maandag 8 april 2013

Heineken Trophy

Vandaag ga ik naar Heineken Trophy. Dat is een tennistoernooi in Rosmalen, vlakbij Den Bosch. Mama rijdt en Rutger gaat mee. Rutger kletst een boel in de auto. Dat zullen de zenuwen zijn. Ik ben nog nooit naar een tennistoernooi geweest. Ja, van Tim. Ik heb bijna alle wedstrijden van Tim gezien. Ik vraag altijd of ik mee mag en meestal mag het. Maar dit is toch wat anders. Vandaag zie ik proftennissers, zoals mijn idool Michael Chang. Waarom hij mijn idool is, weet ik niet. Ook vijftien jaar later heb ik nog steeds geen flauw idee. Maar ik ben voor hem, altijd, ook als hij onderhands serveert.

Het is niet ver rijden. Rutger is nog lang niet uitgekletst als we er zijn. We lopen naar de ingang. Daar staat een man in sponsorkleding, iets waar ik vandaag nog niets van begrijp. De man knipt onze kaartjes. We mogen door. We eten een ijsje. En nog één. Dan beklimmen Rutger en ik een grote tribune. Als we gaan zitten zien we nog net hoe Ctislav Dosedel van Andrei Pavel wint. Tegen alle verwachtingen in. Ik ken de verwachtingen, ik kijk vaak naar tennis op tv.
We lopen naar een andere tribune. Een Nederlander willen we zien! Wie maakt niet, desnoods Dennis van Scheppingen, als het maar een Nederlander is: iemand die we kunnen aanmoedigen. Het wordt Jan Siemerink. We kunnen ons geluk niet op. Helemaal als hij ook nog eens weet te winnen, van Marc Rosset, in twee sets. Het lijkt alsof ik twee toekomstig Davis Cup captains aan het werk zie, maar ik zal me wel vergissen.
Dan kijk ik om me heen: geen jas! En geen Rutger! Rutger is zo gevonden, maar mijn jas niet. Ik probeer Rutger over te halen mee te gaan zoeken, maar hij wil niet. Dan zie ik waarom: Rutger krijgt een handtekening van Jan Siemerink.
Huilend ren ik naar mama, die een eindje verderop op het terras zit. “Ik heb geen handtekening van Siemerink en ik ben mijn jas kwijt!” Mama probeert me te troosten. “En Rutger heeft wel een handtekening van Siemerink en wel een jas!” Voeg ik er aan toe. Ik wil niet getroost worden. Ik ben boos. “We vinden hem wel”, stelt mama me gerust. “Maar hij komt er zo aan, hoor.” Ik ben alweer wat gekalmeerd. “Ik bedoel je jas, niet Rutger.” “Oh ja.”
We vinden mijn jas niet, hoe goed we ook zoeken. Ik vind het inmiddels niet erg meer. Ik heb ook een handtekening, niet van Michael Chang, maar wel van Jonas Björkman, dat is ook een goeie. Hij heeft wel eens van Chang gewonnen! Het begint al een beetje te schemeren als we teruggaan. Ik heb het koud gekregen, zo zonder jas. Rutger kletst niet meer en mama zet de autoverwarming aan. Het was een fijne dag.