maandag 20 augustus 2012

Tattoo

Buiten, op een bankje, zit een man met een hoed. Hij kijkt naar zijn schoenen. Zijn oogleden hangen als luifels over zijn ogen. Hij heeft zijn best gedaan, maar dat heeft niets uitgehaald. Het bankje waar de man op zit is eigendom van een tattooshop. Binnen ervaart zijn dochter de masochistische pijn van het betatoeëerd worden, terwijl de man schrikt van een paar benen dat hij herkent van het werk. Snel trekt hij de hoed wat verder over zijn hoofd. Hij denkt aan zijn dochter. Toen ze een jaar of vier was plukte ze wel eens bloemen voor hem. Zomaar. Nu heeft ze een madeliefje op haar enkel. Zomaar.

Ik loop voorbij het bankje met de man en de hoed. Ik denk aan mijn ouders, die zich wel eens met overslaande stem hebben verzet tegen een plaktattoo van Kellogs Cornflakes op mijn wang, die ik met veel extra spuug had weten aan te brengen. Ik denk aan de hoed die mijn moeder zou opzetten als ik een tattoo zou nemen. Ze zou voor geen goud op dit bankje gaan zitten. En ik denk aan de trekken op mijn vaders gezicht, het stadium van de verbazing ver voorbij. Hij zou me elk jaar een coltrui voor mijn verjaardag geven. En een A4’tje met een levensgroot vraagteken.

Misschien is het dat vooruitzicht dat me ervan weerhoudt mijn naam in Chinese tekens op mijn kuit te laten zetten. Maar ik denk het niet. Ik heb zelf ook niks met tattoos; en dan vooral niet met initialen van familieleden of vrienden op mijn arm of een traantje bij mijn oog omdat ik ooit per ongeluk een klasgenoot een blauw oog heb gesoftbald. De symboliek heeft nog wel iets, maar ik zie het niet zitten om die uit te dragen, en zeker niet op zo’n manier. Belangrijke gebeurtenissen en personen uit mijn leven wil ik niet in de vorm van een donkerblauw alfabet blootstellen aan de ogen van voorbijgangers die misschien net een gezinszak loempia’s achterover hebben gewerkt.

Een afbeelding van drie pingpongballen met de kapsels van Gullit, Rijkaard en Van Basten – gewoon, zomaar – is wat dat betreft meer iets voor mij. Maar dan wel op een papiertje, om af en toe grinnikend naar te kijken en het daarna als een uitgewerkte grap in de prullenbak te gooien. En niet om elke ochtend samen mee onder de douche te staan, totdat ik er op een gegeven moment tegen ga praten. Toch ben ik blij dat sommigen die schroom niet voelen, en zonder gewetensproblemen hun overwinning tijdens de Heukelomse tafeltenniskampioenschappen op hun elleboog laten vereeuwigen. Ik kijk daar graag naar. Zij hebben echter hun leven lang iets uit te leggen. ‘Waar staat die voor?’ En: ‘Waarom niet iets met meer diepgang?’ De twee meest onterechte vragen over een tattoo. Ik zou meteen de setstanden erbij laten zetten.

woensdag 1 augustus 2012

Zwarte woensdag




Zwarte woensdag, de dag waarop de Nederlandse sportfan zijn voorlopig rampzalige sportzomer zou zien opgaan in een oranje-gouden gloed, is voorbij. Gelukkig. Ik kijk er nooit naar uit, naar zwarte woensdagen. Ze beginnen altijd hoopvol, maar lopen dan zomaar uit op een deceptie. Ik heb het met eigen ogen kunnen zien. Je bent beter af met een zwarte zaterdag. Van zwarte zaterdag weet je tenminste dat het neerkomt op een aaneenschakeling van persoonlijke drama’s, zwarte woensdag is op dat gebied nog niet uit de kast gekomen. Roze maandag staat te popelen om daarvoor te zorgen.

Hoe zwart de woensdag ook was, ik heb hem uitgezeten, en om eerlijk te zijn niet zonder plezier. Ik heb Britse roeisters aangemoedigd die ternauwernood hun voorsprong wisten te behouden, ik heb gezien hoe vier Belchinezen met badmintonrackets naar huis gestuurd werden en ik was getuige van een onvervalst koekje van eigen deeg, toen brulaap Bas Verwijlen in de tweede ronde op bravoure verslagen werd en met de degen tussen de benen afdroop. Alles zou wijken voor goud; daar heeft welgeteld één schermer, nummer 78 van de wereld, aan meegewerkt. Dat is nog eens wat je noemt een missie.

