maandag 22 augustus 2011

Voetbalspellen


Elke zomer schrijf ik me in voor een stuk of dertien online voetbalspellen: poules, toto’s, voetbalmanagers, die categorie. Allemaal spellen die mijn opkomende eredivisiezucht zodanig vergroten, dat ik op een zeker moment vertwijfeld maar noodgedwongen de (meest) recente kampioensdvd van PSV uit de kast trek. Buiten is het 25 graden, als ik Vennegoor of Hesselink twee keer fraai zie scoren tegen RBC. Bij mijn zoektocht naar de meest geschikte spellen, probeer ik er zoveel mogelijk te vinden die gratis zijn, maar waarbij je wel iets kunt winnen. Een beetje als in drie teams tegelijk voetballen zonder contributie te betalen.

Als dat gelukt is, probeer ik deze spellen tot aan het einde van het seizoen bij te houden. Ik heb echter nog nooit iets uitgespeeld. Meestal heb ik tegen oktober meer wachtwoorden kwijt gemaakt dan punten vergaard. De spellen zijn leuk als je veel tijd hebt en nog vol verwachting uitkijkt naar de naderende competitie. Gepromoveerde clubs, getransfereerde of volgens hen zelf onterecht niet getransfereerde spelers, daar zet ik de tv voor aan. Het wordt minder aantrekkelijk als je tussen twee scripties over de deletie van de slot-n door het scoreverloop en opstellingen van de wedstrijd Roda JC-Heracles Almelo moet voorspellen; een wedstrijd tussen teams die al ruim zestien wedstrijden in dezelfde samenstelling spelen en een abonnement hebben op 0-0. Goed voor de winstkansen, slecht voor de motivatie.

Maar, dit jaar wordt alles anders. Ik heb me ingeschreven voor drie online spellen. Het streven was één, maar, net als Foeke Booy, permitteer ik het me deze doelstelling onderweg bij te stellen, naar drie. Op twee ervan ben ik de grip al volkomen kwijt. Dat schiet op. Bij de eerste heb ik direct mijn kansen verspeeld door geen keeper op te stellen. Ik kreeg erg veel goals tegen, zo veel dat ik uitgesloten werd van deelname. De tweede is, zo bleek al gauw, een spel met te veel regels. Ik ben nog in de race, maar dat is puur te danken aan twee keer een middag digitaal beulen. Dat zie ik me geen derde keer, laat staan een vierendertigste keer doen.

Het derde spel kan wel eens het eerste spel worden dat ik tot het einde bijhoud. Het gaat terug naar de basis van voetbal, de uitslag. Deze wordt door ongeveer honderd kenners en een paar duizend kenners met pech voorspeld. Dat is alles. Geen doelpuntenmakers, scoreverloop, aantal ballenjongens boven de 1.50 meter, niks. Alleen de eindstand. Ik sta er goed voor, maak zelfs kans op een prijs. Alleen moet ik me, om hiervoor in aanmerking te komen, wel tegen betaling aanmelden voor BWIN. Vooruit dan maar. Eenmaal aangemeld en beroofd van een dierbaar principe, zie ik op de website staan: ‘De eerste vier speelrondes zijn proefrondes. Vanaf 2 september 2011 speelt u mee voor de prijzen. U start dan weer op 0.’ Ik niet, ik start niet. Ik heb nu al geen zin meer.

maandag 15 augustus 2011

De UIT


De UIT is begonnen. Of de UIT-week, al klinkt dat een beetje als de DSB-bank en elke gelijkenis daarmee is er een te veel. De UIT dus. Vanaf vandaag worden aankomend studenten ingewijd in het studentenleven in Utrecht. Of het leven in Utrecht, want veel meer leven dan studentenleven is er niet. Als ik afstudeer en ik blijf in Utrecht wonen, meld ik me denk ik opnieuw aan als UIT-loper. Om mijn aanstaande toeristenstatus nog even uit te stellen. Misschien ga ik wel bij een vereniging. Iets met alumni, omdat dat best een beetje korporaal klinkt.

