dinsdag 24 januari 2012

Series



Series kijken is scoren. Voor open doel, dat wel, maar toch. Kom op een onwennige zitverjaardag binnen en zeg tegen de eerste de beste achterneef die je ziet: ‘Ik vond Two and a half men leuker toen Charlie Sheen er nog in zat.’ en je zit de hele middag gebakken. Of: ‘The Office UK, ja, die is tóch net iets leuker dan de Amerikaanse.’ Geen vakantiehuis in Zeeland of binnendoorweg parallel aan de A2 houdt nog stand. Iedereen zal je bewonderend aankijken en je open deuren ontvangen met dankbaar geknik.

Naast je zit een jongen die niet knikt, een jongen die geen series kijkt. Deze jongen is gedurende de eerste minuten nog geanimeerd luisteraar, maar verandert daarna al gauw in een in zichzelf gekeerde sms’er. Voor hem zit het gesprek er na twee keer onbegrijpend lachen op. Hij heeft nog nooit The Office gezien en voelt ook niet de behoefte. Intussen spelen jij en ik (ik ben een buurjongen van de jarige, of een teamgenoot, of de broer) een scène na. We kennen de tekst woordelijk, allebei. Al gauw weten we dat ook van elkaar. En toch willen we elkaar imponeren. ‘Just a trail people,’ ‘Hahaha, ja, ja!’ ‘Do not panic, okay. it’s just a, a, a … ja, eh, a … eh …. trail, toch?’

Snel overschakelen naar een andere serie. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. ‘Julia en ik waren gisteren zó moe, dat we voor het eerst in tijden weer ’s een pizzaatje hebben besteld.’, hoor ik een (corporale) vriend van de familie zeggen. Dit is mijn kans. ‘Ik verveel me.’ Zeg ik zo hard ik het me kan veroorloven. Er volgt al gauw respons. Nota bene van de vriend van de familie zelf - hij had de broer van Kamphuis kunnen zijn. ‘Hahaha, heb jij honger dan?’ Ik: ‘Nee, maar dan kunnen we nog wel een pizzaatje bellen!’ Roeland giert het uit, samen met de andere Jiskefetkijkers. De rest van het gezelschap lacht ook, maar dan om de rare wendig die het verhaal van Roeland heeft gekregen. Niet veel later wordt er druk gesmst. 

Ook door de jongen naast je. Nog steeds. Ik probeer hem in het gesprek te betrekken en kies daarvoor de meest doeltreffende manier: ‘Maar de koning onder de series blijft toch Friends, hè, jongens, tijdloos! Op wie van Friends lijk jij het meest, eh, wat is jouw naam ook alweer?’ Johan, dat was zijn naam. En hij leek het meest op Ross. 'Ik denk niet dat Ross veel series kijkt. En als hij het al doet, houdt hij er op verjaardagen zijn mond over.'