Maar vooral heb ik sporten gezien waarvan ik me enkel het bestaan bewust was. Dat er bij judo gegoocheld wordt met straffen en golden scores heb ik wel eens meegekregen, maar dat er twee bronzen medailles te verdelen zijn wist ik niet – zouden er daarom zoveel Nederlanders meedoen? Evenmin kende ik het ritueel bij zwemwedstrijden om, als voorprogramma, twee of drie exotische klunzen te water te laten. Hun tijden worden genoteerd, maar dat is niet meer dan een formaliteit. In wezen verzorgen ze het opwarmnummer, schotelen ze het publiek wat doldwaze comedy voor. Chique hoor. De Olympische gedachte is vast opgegeten door onze eigen ‘kanjerwatcher’ op de tribune, wier chauvinisme nog altijd even onnvoorwaardelijk als onuitstaanbaar is. Dat ze haar tien minuten voor aanvang het water in gooien.

Wat me ook opviel waren de verschillende manieren van (on)sportiviteit, gekoppeld aan de verschillende sporten. De Olympische Spelen kunnen niet voorkomen dat in de vier tussenliggende jaren elke sport zijn eigen wetten en gewoonten ontwikkelt. Zo is het bij tafeltennis gebruikelijk om je na elk gewonnen punt – per wedstrijd zijn dat er zo’n tachtig – te gedragen alsof je zojuist tafeltennisgeschiedenis hebt geschreven. De vuist gaat de lucht in, er wordt oogcontact gezocht met zowel de tegenstander als de coach en er vliegen kreten in het rond die in een in het Chinees nagesynchroniseerde aflevering van Jerry Springer niet zouden misstaan. Ook hier heeft de Olympische gedachte het niet lang volgehouden.

De Olympische gedachte is uitgeweken naar het beachvolleybalveld, waar overenthousiaste spelers elkaar om de tien punten (kantwissel) een hand en een knipoog geven en waar er meer gelachen wordt dan de vele jaren training rechtvaardigen. Misschien heeft het ook iets te maken met de merkwaardige combinatie van slagregen en in je bikini op een zandveld rondrennen. Toch is het een leuke sport om naar te kijken. Het ziet er spectaculair, leuk en licht uit, waarvan het laatste een prestatie op zich is. Ik weet er het fijne niet van, maar staan de zaalvolleyballers niet gewoon met veel te veel spelers in het veld? Er mag immers maar twee keer gepasst worden; de bal mag maar door drie spelers aangeraakt worden. De andere staan een mooie kijksport in de weg. Lozen, die andere drie. Het water in, samen met Erica.

Ook in de manier waarop de winnaar gefeliciteerd wordt vertonen de sporten enorme verschillen. Verschillen die, gezien de wetmatigheid waarmee ze zich manifesteren, schijnbaar een lange voorgeschiedenis kennen. Bij tafeltennis – het zal u niet verbazen – wordt de winnaar getrakteerd op een uitgebluste pengreephand en het zicht op een teleurgestelde kruin. Dat liegt er niet om. Waar het er wel om liegt is in het zwembad, en dan vooral als de vrouwen gezwommen hebben. De winnares gilt en slaat een paar keer op het water, als een soort lokroep aan de anderen. Vervolgens krijgt ze van een paar zelfverkozen concurrenten een harteloze, willoze knuffel. ‘Goed gedaan, meid. Ik zal volgende keer ook mijn best doen.’

Als tennisliefhebber heb ik verguld van trots gezien hoe de tennissers ook op de Olympische spelen een voorbeeld zijn waar het gaat om sportiviteit en sportbeleving. Er wordt gelachen en er worden vuisten gebald, maar op momenten dat het kan of dat het logisch is. Het is in de regel gepast gedrag, oprecht ook en het gaat zelden ten koste van de concentratie van de tegenstander. Na het laatste punt krijgt deze een hoge hand en, in het geval van Federer, een paar goedbedoelde adviezen. Was de wereld maar een tennisbaan.

maandag 30 juli 2012

Angst




Veel mensen willen in hun leven graag nog eens iets doen wat ze eigenlijk niet durven. Angsten overwinnen doet het goed. Je laat aan anderen zien dat je bereid bent om je grenzen te verleggen of op te geven, je laat zien dat je een taaie bent. Ik vind dat een zwaktebod. Waarom zou je iets doen wat je niet durft? En waarom zou dat flink zijn? Ik moet er niet aan denken mijn grenzen te verleggen. Waarvoor zou ik grenzen stellen als ik ze, op momenten waarop ze in het geding zijn, ga verleggen? Wat zijn mijn grenzen dan waard geweest?