In de UIT waar ik aan meedeed was de invloed van studentenverenigingen groot. Dit was de verdienste van alle rondleidingen, praatjes, folders die je opgedrongen werden door hees pratende studenten met ingewikkelde, vergezochte titels. Zij strooiden alle verzamelde aardigheid en overtuigingskracht over de duizenden onwetende studenten uit, in de hoop hen met een vertekend beeld enthousiast te kunnen maken voor het verenigingsleven. Het had resultaat. Je kreeg het idee dat zonder lidmaatschap je studentenleven in een eenzame en kansloze onderneming zou veranderen. Je was nergens welkom, moest aansluiten in een aparte rij in de supermarkt en je fiets werd voorzien van een oranje vlaggetje. Dat iedereen het zag.

Ik moest het allemaal nog zien, al was ik er niet helemaal gerust op; een fiets aanschaffen kon altijd nog. Na de UIT was er van de dominantie van studentenverenigingen echter weinig meer over. Misschien hadden de ontgroeningen bij de nieuwe leden voor enige terughoudendheid gezorgd, was er weinig behoefte om meer mensen daarin mee te sleuren. Of om erover op te scheppen. Hoe het ook zij, ik was er blij mee. Het sociale isolement gold nu eerder voor het verenigingslid en in ieder geval niet langer voor de gewone student. Die was vrij om elke avond te doen wat hij wilde, kon zelf kiezen met wie hij optrok en waarover hij wel en niet sprak. Daar hadden ze in de UIT ook best reclame voor mogen maken.

woensdag 10 augustus 2011

Medewerker van de maand


Het is een van de makkelijkste bestedingen van een (vroege) uitgaansavond: met een paar vrienden een Mac binnenlopen en daar in de rij zuchtend en lachend tegen elkaar zeggen hoe traag en dom het personeel is. Want, het is waar, vaak duurt het lang en nog vaker word je er niet al te doortastend geholpen. Punt is dat dat op tweehonderd andere plekken in de stad ook het geval is. Alleen lopen daar knappe serveersters of tappen er knipogende barmannen. Dat vergoedt een hoop.

Je zal er als gevierde scholier of geslaagde student maar eerlijk voor uitkomen, dat je ver weg wel bewondering hebt voor mensen die dagelijks in de walmen staan van het spul dat bij jou tien seconden na het doorslikken alweer naar boven komt. Dat zou een blunder van jewelste zijn. Je bent een gevierde student of geslaagde scholier en dat houdt in dat je het personeel van de Mac ziet als een verzameling achterlijke niksnutten die het proces vanaf het hamburgers kiezen tot hamburgers eten onnodig en doelbewust vertragen. Pfoeh, daar ging je bijna. Gelukkig is het niemand opgevallen. Toch?

De Mac-jongen die je helpt vraagt je op verdacht vriendelijke toon of de Big Tasty zonder tomaten,  met extra kaas en een apart bakje saus om meteen op te eten is, of dat je het liever meeneemt. Je dreigt even de grip op de situatie te verliezen. Gaat die dwaas je nu ook nog dwingen te kiezen, nadat hij eerst de boel al opzichtig ophield door vier keer je bestelling te herhalen? Gelukkig pak je op tijd de draad weer op. Je moet er toch niet aan denken wat de gevolgen zouden zijn van een dankbaar ‘Een zakje zou wel handig zijn’ of ‘Wat raad je me aan?’ Je recht je rug, schraapt je keel en verkondigt minzaam lachend de gevatte wijsheid waar je de voorbije seconden op hebt zitten broeden: ‘Het is om meteen mee te nemen, ik eet het zo op.’ De jongen draait zich om en haalt zijn schouders op. Hij is deze maand voor de derde keer op rij medewerker van de maand. Dat doet geen enkele klant hem na.

maandag 8 augustus 2011

Sjoelen


Als je er samen met je teamgenoten voor zorgde dat Sauron niet voorbij het eerste vakje kwam waarop een speler stond, had het hele team gewonnen. Het hele team, alle spelers. Van Sauron, een zwarte, vierkante steen met een rode stip in het midden. Sauron kwam dichterbij als het team steken liet vallen, door bijvoorbeeld te weinig ringen, zwaarden of speciale kaarten te verzamelen. Om de vernedering van een dergelijke mislukte missie te vergroten, moest Sauron bij elke gewonnen stap door een van de teamleden naar voren gesleept worden. Hij liet zich naar de overwinning leiden, de kwal.

