maandag 31 december 2012

Vuurwerk


Hè gezellig, oudjaar. Ik was al bang dat ik vandaag zelf mocht bepalen wat ik zou willen doen. De commercie schiet gelukkig weer te hulp. Vandaag is de dag van de oliebollen, van De Toppers in concert en van vuurwerk afsteken. Veel vuurwerk. Heel veel vuurwerk. En daarvoor is geld apart gelegd, want wij verkeren in financieel moeilijke tijden, dus dan leg je geld apart voor dingen die er daadwerkelijk toe doen. Noem het primaire behoeftes. Noem het in ieder geval primair.

’s Ochtends om tien uur klinkt het startschot, maar als je een beetje lef hebt, heb je voor de koffie al achteloos een paar rotjes afgestoken. Living on the edge. Wie doet je wat? De politie? Serieus?! Op 31 december is Nederland oorlogsgebied. Het betreden ervan is geheel op eigen risico, ook voor de politie. Zij met lef en zij met vuurwerk maken de dienst uit, zij die enig belang hechten aan hun zintuigen en ledematen blijven binnen en lezen de krant. De boodschappen worden thuisbezorgd.

Ik heb voor een weeshuis tosti’s gemaakt. Mij niet gezien. Dan valt ineens mijn oog op ‘2 meter 41’. De maat staat gedrukt op een verkreukeld briefje dat op de rand van mijn bureau ligt, op het punt om in de prullenbak te vallen. Het is de lengte van mijn toekomstige gordijnen. Het is de verkeerde lengte. Ik kijk naar de voorwaarden: veranderen mag, maar dan wel binnen 24 uur. Ik heb nog een uur. Als ik mijn fiets pak zie ik een jongen van een jaar of elf en een verveeld gezicht iets gooien in de richting van een kat. De kat ziet het ook en verstopt zich doodsbang onder een auto.

Om de hoek word ik opgewacht door een paar andere vuurwerkafstekers. Ze kijken me vuil aan. Ik fiets op hun terrein. Ik belet hen in het onbezorgd rondslingeren van rotjes, honderdknallers, duizendknallers, begrotingstekortknallers. Door mij moeten ze uitkijken in welke richting ze het gooien. Als ik doorfiets maak ik het helemaal bont en zijn ze genoodzaakt om hun wapens voor korte tijd neer te leggen. Met tegenzin en volgens mij zelfs enige vertwijfeling doen ze dat.

In de volgende straat ga ik op zoek naar bondgenoten. Ik probeer een praatje aan te knopen met een vrouw op de fiets die geen vuurwerk afsteekt – het zou wat zijn. De vrouw merkt dat ik niet gewend ben praatjes aan te knopen en fietst door.

Dan ontploft er voor onze neus een enorme vuurwerkbom. De vrouw valt van schrik om, ik van schrik bijna. Om ons heen gaan autoalarmen af. Mijn oren suizen. De vrouw krabbelt op, balt haar vuist en met trillende stem roept ze de bommengooiers iets toe. Die zijn ook op de grond gaan liggen, zo hard moeten ze lachen. Ik help de vrouw op haar fiets en bal mijn vuist niet. Ik doe niets. Vandaag ben ik een indringer op vreemd grondgebied, dus ik kijk wel uit.

woensdag 19 december 2012

Het houten hok


‘Want lieve luisteraars, vergeet niet waarvoor we het doen. Als we onze handen hiervan afhouden komt er elke zes seconde een bekende Nederlander in beeld.’ Het is december van het jaar 2013 als DJ Giel Beelen zich gedurende zes dagen vrijwillig laat opsluiten in een hondenhok van anderhalve vierkante meter. Het hondenhok is gevestigd in de achtertuin van Connie Breukhoven, de enige BN’er  die in het voorgaande jaar niet thuis gaf toen er aan haar deur geklopt werd met de vraag of ze haar imago een boost wilde geven. Vanessa wist dat tegen de door haar geleden imagoschade geen euro’s konden opboksen en besloot daarom af te zien van deelname aan de kermis. Nu, in 2013, geeft ze Giel Beelen onderdak en brengt ze hem tweemaal daags een bak met vers drinkwater.