Zelf heb ik mijn angst om te vliegen lang aangevochten, en daarmee geprobeerd mijn grenzen te verleggen. Niet per se voor anderen, maar ook niet per se voor mezelf. Nu ik, na jarenlang geëmmer met medicijnen, trucs en afleidingsmanoeuvres, de strijdbijl wat vliegen betreft heb begraven, heb ik des te meer bewondering voor iemand als Dennis Bergkamp. Omdat hij in een eerder stadium, en onder veel grotere druk, zijn grenzen stelde en bewaakte. En daarmee belangrijke wedstrijden en mooie trips aan zijn neus voorbij liet gaan; trips naar mysterieuze steden die hij en ik alleen kennen van de voetbalclubs die er gevestigd zijn.

Maar ook – elk nadeel … – naar Spaanse of Griekse badplaatsen waar je met zijn allen Nederlands praat, dezelfde dingen eet en dezelfde dingen doet. Bungeejumpen bijvoorbeeld. Ik snap niet wat daar leuk aan is, maar ik snap vooral de motivatie niet van mensen die eigenlijk niet willen. Waarom zou je je, na een aantal dagen je helemaal nergens druk om te hebben gemaakt, vol weerzin naar boven laten takelen en vervolgens naar beneden laten smijten? En dat alles voor een XXXL-shirt met ‘I did it’ en een wellustige blik van het meisje van de bungeejump. Op tv – mijn grenzen komen niet overal – zie ik achter elkaar de doodsbange gezichten en bevende ledematen voorbijkomen. De kleur die op het strand met zoveel moeite is gewonnen verdwijnt als sneeuw voor de zon. Maar ze doen het maar mooi.

Terwijl: als dezelfde mensen na de vakanties hun werkende leven in gang zetten of voortzetten, laten ze gewillig hun pas gekweekte branie verregenen door het angstzweet om hen heen. Ze gaan zich dag in dag uit bezighouden met weeralarmen, het gevaar van asbest muren, skimmers, de Mayakalender en trillende kantoorgebouwen. Het worden bange mensen, bang gemaakt door berichten over de kans dat je met factor 50 toch huidkanker krijgt en bang geworden door een gebrek aan weerbaarheid. Deze had in de vakantie gestalte kunnen krijgen, maar viel met 'I did it' mee de afgrond in.

dinsdag 10 juli 2012

Onbegrijpelijkheden


Een verificatiecode moet me de toegang verschaffen tot een site waarop ik de eerste aflevering van een nieuwe serie kan bekijken. Als je tegenwoordig mee wil tellen kijk je series, het liefst zoveel mogelijk tegelijk. Ik doe mijn best. De verificatiecode is onleesbaar, maar dan ook echt absoluut onleesbaar. Ik sla gefrustreerd wat toetsen aan. De code klopt. Ik geloof er niks van. Wat een zinloze onderneming.

Net zoals de bonuskaart. Ik heb me daar al eerder over opgewonden, maar daarna is het alleen maar erger geworden. Als ik nu zonder bonuskaart bij de kassa sta, toetst de caissière direct een code in. De korting treedt dan automatisch in werking. En daar moet ik blij mee zijn, hoor ik aan de toon van de caissière. ‘Ik heb het voor u aangeslagen, hoor.’ Het zal wel, maar ik laat me niet zo makkelijk afschepen. ‘Nee, dankjewel, ik wil graag de volle mep betalen. Kan dat ook?’

Op het terras waar ik twee bier en een portie bitterballen afreken wordt voor het gemak de fooi erbij geteld. Tien procent van zeven euro veertig: vierenzeventig eurocent. Waarom staat daar het woord ‘fooi’ bij? En niet ‘restant van het hierboven nog niet helemaal correct weergegeven bedrag voor twee biertjes en een portie bitterballen’? Want fooi geven op commando bestaat niet. Fooi impliceert een vrijwilligheid die niet vertegenwoordigd kan worden op bonnetjes!

Ook de politie schijnt moeite te hebben met bonnetjes, en dan vooral ze te onderscheiden van rijbewijzen. Negen van de vijfentwintig politiekorpsen straft beschonken fietsers met het innemen van hun autorijbewijs, in plaats van met een boete. Maar de fietsers zitten niet in een auto, dus heeft het rijbewijs niets met het hele voorval te maken. Dat is zoiets als je geliefde een klap verkopen omdat hij voordat jullie een relatie hadden met een ander naar bed is gegaan. Dan zal hij het vast ook wel… Ja, ja, zo ken ik er nog wel een paar.

