik rijd het laatste stukje uit het zadel en rem zo hard dat mijn fiets slipt. Niemand ziet het. Binnen wordt mijn naam genoteerd op het wedstrijdformulier. Ik mag zelf mijn handtekening erbij zetten. Onze oudere tegenstanders kijken ons vanachter de aangrenzende tafel neerbuigend aan.
De wedstrijd is helemaal niet spannend. In het eerste deel gaat het gelijk op, in het tweede deel is mijn tegenstander veel beter. Ik verlies, maar mijn ouders en broer zeggen dat ik goed gespeeld heb. Ze moeten wel, denk ik, maar misschien was het ook wel zo. Mijn tegenstander laat de baan vegen door zijn zusje. Dat vind ik maar niks. Ik neem me voor altijd mijn eigen baanhelft te blijven vegen, ook later, als ik een beroemde proftennisser ben. De moeder van mijn tegenstander buigt zich over het hek en spreekt bemoedigende woorden. Ze vraagt wat ik wil drinken. Ik lust wel een ranja.
Vier ranja’s later zijn mijn consumptiebonnen op. Mijn vriendjes hebben hun wedstrijden ook verloren. Eén van hen kan dit moeilijk verkroppen. Met een vuurrood, betraand hoofd stampt hij de kantine binnen. Zijn tegenstander speelde de hele wedstrijd vals! Boos gooit hij zijn consumptiebonnen op de bar; die hoeft hij niet meer, hij gaat naar huis. De barman, zijn vader, probeert hem tegen te houden, maar voordat hij achter de bar vandaan gekomen is, zit zijn zoon al op de fiets. 

Van de bonnen kopen we een Speedy, tien banaantjes in een plastic bekertje, een snoepzak met taaie dropsleutels en een rare ufo met poeder erin, nog een ranja en een zakje chips. Terwijl we ons hieraan tegoed doen kijken we alle drie dromerig en tevreden naar buiten, niet wetende dat twee van ons daar over vijf minuten verwacht worden voor de dubbelwedstrijd. We hebben nog nooit een dubbelwedstrijd gespeeld. Zou dat met twee ballen zijn? De andere dubbel gaat niet door, wegens een boze teamgenoot die naar huis is. Het is onze eerste competitiedag.

zondag 10 februari 2013

Dierbare beperkingen

De zesenzestigste daghap schrijf ik op een nieuwe laptop. Het moest er een keer van komen. De nieuwe laptop is een lease laptop van school, met alles erop en eraan. Mijn oude had ademhalingsproblemen en lag permanent aan de cooler. Ik gaf hem nog een paar maanden. De nieuwe ademt gelijkmatig en zelfstandig en heeft een functionerende n-toets. Ik voel me bevrijd, maar ook onteigend. Ik was gehecht geraakt aan de papieren propjes die ik om de zoveel tijd op de krater plakte die de n-toets had achtergelaten. Nu heb ik een laptop waaraan niets mankeert.

Op vergelijkbare wijze hield ik van de Facebookbezoeken waarbij ik een keer of tien op ‘vernieuwen’ moest drukken voordat alle berichten van de laatste dagen in beeld verschenen. Ik schrok me dood toen Facebook direct in al haar glorie getoond werd. Ik kon er niet goed mee omgaan. Facebook was voor mij een belofte geworden, een geleidelijke vervulling van mijn bijna exploderende zucht naar ditjes en datjes. De nieuwe weergave leidde tot een digitale vraatzucht die zijn weerga niet kende.

Een andere beperking die langzaam is uitgegroeid tot een dierbare gewoonte is het douchen in de keuken. Het geluid van kletterend douchewater is voor mij inmiddels net zo verbonden aan de keuken als het geluid van kokend water in de pan. Douchen in een badkamer zou voor mij degradatie betekenen, een teruggang naar het voorspelbare leven in gescheiden domeinen. Nu kan ik naar de keuken lopen en onderweg besluiten wat ik ga doen. Wordt het soep of shampoo? Wordt het een verstopt doucheputje of een verstopte gootsteen? Die vrijheid zou ik voor geen goud willen inleveren.