Giel Beelen sloot op maandag 24 december 2012, daags na de instorting van de aarde, de deuren van het glazen huis. Hij was geknakt. Waar de vorige zes keren hem goed waren bevallen, met alle loftuitingen en een aangesterkte status als bewonderde BN’er, viel deze editie hem zwaarder op de maag dan de glazen voedzame vruchtenshakes waar de heren gewoonlijk met zoveel tegenzin hun lippen aan zetten – medeleven kent zijn grenzen. Giel Beelen was het beu. Elke keer dagenlang met je hoofd vol geweten in beeld verschijnen en dankbaar tientjes in ontvangst nemen, dat begon zijn tol te eisen in de 51 andere weken van het jaar. Giel ging zich steeds meer bezighouden met de oneerlijke verdeling van welvaart over de wereld. Soms voelde hij zich zelfs een beetje bezwaard, bezwaard dat hij de dag van zijn laatste vruchtenshake alweer aan de hertenbiefstuk zat. En dus moest het over zijn; de goede doelen mochten niet zijn onbezorgde luizenleven gaan beheersen.

‘Met een donatie van slechts 1 euro 50 helpt u Gerard Ekdom een Voetbal International te kopen en thuis op de bank te blijven zitten.’ Giel kijkt op en zet zijn microfoon uit. Zijn eerste en laatste gast betreedt het hok. Het is Maurice de Hond, met de eindstand: 663 euro is er opgehaald voor de stichting Geef Nederland een blijvend geweten. Giel is geëmotioneerd. Een innige omhelzing met De Hond volgt: ‘Maurice, met dit geld kunnen we zoveel doen! Eindelijk kunnen we ervoor zorgen dat Youp van het Hek, Waylon, Gers Pardoel, Ilse Delange, Sanne Hans, Patrick Lodiers en Carice van Houten geld aan goede doelen geven zonder daarbij in de publiciteit te hoeven treden. En wat dacht je van al die andere, niet bekende Nederlanders?’ Er valt een stilte. Het volgende moment geeft De Hond met gedragen stem te kennen dat de regering heeft besloten het bedrag te halveren omdat er geen vertegenwoordigers aan het woord zijn geweest. Beelen haalt zijn schouders op en zegt dat op de koop toe te nemen. ‘Ach’, besluit hij, ‘het is ook maar een actie.’

vrijdag 14 december 2012

Mode

De bovenste la van mijn klerenkast klemt. Er zit een shirt vast, een groen slaapshirt. Ik overweeg om het weg te gooien; ik draag het toch nooit en het ligt altijd in de weg.

Toen ik een jaar of acht was kocht ik het shirt. Het was me ongeveer tien maten te groot, wat destijds garant stond voor bewonderende blikken op het schoolplein. Het feit dat mijn korte broek zo’n beetje verdween onder het shirt werd door de afzenders van de blikken beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Ik kijk naar het shirt. Het is een groot, vaalgroen laken, met twee overdreven korte mouwen. De surfer op de voorkant mist een been, waarschijnlijk opgegeten door de wasmachine

In groep acht deed het groene shirt voor het eerst dienst als slaapshirt. In zijn plaats op het schoolplein verscheen Cocu, gedrukt op voetbalshirts van FC Barcelona en het Nederlands elftal. Ik had ook een PSV-shirt, met Kezman, maar piekerde er niet over om die naar school aan te doen. In de klas was bijna iedereen namelijk voor Ajax, uit Amsterdam, de stad waar Brabanders doorgaans zo op afgeven. Over FC Barcelona haalden vriendjes hun schouders op, gelukkig. Cocu was voor hen net zo onbekend als voor mij zwemmen met kleren aan, wat al mijn vriendjes reeds konden.

In de eerste klas werd het tijd om kleding serieus te nemen. Voetbalshirts waren voortaan uit den boze, net als die rare Nike Air Max schoenen waar ik een paar weken eerder nog met zoveel flair op gelopen had. Het draaide vanaf nu om spijkerjacks. Overal hingen spijkerjacks: in etalages, levensgroot in bushokjes en om de smalle schouders van leerlingen op school. Ik kocht een gewoon model, bang als ik was dat ik met stiksels, pads en gebleekte motieven niet met alle spijkerjackdragende klasgenoten door één deur zou kunnen. Mijn spijkerjack had geen kapsones, was gewoon blauw en had een paar decoratieve maar niet in het oog springende knopen. 