Zo kun je in de trein de deuren openen, om op die manier op het perron te geraken. En die knop wordt door tientallen vingers tegelijk ingedrukt. Maar nooit op het goede moment! Altijd drie minuten voordat de trein tot stilstand komt. En dan kun je de trein nog niet uit, want dan plons je op het aangrenzende spoor recht in de koffiekan van de onderhoudsmedewerkers. Pas als de trein stilstaat geven de vingers de moed op. Waarom? Dit is juist het moment! Ga ervoor! Druk, Forest, druk!

Misschien heeft het te iets te maken met de verwachte aankomsttijd. Die staat in de sprinters vermeld op een LCD-scherm waarop ook de leugenachtige informatie  weergegeven wordt dat er in de trein verbinding met internet gemaakt kan worden. Het te lezen tijdstip is alleen helemaal niet de verwachte aankomsttijd, het is de aankomsttijd! Immers, hoe kan het dat de verwachte aankomsttijd elke minuut verandert? Een verwachting verandert onderweg niet, dat zou te veel eer zijn. Na de verwachting komt de afwachting, en daar hoort geen gesjoemel bij. Ik verwacht dat ik het daarbij wil laten. 

dinsdag 26 juni 2012

Gio




Maartje Paumens visie op het EK-debacle is de druppel die mijn emmer met meningen over Oranje doet overlopen. Het einde is zoek. Ik heb inmiddels theorieën gehoord over grasmatten, hotels, over opstootjes, kampen, spelersvrouwen, over gehumeurde huisdieren, verkeerd gezette tattoos en ongewassen spinazie in de pasta; ze geven allemaal uitsluitend blijk van de geldingsdrang van de afzenders. Allemaal even overtuigd van hun gelijk, in de hoop later bekend te worden als degene die als eerste de veelbesproken beerput insprong en met de ergste stank terugkwam.

Nu het einde toch zoek is, kan ik er net zo goed een schepje bovenop doen. Als Gerard Joling en Ronald Plasterk het kunnen, kan ik het ook. Mijn theorie is even gezocht als gemeend en nog niet eerder verkondigd. Zeer geschikt daarom om toe te voegen aan de meningendrab, waar hij zich ongestoord kan vermaken met alle verhitte speculaties en ondubbelzinnige stelligheden. Misschien zit er voor mijn mening een samenwerking met een andere mening in het vat; wellicht kan er gelekt worden.

Het sleutelwoord, of beter gezegd, de sleutelnaam, is Gio. Giovanni. Giovanni van Bronckhorst. Gezocht, absoluut. Kijk naar de opstelling van het Nederlands elftal en vergelijk deze met die van twee jaar geleden en zie daar het enige echte verschil: Giovanni van Bronckhorst is vervangen door Jetro Willems. Dus is het wel erg makkelijk om daarnaar te wijzen. Oké, Dirk Kuyt staat er ook niet meer in, maar dat mogen we onder de categorie logica scharen. Zo niet, dan doe ik het, met overtuiging bovendien, dus is het gerechtvaardigd. Jetro Willems is de enige verzwakking ten opzichte van het elftal van 2010. Zou dat nu de hoofdoorzaak zijn? Ik vind het gezocht.

Gemeend: Van Bronckhorst was een goede middenvelder en later een betrouwbare back die op- noch tegenviel bij Barcelona en op latere leeftijd bij het kwakkelende Feyenoord van waarde was. Op EK’s en WK’s  transformeerde Van Bronckhorst echter in Gio en was hij in één klap de beste speler ter wereld. Niets was Gio te gek. Hij verdedigde, verdeelde, dribbelde, demareerde, schoot en scoorde zelfde een keer met het hoofd, tegen de verbijsterde Italianen. Gio voetbalde weergaloos en maakte tegelijkertijd dankbaar gebruik van de onderschatting die hem deel viel. Matterazzi, Thiago Silva, Gallas, ze lachten in hun slagersvuisten om zijn vriendelijke geklets met op hol geslagen fans of journalisten na de training. Daar zou nooit een fatsoenlijke voetballer achter schuil kunnen gaan, zo iemand viel niet serieus te nemen.