Mijn vloerbedekking hoort ook in dit rijtje thuis. Mijn vloerbedekking is oud en gerimpeld. Daarom probeer ik hem een beetje te ontzien, door bijvoorbeeld niet over hem heen te rijden met mijn bureaustoel waar af en toe de rugleuning uit valt. Mensen adviseren corrigerende vloermatten, maar ik ben blij met mijn vloerbedekking zoals hij is. Ik til met alle liefde mijn bureaustoel over de gevoelige plekken en als ik stofzuig, trek ik in één beweging alles glad. Dan kan hij er weer even tegenaan. Ik zie huizenhoog op tegen het moment dat mijn vloerbedekking op andere plekken loslaat, de dag dat er nieuwe vloerbedekking voor de deur staat.

Eén van mijn boxen staat in een koffiekopje. Ik hoop dat dat nog lang zo mag blijven.

dinsdag 5 februari 2013

Als docent (2)

Ik voel me thuis op school. De vraag is: als docent of als leerling?

Op excursie krijgen de leerlingen van de eerste klas een uurtje vrije tijd. ‘Om de stad nog wat beter te leren kennen’, hoor ik een docent hoopvol zeggen. De leerlingen willen maar één onderdeel van de stad beter leren kennen en dat is haar fastfoodproductie. De meeste leerlingen duiken de McDonalds in, een paar leerlingen kiezen voor de KFC, gelegen naast de McDonalds. Zo zitten vijf minuten na het startschot alle leerlingen in een straal van twintig meter zich tegoed te doen aan al het vets dat de stad hen te bieden heeft. Ik twijfel. Wat zal ik eens gaan doen? KFC of de Mac? Het wordt de Mac.

Aan het einde van de dag verzamelen we op het afgesproken punt. De bussen staan er nog niet. Er wordt gevoetbald. Ik wil ook voetballen. Ik doe mee. Een andere docent ook. De andere docent haakt na de eerste goal weer af. Ik niet. Ik zweet. Ik doe mijn trui uit. De leerlingen zijn beter. De bussen komen. Ik wil nog even. We worden gewenkt. Samen met de leerlingen loop ik met tegenzin richting de bussen. Intussen kijk ik in mijn tas naar de bastognekoeken en chocoprinsen voor onderweg. De leerlingen doen hetzelfde. Ik deel uit. Twee aan twee lopen we de bus in.

De volgende dag pak ik, in de klas, een telefoon af. Er werd een spelletje op gespeeld, zag ik aan het verkrampte, op het beeldscherm geplakte gezicht van de speler. Ik kijk naar het scherm. OSM. Online Soccer Manager. Dat speelde ik ook! Als het zou kunnen speelde ik het nog steeds. Het is een geweldig spel. Je bent de manager van een voetbalteam, je vrienden van andere teams. Onderling sluit je overeenkomsten, onderhandel je over spelers en speel je wedstrijden. Het kost me moeite om de telefoon op mijn bureau te leggen – welk team zou de leerling zijn? Aan het einde van de les geef ik hem het toestel terug. Het was PEC Zwolle, en hij moest vechten tegen degradatie. Ik had het met hem te doen, ik kende het gevoel, ik was jarenlang RKC Waalwijk.

De les erop is de eerste les na de pauze. Leerlingen komen met meer spullen binnen dan ze kunnen tillen: broodjes, blikjes, koptelefoons, telefoons, jassen, mutsen, sjaals, komkommers, uitnodigingen,  boeken. Ik zeg dat dat natuurlijk nooit gaat passen, in het krappe lokaal. Dit is zowel grappig als serieus bedoeld. De leerlingen zijn onverstoorbaar: ‘Jawel hoor, meneer, komt goed.’ Ik vraag hen om het binnen allemaal op te bergen. Als de leerlingen de spullen hebben weggestopt, ben ik nog bezig mijn eigen koffiekopjes en boterhamzakjes weg te gooien. Op mijn bureau is een bom ontploft. Net op tijd vis ik mijn contract tussen een stapel antwoordbladen. ‘Meneer, ik ben mijn boek vergeten’, hoor ik vanuit de linkerkant van de klas. Ik kijk in mijn tas en zucht. Ik ben ook mijn boek vergeten.