zaterdag 21 september 2013

De Logopedist

Maandag komt de logopedist. Hij (of zij) blijft de hele dag bij ons, op de opleiding. Op de basisschool kwam er ook wel eens een logopedist langs. Iedereen was bang voor hem. Je moest moeilijke woorden uitspreken en je mocht pas gaan als je dat foutloos deed, als je wesp zei in plaats van weps. Als je bij de logopedist zat, had je op bepaalde dagen een twee keer zo korte middagpauze en twee keer zoveel huiswerk. Voor iedereen had het daarom de hoogste proriri … prireiti … pori … prio … nou ja dat het belangrijk was om goed uit je woorden te komen. De verhaspelingen liet je voor de schrijfopdrachten; van dyslexie had nog niemand gehoord.

Door een behoorlijke overbeet sliste ik een beetje. Hierdoor behoorde ik onmiskenbaar tot de risicogroep pauzeverkorting. Toch ben ik altijd uit de greep van de gemene logopedist gebleven. Omdat ik een harde stem had en die naar hartenlust gebruikte voor de andere vijfentwintig letters, viel de behoedzame en moeizame uitspraak van de ‘s’ behalve mij vrijwel niemand op. Misschien zou die overbeet behalve mij ook niemand opvallen, dacht ik vervolgens, het succes van het onopgemerkt slissen nog vers in het geheugen. Dit was een paar jaar voordat de orthodontist hier met drie verschillende beugels drie duidelijke strepen door zette.

Op de middelbare school hebben we de logopedist niet meer teruggezien. Blijkbaar kon daar iedereen zich verstaanbaar maken. Dat gaf vertrouwen, zoveel dat op het schoolkamp onbevreesd de proef op de som werd genomen. In het platste Brabants dat ik ooit had gehoord en gesproken verkenden we de grenzen van de verstaanbaarheid. Ik hoorde mezelf dingen zeggen die op de basisschool een regelrechte gang naar de logopedist hadden betekend. Het voelde bevrijdend om verbaal en vocaal ongegeneerd uit de bocht te kunnen vliegen.

Ook in Utrecht, tijdens mijn studie, ben ik geen enkele keer een logopedist tegengekomen. Het had ook niet gehoeven: de dagelijkse praktijk zat vol logopedische ervaringen. Om me heen hoorde ik letters en woorden, uitgesproken op manieren die ik niet of alleen van de televisie kende. Van de weeromstuit begon ik sommige vormen over te nemen. Mijn accent trok zich onbewust en langzaam terug en maakte plaats voor een mengelmoes van dialecten en interpretaties van het ABN. Ik klonk in geen enkel opzicht meer als iemand uit Brabant. Dacht ik.

Vorige week, de eerste week op school, vroegen leerlingen uit mijn nieuwe klassen hoe oud ik was en waar ik woonde. Ik zei ’25 en in Utrecht’, of iets in die trant. Leerlingen waren verbaasd. ‘Dachten jullie jonger? Of juist ouder?’ vroeg ik. ‘Nee’, antwoordden ze, ‘we dachten BelgiĆ«, of Limburg, ofzo.’


Onder maandag staat nu in mijn agenda: ‘korte pauze, veel huiswerk’.