Mooi wel. We hebben je gemist, Gio, tijdens dit EK. Geen egotripperij, maar vriendelijkheid als basis voor succes. En een ongekend, ontwapenend enthousiasme. Met een bezwete hand knijp je in de bezwete hand van het spelertje dat met jou het veld mag betreden: ‘Ik vind het ook wel spannend, hoor.’ Voor de wedstrijd neem je de tegenstanders verlegen handenschuddend een voor een in de maling. Er wordt niet naar je omgekeken. Suarez geeft je tijdens de halve finale van het WK 2010 een aai over je bol. Jij haalt je schouders op, bij jou hoeft het haar niet in model te zitten. Ook niet na rust. Even later maak je de mooiste goal uit je leven. Je bent dolblij en juicht uitbundig, maar zonder borstklopperij of ingestudeerde gebaren. Dat laat je over aan de specialisten om je heen. 

donderdag 14 juni 2012

Chanda



In de zomer pas ik een paar weken op Chanda. Ik heb met haar een relatie op afstand: ze is mijn hond, maar we wonen gescheiden van elkaar. Ze is nu vijftien jaar, precies zo oud als ze volgens de vrouw van de kennel zou gaan worden. Daar moet ik maar niet te veel aan denken. Chanda is de liefst denkbare hond en verdient het om geëerd te worden. Een requiem over (hopelijk) een paar jaar ligt voor de hand, maar dat zou suggereren dat er op eerdere momenten niet of nauwelijks aan haar gedacht is. Hierbij wil ik Chanda het tegendeel bewijzen.

Chanda spreek je uit als Tjenda. De naam bereikte mij via Chanda Rubin, tennisster uit de jaren ’90. Ik was in die tijd een groot tennisfan, al verried mijn voorkeur voor Michael Chang de willekeur waarmee ik mijn fanschap bedreef. Chang zou het worden, de naam van mijn aanstaande hond. Toen bleek dat het een meisje zou worden zocht ik naarstig naar een tennisster waarvan de naam op Chang leek. Het resultaat was Chanda Rubin. Na een paar keer oefenen met apporteren, iets wat weggegooide tijd zou blijken, vond ik de naam Chanda mooi, mooier zelfs dan Chang.

Chanda was mijn verjaardagscadeau. Ik werd negen. Het werd tijd voor een broertje of zusje, vond ik. Mijn ouders dachten daar anders over; dat zou niet meer gaan gebeuren. Een hond dan maar. Ook dat idee ondervond de nodige weerstand. Wie zou er voor de hond gaan zorgen? Uitlaten, borstelen, naar de dierenarts voor een prik, het hoorde er allemaal bij en het zou hoofdzakelijk mijn verantwoordelijkheid gaan worden. Had ik dat ervoor over? Ik kende het woord verantwoordelijkheid nog niet en besloot het ervoor over te hebben.

En dus kreeg ik een hond. Ik wilde het liefst een kleine hond en werd daarin gesteund door mijn moeder die geen goede ervaringen had met grote honden (eigenlijk één grote hond). Het werd een Boomer, wat ik ook een mooie naam vond. Een Boomer was een kruising tussen een Maltezer en een Tshi-tzu; ook niet verkeerd. Chanda werd ontvangen met kussens, water en kaas. De eerste nacht piepte ze, waarschijnlijk omdat ze haar moeder miste. We hebben haar daarna zelden op een geluid kunnen betrappen. Daarentegen likt ze onophoudelijk en rent ze per dag vijf minuten als een gek in het rond. Ze is bijna altijd vrolijk, ook als daar weinig reden toe is, tijdens bijvoorbeeld een verkleumende sneeuwwandeling of een nijpend gebrek aan kaas.

Chanda stak ooit vol bravoure een drukke straat over, haar baasje desolaat en met een geknapt riempje achterlatend. Chanda kwam ooit op achteloze wijze terug van een onaangekondigd logeerpartijtje bij een vriendje in de tuin. Chanda maakte ooit, na een nieuwsgierige sprint met kwispelende staart kennis met twee paarden. Chanda kon alles aan. Chanda kan alles aan! Nog vele jaren, lieve Chanda. 

vrijdag 8 juni 2012

Groot of klein scherm?



De bondscoach mag twijfelen over het wel of niet opstellen van Jetro Willems, ik kamp met een dilemma dat vele malen hardnekkiger is. Ga ik morgen de wedstrijd thuis kijken, thuis in Tilburg, bij mijn ouders? Of in de stad, in Utrecht, met vrienden? Neem ik het risico zwaar ontgoocheld tussen hordes uitgedoste Thialfsupporters te staan? Of speel ik de veilige kaart en drink ik, na een eclatante 4-0 overwinning, met enige vertwijfeling een glas spa rood? ‘Op onze jongens!’