Avond na avond hoopten onze frustraties zich op. Na elk potje Lord of the Rings was Sauron de mazzelige winnaar, de geslepen valsspeler of de getikte spelmaniak. Bijbehorende verwensingen die, wanneer op een medespeler gericht, voor wat opluchting zouden zorgen, ketsten van zijn stenen lijf af en drongen vervolgens binnen in het rusteloze lichaam van de schelder. Ook wanneer er gewonnen werd, kon de euforie niet op een of meerdere geïrriteerde of verbijsterde medespelers gericht worden. Alle emoties bleven binnenboord. Tot ons groot ongenoegen. We waren er na een aantal keer spelen over uit: een spel waarbij je óf met zijn allen won óf met zijn allen verloor van een stuk steen, daar was geen lol aan.

Net als een heleboel andere spellen trouwens, waar wel medespelers verslagen konden worden. Hoewel onderlinge competitie bij ons thuis een voorwaarde voor een geslaagd spel bleek, was het nog lang geen garantie erop. Een spel dat de ambitie had door ons gespeeld te worden moest tevens eenvoudig zijn, maar ook weer niet zo eenvoudig dat na drie keer spelen alle strategieën op tafel lagen. Het moest daarbij spannend zijn, maar niet zo spannend dat de stand elk moment volledig kon omslaan. Het spel moest een WC-bezoek kunnen verdragen: als de WC-klant bij terugkomst meteen zijn biezen kon pakken, werd het door ons gedecideerd afgeschreven. Tot slot moest er precisie en inzicht bij komen kijken, maar niet zoveel dat toeval helemaal aan de kant geschoven werd. De waan van de dag en de stand van de sterren moesten van enige invloed zijn.

En daarom zijn we gaan sjoelen. Avonden achter elkaar. Indoor en outdoor. Medespelers werden verslagen of hadden achteraf gezien verslagen moeten worden. Sjoelen staat bovenaan de ranglijst der eenvoud, maar laat voldoende ruimte open voor (enigszins) doordachte tactieken en strategisch gegroepeerde stenen. Er kan, wanneer er niet bij anderen afgekeken of met scores gefraudeerd hoeft te worden, vaak en lang naar de WC gegaan worden. Je moet wel in de gaten houden wanneer je weer aan de beurt bent, om te voorkomen dat anderen namens jou gaan gooien en daarmee je winstkansen weg zijn. Wat sjoelen tot het allerleukste spel denkbaar maakt, is de flexibele inzetbaarheid van geluk en kunde. Geluk kan te allen tijde op het bord van de winnaar geschoven worden, terwijl eigen mazzelstenen tot meesterzetten gepromoveerd kunnen worden met een geïmproviseerde redenering vol effectstenen, stootstrategieën en voorbereide treintjes. Elke nederlaag wordt hierdoor verzacht en elke overwinning versterkt. Het enige minpunt van sjoelen: ik verlies. Altijd.

zondag 7 augustus 2011

The Tree of Life


Wij doen niet aan Moederdag. Ook niet aan Vaderdag trouwens, maar op de een of andere manier is dat minder gedurfd. Moederdag niet vieren, daar kies je voor, terwijl Vaderdag vergeten je meer overkomt. Moeders zijn blijkbaar commercieel aantrekkelijker. Of gewoon veeleisender. Mijn moeder is het tegenovergestelde van veeleisend, wat wij thuis graag aangrijpen als excuus om Moederdag te negeren. Bovendien wordt bij ons elke dag als een mogelijke geefdag gezien. Elke dag kan zomaar een Moederdag worden.