Een paar jaar later werd school stom en alles eromheen leuk. Een tussenuur werd gevierd als een vrije middag, waar het meestal ook in resulteerde. Aardbeienmilkshakes, nodeloze rondjes door de stad, voetballen met (eigen) schooltassen, alles was beter dan les. Om dit te illustreren flapten we rond in ongestrikte schoenen, droegen we joggingbroeken en slobbertruien van universiteiten waar het allemaal beter was en hadden we kapsels waar gel noch spiegel aan te pas was gekomen. We deden, kortom, geen moeite om ons aan te kleden voor school. Waarom zouden we ook? Wat dacht school wel? Dat alles om hem draaide? Mooi niet. Het was een hinderlijke onderbreking van onze dag, en dat mocht hij weten ook.

Ik besluit het shirt te houden. Ik heb tenslotte mijn voetbalshirts, spijkerjack, en joggingbroek ook nog ergens liggen. Er wordt aangebeld. Nu al? Ik realiseer me dat ik lang met het shirt in mijn handen heb gestaan. Snel schiet ik mijn schoenen aan… Snel schiet ik mijn schoenen aan. Hallo? Snel schiet ik mijn schoenen aan! Het gaat niet. Ik haal de bovenste veters naar me toe en probeer het nog een keer. Om mijn broekspijpen klemmen elastieken, zodat, als mijn voeten in mijn schoenen schuiven, mijn broek als vanzelf mee verdwijnt. Na veel wrikken lukt het. Tevreden strompel ik naar de deur. Ik moet oppassen dat ik mijn knieën niet te ver buig, want dan schiet mijn broek los. 

zaterdag 8 december 2012

De transfermarkt


Ik ben transfervrij. Al een tijdje. Mijn contract op de vorige school liep af en nu ben ik op zoek naar een nieuwe school. Ik voel me prima zonder school, maar je bent toch docent in opleiding en je wilt toch lesgeven. Het begint weer te kriebelen, het balletje mag weer gaan rollen. Mijn zaakwaarnemer Rob Jansen kijkt voor mij of er scholen interesse hebben. Omdat we nu middenin het seizoen zitten, moet ik het vooral hebben van blessures en van ontslagen. Rob houdt zijn ogen en oren open.

Vorige week had ik een gesprek op een school in de buurt. Rob kijkt vooral rond in de buurt, omdat hij weet dat ik een familieman ben en moeder de vrouw, als die eenmaal aan boord is, liever niet verhuist, zeker met het oog op de kleine. De school in de buurt was moeilijk te bereiken. Omdat ik slechts een schoolloze docent in opleiding ben, moest ik de fiets nemen. De fiets noch ik was uitgerust met een (werkend) navigatiesysteem, dus vroeg ik de weg aan passerende mensen op straat. Als voormalig docent op een school was dat even omschakelen.

Ik werd ontvangen door de vrouw van personeelszaken, die me bij de rectrix en twee docenten afleverde. De rectrix vertelde me waarom ik voor de moeilijk bereikbare school in de buurt moest kiezen. De school had een visie, de jeugdopleiding deugde en het gebouw was uitgerust met de meest moderne apparatuur zodat iedereen op school zich optimaal kon ontwikkelen. Daarbij zaten er al meer dan 1300 leerlingen op de moeilijk bereikbare school in de buurt. Voor hen was de school wellicht iets beter bereikbaar, bedacht ik me, toen ik op de terugweg de hoofdingang ontdekte.

Plotseling werden er vragen aan mij gesteld, over wat ik de school te bieden had en over wat ik zou doen in situaties. Mijn antwoorden zetten de rectrix en haar adjudanten om in een profielschets waarmee zichtbaar mijn geschiktheid gewogen werd. Dit tafereel had iets weg van een ingewikkelde wijnsoort die met argwaan gekeurd werd. Ik voelde de druk toenemen en wist dat alles wat ik zei uitvergroot werd. Het goede gevoel, dat voetballers doorgaans aan gesprekken als dit overhouden, ontbrak vanaf het begin. Er werd voortdurend op mijn helft gespeeld: de belangen van de school prevaleerden boven mijn motivatie en verwachtingen. Heb ik het zo goed verwoord, Rob?