vrijdag 13 februari 2015
Nieuw blog!
Ik ben gestopt met het schrijven van daghappen. Sinds februari 2014 schrijf ik stukjes over school en over lesgeven (http://alsdocent.blogspot.nl).
donderdag 10 oktober 2013
Interview
Mentorleerlingen
in zicht! Gezellig, ze hebben zeker tussenuur. Ze lopen naar me toe. Gezellig!
Ik heb ook tussenuur. Misschien willen ze iets vragen over de toets, of
vertellen over de vorige les(sen). Ik ben één en al oor. ‘Meneer, mogen we u
wat vragen?’ Meneer? U? Mijn mentorleerlingen noemen me nooit meneer, of u. Is
er iets aan de hand, misschien? ‘Is er aan de hand, misschien?’ Vraag ik. ‘Nee hoor, we
willen u alleen iets vragen.’ ‘Vraag maar, hoor’, zeg ik. Daar komt de vraag. ‘Mogen
we u een paar vragen stellen over alcohol?’ Terwijl ze deze vraag stellen zetten
ze mij en zichzelf op stoelen en graaien ze een lijst met andere vragen
tevoorschijn.
Vraag 1. ‘Drinkt
u alcohol?’ Ja, ik drink alcohol. ‘Ja, ik drink alcohol.’ Dat ging goed.
Vraag 2: ‘Waarom
drinkt u alcohol?’ Tientallen redenen duikelen over elkaar; sommige zijn
leerlingproof, de meeste niet. ‘Omdat ik het lekker vind’ wint. ‘Omdat ik het
lekker vind’, antwoord ik. Nog steeds geen problemen.
Vraag 3: ‘Hoeveel
alcohol drinkt u?’ ‘Per dag?’ vraag ik. De leerlingen lachen. ‘Eigenlijk per
week, maar per dag mag ook.’ Oei, dat was een misser. ‘Ik doe wel per week’,
probeer ik, maar de leerlingen tuinen er niet in. ‘U drinkt dus elke dag?’ ‘Ik
kom er vanaf met elke dag één wijntje bij het eten en op maandag niets.
Vraag 4: ‘Hoe
oud was u toen u uw eerste alcoholische drankje dronk?’ Ik denk aan hoe oud ik
toen was en ik denk aan hoe oud de vragenstellers zijn. Ik besluit geen risico
te nemen. ‘Zestien’, zeg ik. ‘Zo jong!?’ vragen ze. Hun verbazing is zichtbaar.
Jong? Oké, jong. ‘Eh, nou, wel sporadisch hoor.’ ‘Wat is sporadisch?’ Mijn
redding. Op deze vraag ga ik heel diep in.
…
Vraag 5: ‘Bent
u wel eens dronken geweest?’ Ik kijk wanhopig naar de klok. ‘Gaat de bel niet
bijna?’ smeek ik. ‘Nee hoor, pas over tien minuten.’ ‘Wat verstaan jullie onder dronken zijn?’ vraag ik. ‘Wat
verstaat u eronder? U heeft vast meer ervaring.’ De pen van de vragensteller
tikt uitdagend op de tafel. Ik bezwijk. ‘Ja,
wel eens. Maar niet vaak hoor!’ ‘We hadden het nog helemaal niet over hoe vaak’,
merkt een andere leerling op. Ik krijg even geen lucht meer.
Vraag 6: ‘Hoe
vaak bent u dronken geweest?’
zaterdag 5 oktober 2013
Kipling
Het regent.
In de klas verspreiden aan benen plakkende spijkerbroeken en van wax en gel
beroofde kapsels een damp die mijn brillenglazen in nevelen hult. Er stond een
rij voor de fietsenstalling; volgens de leerlingen is dat logisch, met
zulk weer. Iedereen is op tijd. Een jongen vraagt of hij zijn schoenen uit mag
doen. Ze zijn niet waterdicht, zegt hij en dat zie ik. Het tijdens de fietstocht
verzamelde water gutst eruit. Het mag. Anderen volgen zijn voorbeeld. De rij
schoenen onder de vensterbank wekt de indruk dat het twee maanden later is. Er
zullen in de tussentijd nog veel regenbuien volgen.
In de eerste
deed ik, als het regende, trouw mijn winterschoenen aan. Ook in de (na)zomer. Als
ik op mijn gympen ging, werden mijn daarin huizende sportsokken nat. Dat was
een doembeeld waar geen vensterbank tegenop kon. Bovendien deed ik niet zo gemakkelijk
mijn schoenen uit in de klas. Mijn jas was wat dat betreft het maximum. Ik had altijd droge voeten, maar droge benen was een ander verhaal. Daar kon nu eenmaal niet
altijd voor gezorgd worden. De logica achter deze vaststelling: regenpakken of -broeken dragen deed je in de winter
ook niet en was om die reden nooit een optie, in tegenstelling tot de schoenen. En
als je je knieën niet te veel boog, ging het best.
Als mijn
glazen weer aan helderheid winnen, zie ik een leerling naar me toe lopen. Ze is
zichtbaar en hoorbaar aangedaan. ‘Mijn boeken! Kijk nou!’ stamelt ze, twee
resten van schoolboeken onder haar droge arm gehouden. ‘Hoe kan dat nou? Ik heb
ze de hele tijd in mijn tas gehad. Echt hoor.’ Ik kijk naar haar tafel en naar
haar doorweekte tas die er futloos tegenaan leunt. Het is een niet al te
opvallende, smaakvolle, stoffen tas met hengels die je over één schouder hangt
in plaats van over twee. Ik kijk van de tas naar het meisje en weer naar de
tas. Uit de stoffen hengsels verschijnen in hoog tempo
regendruppels, die op de andere, nog niet geredde boeken belanden.