Na een incidenteel bosje bloemen en een bescheiden stapel verjaardagcadeaus heb ik mijn moeder vorige week dinsdag voor het eerst meegenomen naar de film. Daarvoor nam ze mij altijd mee. We waren benieuwd geworden naar The Tree of Life. Die zou het worden. En zo zagen die avond een bizarre, pathetische film vol met levensvragen en -wijsheden die door een intens fluisterende stem van veel lading werden voorzien. Beelden van planeten en allerlei natuurverschijnselen overheersten en verwarden. Na twintig minuten keek ik mama hoopvol aan. Ze wilde het nog even aanzien. Anders kwam ik wel erg gemakkelijk van mijn eerste filmtraktatie af.

We hebben uiteindelijk de hele film gezien. Niet omdat het beter werd, maar omdat we daarop bleven hopen. Tegen beter weten in. Om ons heen begonnen mensen zenuwachtig te lachen of geïrriteerd te zuchten op momenten dat Brad Pitts frons zowat onder zijn neus eindigde of de filmmuziek zwaarder dan zwaar nagalmde. We waren kennelijk niet de enigen die de stemming van de film niet (langer) konden verdragen. Wel de enigen die zich daarover niet al tijdens de film opwonden. We hebben het allemaal zwijgend doorstaan, we hebben de film ‘geïncasseerd’. Ook thuis hebben we er niet veel woorden meer aan vuil gemaakt. Voortaan neemt mijn moeder mij weer mee naar de film, klaar.

zaterdag 6 augustus 2011

Plukkers


De steken in mijn buik zakken gelukkig een beetje. Ik vreesde al voor de huisarts. Een bezoek eraan vult in mijn geval vaak een volle dag. Van het reisschema zouden de NS vergelijkbare steken krijgen. De praktijk van de huisarts is gelegen in mijn vroegere woonplaats Hilvarenbeek – de huisarts zelf is vast in de veronderstelling dat ik nog steeds daar woon, om de hoek. Ik ben er al een paar jaar niet meer geweest. In die jaren heb ik een aantal keer overwogen in Utrecht een huisarts te nemen, maar nooit daadwerkelijk de overstap gemaakt.

Net zo eenkennig, of laks, ben ik met kappers en tandartsen. Mijn kapper zit eveneens in Hilvarenbeek en mijn tandarts helemaal in Sint-Michielsgestel, vlakbij Sint-Oedenrode, waar ik tot mijn zevende/achtste jaar woonde. Ik hoereer me lustig door het aanbod supermarkten, kledingwinkels en fietsenmakers, maar deins resoluut terug als er in Utrecht aan me geplukt dreigt te worden. Dan sprint ik naar de eerste de beste snelbus die me naar de vertrouwde plukkers kan brengen.

Dit zijn trouwens niet de minste. Mijn kapster gaat met Nol Havens, de zanger van V.O.F. de Kunst en mijn tandarts heeft in het verleden de gouden tanden van gedetineerden behandeld. Mijn huisarts heeft geen bijzonderheden, volgens mij. De huisarts die in dezelfde praktijk huist wel: ik heb haar zoon nog hockeytraining gegeven. En nu geeft mijn moeder hem Spaanse les. Zo zie je, het is allemaal niet voor niets.

Eigenlijk wel. Ik ben tevreden met mijn tandarts, kapper en huisarts, maar ik zou waarschijnlijk ook tevreden zijn met Utrechtse equivalenten. Keuze zat. Het zou me bovendien minder moeite kosten om erheen te gaan. De zeurende verstandskies zou dan misschien allang verwijderd zijn, net als de zeurende pluk haar in mijn ogen en de zeurende buikkrampen. Voorlopig zeur ik zelf het hardst om drie afspraken op zaterdag te kunnen maken, omdat ik doordeweeks niet eens begin aan een retourtje nostalgie. Volgende week open ik in Utrecht de plukkersjacht.