Als ik risico neem ga ik in de stad kijken. Mee in de oranje gekte. Met alle gevolgen van dien: negentig minuten lang een boomlange vent voor mijn neus, met een weelderige bos krullen op de plek waar Ibi in beeld zou moeten verschijnen; geen geluid, dus geen commentaar, dus geen idee hoeveel interlands Mark van Bommel nu precies meer gespeeld heeft dan Edgar Davids. Daarbij: gejoel en geklap, ongeacht hoe tergend langzaam het baltempo of dodelijk voorspelbaar het spel van Nederland is. Tot slot het risico dat je zestien minuten pauzeert en zodoende de eerste goal mist – niet alleen Poulsen heeft van dat moment wakker gelegen.

Maar ook de intense vreugde als er gescoord wordt. Alsof alles van die ene wedstrijd afhangt. Sorry, omdát alles van die ene wedstrijd afhangt. En de spanning, die te snijden is, maar die het hoofd geboden wordt door de eensgezindheid die er uit het getier op de scheidsrechter en gefluit naar de tegenstander doorklinkt.  Het is een cliché, het oranjegevoel, maar als het bestaat, huist het in kleine cafés met grote schermen.

En niet in een iets ruimere woonkamer met een beduidend kleiner scherm. Daar wordt het oranjegevoel met alle geoorloofde middelen buiten de deur gehouden. Zo wordt tijdens de voorbeschouwing van Jan van Halst – punctueel zoals (gelukkig) alleen hij dat kan – misprijzend gelachen. Het Wilhelmus doorstaan we met ongeduldig zuchten en als de eerste pass gegeven is, volgt direct de eerste de eerste cynische bespiegeling over de onkunde achterin. Hè, gezellig.

Maar wel meer in de lijn van wat er op het veld gebeurt en wat het belang ervan is. Van de Wiel probeert trucjes uit die hij de volgende dag op Twitter kan zetten, met erachter: #fifa12. Relativering is dus op zijn plaats, omdat we kunnen zien dat de lamlendige wedstrijd onze onverdeelde aandacht niet waard is en horen dat het aantal interlands van Mark zo’n vaart niet loop. En omdat na de kansloos verloren wedstrijd het journaal opgezet wordt en er in de wereld ook het een en ander gebeurd is dat onze onverdeelde aandacht eigenlijk meer verdient.

Maar stel nou dat de wedstrijd met flitsende aanvallen en schoonheden van doelpunten gewonnen wordt? Dan moet ik niet aan relativering denken, dan wil ik alleen maar aan de wedstrijd denken. Oké, en aan de lonkende kwartfinale. Maar nergens anders aan. Wat nou als Nederland weer zulke poulewedstrijden op de mat legt als vier jaar geleden maar ik onthoud alleen dat er in juni in Peru een helikopter vermist was, met daarin één Nederlander? En dat was niet eens een speler van het Nederlands elftal! Onverdraagbaar zou dat zijn.

Ik denk dat ik morgen op mijn kamer begin. Als het 1-0 wordt verkas ik naar de stad en bij 0-1 neem ik snel de trein naar Tilburg. Het is aan het Nederlands elftal.

vrijdag 1 juni 2012

Fietsen naar school




Ik heb een koptelefoon gekocht. Een beschaafde, maar toch: een koptelefoon. Ik zal hier niet beginnen over de voordelen van een koptelefoon, maar geloof ze, die zijn er. Eén van de nadelen, behalve dat de drager eruitziet als een middelbare scholier, is dat de koptelefoon zich geen raad weet met fietshelmen. En laat ik nu, direct na aanschaf, een stuk gaan fietsen. Valse start voor de koptelefoon, laatste kans voor de oordopjes.

Ik fiets met muziek van een hele tijd geleden een route van een hele tijd geleden. De route gaat via Oisterwijk naar Hilvarenbeek en van Hilvarenbeek weer terug naar Tilburg. Het laatste stuk is nostalgisch – nu al. Mijn middelbareschoolroute. Deze start bij de parkeerplaats van Abrahams Bouwmaterialen, waar we elke dag verzamelden. In de eerste klas om kwart over zeven, in de zesde om kwart over acht, of niet – ze bekijken het maar mooi. In de eerste met vier tassen, aan elkaar en de fiets gebonden met dikke spinnen waarmee normaal het IKEA-meubilair in busjes bij elkaar gehouden werd; in de zesde met een flodderige schoudertas met een paar boeken, of zonder – ze bekijken het maar mooi.

