zaterdag 13 oktober 2012

Het Symposium


Dinsdagmiddag: college. Ik heb zes euro meegenomen, zodat ik donderdag mee mag naar het symposium. Deelname is verplicht. Het begrip symposium klinkt mij even hoogdravend als nietszeggend in de oren. Ik heb geen idee wat te verwachten. Het is in een zaal in het Weltgebouw, op de Uithof. Ik kom nooit op de Uithof.

Ik print voor de zekerheid de route en ga een uur van tevoren de deur uit.

Aangekomen bij het Weltgebouw wordt me verteld dat ik me aan kan melden bij een tafeltje waar twee meisjes met een flesje Spa Blauw pennen en programmaboekjes uitdelen. Ik geef mijn naam op. Mijn naam staat op de lijst. Ik krijg een pen en een programmaboekje.

De zaal is hoog en heeft geen ramen. Ongeveer honderd aangemelden hebben zich zorgvuldig over het meer dan dubbele aantal stoelen verspreid. Ik vind een plekje naast een norse man met een laptop en een stukgelezen Freedom van Jonathan Franzen. Even later schuiven drie studiegenoten aan. Zij hebben ook een pen en een programmaboekje.

De meeste deelnemers dragen een badge met hun naam erop. De badges van de organisatie zijn geel, zodat te zien is wie het symposium organiseren. Wij hebben geen badges gekregen, waarom is niet helemaal duidelijk.

De Nederlandse sprekers zijn allemaal ‘leading’ in een bepaald onderzoeksgebied en bewijzen dat door in het Engels over hun meest recente onderzoek te vertellen. De ehh’s en bijbehorende rode vlekken maken duidelijk dat het voor de sprekers een spannende dag is. Voor het Nederlandse publiek is het vooral een inspannende dag. Om de kortademige verhalen over ‘predetermined PD content’ niet in het rijk der vergetelheid terecht te laten komen, maken veel mensen foto’s van de geprojecteerde sheets. Dan lopen er ineens twee laatkomers voor de projector. Er worden nog wat foto’s gemaakt, maar die zijn mislukt.

Voor me zit een vrouw met een vraag. Ze twijfelt. Ze steekt voorzichtig haar hand op en stopt die dan weer weg, zoals ze in een overvol restaurant de ober zou wenken. Dan steekt iemand anders gedecideerd zijn vinger op. Het is een man van over de vijftig; zijn wijsvinger prijkt in de benauwde lucht. De vrouw zucht en laat haar schouders hangen. De man vraagt zijn vraag en de spreker beantwoordt deze lachend net niet helemaal.

In de pauze is er koffie en zijn er krakelingen, en voor de betere speurder zoute stengels in plastic bakjes. Men netwerkt en kauwt op de krakelingen waarvan de verpakking te vroeg van het plastic folie ontdaan is. Er staat een rij voor de wc.

Daarna wordt er door de sprekers doorlopend gerefereerd aan het einde van de bijeenkomst. ‘After this, there will be only one slide left’, stelt een vrouw met een onderzoek over veel aspecten van iets het publiek gerust. ‘That was it’, besluit ze haar presentatie. Tijdens de discussie, gevuld met anekdotes van mensen uit het publiek – ’In my school period …’ – kijk ik geïnspireerd naar de houten stoelleuningen. Vrijwel alle rugleuningen bevatten tekeningen en teksten. Op die van mijn benedenbuurman staat een tekening van Spongebob met één been en een ooglapje en de mij niet onbekende tekenfilmslogan: ‘Ducktales, woohoo!’

De bijeenkomst is afgelopen. De betrokkenen bedanken elkaar en geven elkaar cadeautjes. Het publiek sluipt de zaal uit. Ik blijf nog even zitten. Voor ik het weet zit ik in een lege zaal. Ik kijk naar een andere rugleuning. ‘Hannah Montana, the world is yours’, staat er.