vrijdag 14 december 2012

Mode

De bovenste la van mijn klerenkast klemt. Er zit een shirt vast, een groen slaapshirt. Ik overweeg om het weg te gooien; ik draag het toch nooit en het ligt altijd in de weg.

Toen ik een jaar of acht was kocht ik het shirt. Het was me ongeveer tien maten te groot, wat destijds garant stond voor bewonderende blikken op het schoolplein. Het feit dat mijn korte broek zo’n beetje verdween onder het shirt werd door de afzenders van de blikken beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Ik kijk naar het shirt. Het is een groot, vaalgroen laken, met twee overdreven korte mouwen. De surfer op de voorkant mist een been, waarschijnlijk opgegeten door de wasmachine

In groep acht deed het groene shirt voor het eerst dienst als slaapshirt. In zijn plaats op het schoolplein verscheen Cocu, gedrukt op voetbalshirts van FC Barcelona en het Nederlands elftal. Ik had ook een PSV-shirt, met Kezman, maar piekerde er niet over om die naar school aan te doen. In de klas was bijna iedereen namelijk voor Ajax, uit Amsterdam, de stad waar Brabanders doorgaans zo op afgeven. Over FC Barcelona haalden vriendjes hun schouders op, gelukkig. Cocu was voor hen net zo onbekend als voor mij zwemmen met kleren aan, wat al mijn vriendjes reeds konden.

In de eerste klas werd het tijd om kleding serieus te nemen. Voetbalshirts waren voortaan uit den boze, net als die rare Nike Air Max schoenen waar ik een paar weken eerder nog met zoveel flair op gelopen had. Het draaide vanaf nu om spijkerjacks. Overal hingen spijkerjacks: in etalages, levensgroot in bushokjes en om de smalle schouders van leerlingen op school. Ik kocht een gewoon model, bang als ik was dat ik met stiksels, pads en gebleekte motieven niet met alle spijkerjackdragende klasgenoten door één deur zou kunnen. Mijn spijkerjack had geen kapsones, was gewoon blauw en had een paar decoratieve maar niet in het oog springende knopen. 

Een paar jaar later werd school stom en alles eromheen leuk. Een tussenuur werd gevierd als een vrije middag, waar het meestal ook in resulteerde. Aardbeienmilkshakes, nodeloze rondjes door de stad, voetballen met (eigen) schooltassen, alles was beter dan les. Om dit te illustreren flapten we rond in ongestrikte schoenen, droegen we joggingbroeken en slobbertruien van universiteiten waar het allemaal beter was en hadden we kapsels waar gel noch spiegel aan te pas was gekomen. We deden, kortom, geen moeite om ons aan te kleden voor school. Waarom zouden we ook? Wat dacht school wel? Dat alles om hem draaide? Mooi niet. Het was een hinderlijke onderbreking van onze dag, en dat mocht hij weten ook.

Ik besluit het shirt te houden. Ik heb tenslotte mijn voetbalshirts, spijkerjack, en joggingbroek ook nog ergens liggen. Er wordt aangebeld. Nu al? Ik realiseer me dat ik lang met het shirt in mijn handen heb gestaan. Snel schiet ik mijn schoenen aan… Snel schiet ik mijn schoenen aan. Hallo? Snel schiet ik mijn schoenen aan! Het gaat niet. Ik haal de bovenste veters naar me toe en probeer het nog een keer. Om mijn broekspijpen klemmen elastieken, zodat, als mijn voeten in mijn schoenen schuiven, mijn broek als vanzelf mee verdwijnt. Na veel wrikken lukt het. Tevreden strompel ik naar de deur. Ik moet oppassen dat ik mijn knieën niet te ver buig, want dan schiet mijn broek los.