Bij Abrahams werd bepaald met wie je zou fietsen; een combinatie van geografische opstelling en tijd van vertrek. Bij een slechte loting kon je nog uit de brand geholpen worden door de delegatie uit Biest-Houtakker, die een eigen vertrek-/aanhaakplaats hadden honderd meter verderop. Had je echter meteen beet, dan was het zaak je partner goed in de gaten te houden door schouder aan schouder te fietsen en onafgebroken sterke verhalen te vertellen. Dat moest je vol zien te houden tot de eerste oversteekplaats. Daar werden eventuele burenruzies opgelost en kon de fietstocht echt beginnen. Een route die in de eerste ongeveer een half uur in beslag nam en in de zesde een tot drieënhalf uur (ze bekijken het maar mooi) duurde.

Ongeveer op de helft bevond zich, plompverloren, een café, of iets wat daarvoor moest doorgaan. Een kapotte schommel illustreerde de vervallen staat waarin het verkeerde. Er was nooit iemand te bekennen, binnen noch buiten op het terras, terwijl in de wijde omtrek geen andere cafés te bekennen waren. Onze eerste ervaringen met vege tekens; je dacht er niet aan een voet binnen te zetten, zelfs niet bij acute dorst, honger of geldingsdrang. Spookverhalen stapelden zich al gauw op en maakten het café tot een mysterieuze attractie en een bron aan inspiratie voor sterke verhalen die de volgende ochtend wellicht van pas zouden komen.

Even verderop lag de wijk Broekhoven. Waar het onheil zich bij het café nog verborgen hield, lag (hing) het in Broekhoven op straat. Wheelyende scooters, schreeuwende locals, drugsdealende kleerkasten, aan alles was gedacht. Bang gemaakt door verhalen over in elkaar geslagen scholieren reden we in de eerste nog wel eens een paar niet veel veiligere straten om, maar naarmate we steeds vaker schoolgenoten heelhuids op school zagen verschijnen, boden we Broekhoven vol aangezette trots het hoofd. En al zagen we dat het allemaal niet zoveel voorstelde, op school beweerden we het tegendeel en hielden zo een tweede mythe in stand.

Als ik Broekhoven uit ben, rijd ik door het centrum naar het huis van mijn ouders. Ik wacht bij een stoplicht, tegenover school. Ik kijk, wat langer dan normaal, naar het gebouw. Niets veranderd, aan de buitenkant. Als ik omkijk zie ik drie jongens op me afkomen. Ze lopen zwijgend langs me de school in. Ze zijn een jaar of veertien, schat ik. Ze dragen alledrie een koptelefoon. 

dinsdag 15 mei 2012

De schouwburggids




De schouwburggids valt op de mat. Sinds de telefoongids verleden tijd is en er nog geen iPads op deze manier bezorgd worden, kan het geluid niets anders betekenen. Ik loop onbeheerst naar de voordeur, pak de gids op en scheur hem uit zijn onterende folie. Op de voorkant staat een wild springende man met een viool in zijn hand en zijn tong uit zijn mond. Als je een 3D-bril op zou zetten zou die er direct driedimensionaal van afgetrapt worden - de toon is gezet. Het boekje ruikt lekker, naar oude speelgoedboekjes van de Intertoys of de Bart Smit. Herinneringen aan gure zondagmiddagen dringen zich op: lijstjes maken, kiezen tussen Legokastelen, een uitstapje naar de meisjesafdeling, meewarig grinniken om speelgoed waar ik (zogenaamd) overheen gegroeid was.

Ik sla de eerste bladzijde om. Een reclameboodschap met eromheen drie spontaan poserende recensenten en een voorwoord van de nieuwe directeur verschijnen in beeld. Ik heb een zwak voor duimopstekende deskundigen, maar ik ben gek op voorwoorden, dus mijn aandacht schiet meteen die kant op. Verplichte bedankjes, open deuren, hemeltergende metaforen, hypocriete succeswensen; een mengsel van dat alles in een amicaal en lichtvoetig geschreven stukje tekst – voor wie erin trapt. Heerlijk. Hopelijk koop ik ooit nog een boek met de tweehonderd allerbeste voorwoorden. Ik zou ze alle tweehonderd in mijn huis ophangen. En daarover schrijven, in het voorwoord.

De directeur van dienst heeft geblondeerde haren en de armen over elkaar. In de eerste alinea heeft hij het over spannende tijden. In deze spannende tijden stormt het, dus we worden uitgenodigd te komen schuilen onder het dak van de schouwburg – ja, ja, ja! In de tweede alinea gaat het over jezelf verwonderen, verbazen, je laten verrassen, over de magie van theater. Dit deel riekt naar plagiaat, maar wellicht maken dergelijke ijle termen deel uit van het schouwburggidsprotocol en gaat de directeur vrijuit. Het voorwoord wordt afgesloten met regelrechte campagnetaal. ‘Ga met ons de uitdaging aan’ is de uitsmijter. Ik vraag me af hoe ik dat moet doen, met de schouwburg de uitdaging aangaan. Misschien dat ik het binnenkort maar ’s moet proberen: ‘Hallo, meneer de directeur? Ik kom met u de uitdaging aangaan. Schikt het?’

Ik blader verder naar de beschrijvingen van de voorstellingen die in het volgende seizoen op het programma staan. Ook bij het lezen hiervan struikel ik over de clichés, de geforceerde knipogen en de hijgerige complimenten. Het woord ‘geniet’ komt zo vaak voor dat op een gegeven moment alle andere woorden er ook op gaan lijken. Het hele boekje is één groot genot geworden en ik realiseer me ineens dat de tweehonderd beste voorwoorden al uitgegeven worden. Jaarlijks, in de schouwburggids. Geen wonder dat ik hem nu al voor de derde keer aan het lezen ben.

dinsdag 1 mei 2012

(On)gedwongen

Een normale dag. ’s Ochtends naar de supermarkt voor brood en sap. En pindakaas. Aan de kassa wordt me gevraagd of ik een bonuskaart heb. Mijn antwoord is een hoopvol en geoefend ‘Nee, niet bij me.’ Of ik de bonuskaart van de caissière wil gebruiken. Graag. Helaas krijg ik geen exemplaar overhandigd, dat ik direct teruggeef aan het meisje achter de kassa. Het zou de waanzin compleet maken. Nu heb ik het vermoeden dat een aantal mensen, de caissière incluis, een soort dit-gaat-me-boven-de-pet-logica achter de hele transactie zoekt. In plaats van toe te geven dat de bonuskaart niets voorstelt; ieder pratend persoon krijgt de korting.

Met mijn ontbijt in een plastic tas fiets ik naar het station. Met enige moeite wring ik mijn fiets tussen duizenden andere. Drie sloten zorgen ervoor dat iedereen met ribben mijn fiets uit zijn hoofd kan zetten. Ook zorgen ze ervoor dat mijn tas voor ongeveer een derde uit sleutels bestaat. Uit diezelfde tas haal ik, terwijl ik de trap oploop, mijn OV-chipkaart. Ik wil inchecken, maar hoor drie keer een piep, kort achter elkaar. Te lang voor de lezer gehouden. De consequentie: een tijdstraf van tien minuten. Ik vind het nogal wat en bel alvast naar school:  het eerste uur wordt een moeilijk verhaal. De reden is dat dan al.

Na een uitgelopen afspraak check ik weer in, op het perron. In één keer raak, ditmaal. In de trein wordt mijn (OV-)kaartje gecontroleerd. Het duurt even, want eerst moet bepaald worden of het middag of avond is: ‘Goede… eh… tja, wat is het, eh… vijf over zes… avond alweer.’ Er volgt ongemakkelijk gelach; mijn wenkbrauwen zetten koers richting haargrens. Ik geef mijn OV-kaart en steek mijn arm uit om hem weer aan te nemen, maar de conducteur is iets op het spoor gekomen. ‘Mmmmeneer, u heeft niet ingecheckt.’ ‘Jawel. Hij piepte, op een rustige manier, en maar één keer.’ Ik heb geen bewijs, dus ik waag me nogmaals en met meer precisie aan het geluid dat de lezer maakte: ‘Piep.’ En nog een keer: ‘Piep.’ ‘Dat zijn twee piepen, meneer.’

Uit eten, niet veel later. Hetzelfde probleem met goedenavond; kan het al? De ober vraagt of we wat komen eten of komen drinken. Jazeker... Oké, wat eten. Of we een voorgerecht gaan bestellen. En of we alvast een mandje brood met kruidenboter willen. En de wijnkaart, en de menukaart, en de kaart met de dagmenu’s. Vervolgens horen we een aantal keer dat we rustig aan moeten doen met het maken van een keuze. De keuze valt op het tapasmenu. Tweemaal, want het zijn porties voor twee personen: eerst een gang met koude tapas, daarna met warme.

De laatste Spanjaard was hier bezweken. Hij had kreunend en kruipend van ellende de uitgang opgezocht en was met zijn vrienden, die eerder op de dag al het loodje legden, teruggehold naar Spanje. Zonder in te checken.