In de eerste
klas had ik een tas van Kipling. Kipling maakte tassen die de goedkeuring van ouders
en hun kinderen om tegengestelde redenen net konden wegdragen. Ouders vonden ze
aan de modieuze kant, wij vonden ze eigenlijk net iets te praktisch. Mijn
Kipling kocht ik op vakantie, in Spanje. Hij was blauw, vierkant en van massief
staal, vergeleken met mij. Het Aapje dat eraan bungelde heette Matt, een naam
waar ik nog nooit van gehoord had. Als het regende verscheen er een grijns op
het gezicht van Matt: niets of niemand kon mijn zwaar bewaakte, consciëntieus
gekafte boeken iets maken.
De Kipling hield het niet lang vol. Na een paar overgangsmodellen kocht ik een paar jaar later ook een stoffen (één)schoudertas. Ik gruwelde inmiddels van alleen al de
gedachte aan winterschoenen en kaftte mijn boeken niet meer, in de wetenschap dat ze sowieso
niet heelhuids teruggestuurd zouden worden. Mijn regenpak had ik zorgvuldig
verstopt. Ik nam natte boeken en natte sokken voor lief, zoals ik al jaren natte broeken voor lief nam.
Op de vraag
of ze niet een klein beetje eigenwijs was om zo’n dag zo’n tas mee te nemen,
antwoordde de leerling dan ook wijselijk: ‘Eerder vroeg wijs, meneer.’
zaterdag 28 september 2013
Schoolfeest
Het is
schoolfeest. De aula is versierd met lichtsnoeren. Aan de kop van de zaal
staat, op een verhoging, een collega. Hij draait de Gangnamstyle. Het merendeel
van de leerlingen staat om hem heen, op dezelfde verhoging. Er wordt fanatiek
gedanst. Het feest is begonnen om half acht en duurt tot half elf. Leerlingen
hebben hun best gedaan zich zo te kleden dat ze bij sommigen net wel en bij
anderen net niet opvallen. Glitter and Glamour is wat dat betreft een goed
thema. Je kunt het uitdragen door de eerste twee minuten – tot je de
eerste zweetdruppels van je voorhoofd naar beneden voelt glijden – een hoedje
op te zetten, maar ook door de hele avond te shinen in een driedelig glitterpak,
op bijpassende glitterschoenen.
Ik houd me,
met mijn hoedje af en toe op en af en toe af, aan de rand van de ruimte op de
vlakte. Naast me staan vier andere docenten met zo te zien dezelfde intenties.
Als anonieme scouts bekijken en bespreken we de feestende eersteklassers. Wat doen
ze? En wat niet? En wie is met wie? En, onvermijdelijk: hoe was dat dertien
jaar of langer geleden op ons eerste schoolfeest? Ik kan het me nog herinneren. Ik was met klasgenoten, met jongens, vriendjes van wie ik de meeste
al een tijdje kende. We stonden ook in de aula, op ongeveer dezelfde plaats als
waar ik nu sta: aan de rand van aula. Ook deden we ongeveer hetzelfde als ik
nu: niet veel. We keken en zwegen en we dronken cola, in ongeveer hetzelfde moordende tempo als nu.
Het hoedje zou zomaar een laatste overeenkomst kunnen zijn.
Hoe anders gaat het er op dit schoolfeest aan toe. Behalve wij, de mentoren, staat er niemand
aan de kant. Alle leerlingen dansen of begeven zich druk pratend in het midden
van de zaal. Jongens en meisjes staan bij elkaar en hebben volop (oog)contact
met elkaar. Ik sla het vol bewondering gade. Ook van een verdeling gebaseerd
op de klas is geen enkele sprake: we moeten stuk voor stuk de hele meute afgaan
om al onze leerlingen in beeld te krijgen. Voortdurend worden er nieuwe koppels en
groepen gevormd. Er wordt volop
gedanst, door de meisjes, maar ook door de jongens. Iedereen lijkt het naar zijn zin te hebben. Mijn ogen worden groter en
groter.
Ja, er zijn ook momenten waarop ik iets herken van mijn eigen eerste
schoolfeest: de plotselinge kring die gevormd wordt om een handjevol popelende
breakdancers – een garantie op populariteit gedurende je gehele schoolcarrière
– de ruimte te geven. En het schuifelen, aan het einde van de avond: met de
armen gestrekt van het ene been op het andere huppen, doodsbenauwd dat je iets fout doet. Ik spreek overigens niet uit eigen ervaring, maar uit die van vriendjes die dat durfden. Ik dronk zoals gezegd cola. Liters. Na het langzame nummer wordt er vertwijfeld maar ook opgelucht afscheid genomen van
elkaar. Het volgende nummer is iets onbekends uit de tijd van hun docenten. De
leerlingen kunnen even op adem komen.
Niet
iedereen schijnt daar behoefte aan te hebben. Uit mijn ooghoek zie ik zes, zeven
meisjes uit mijn mentorklas in sneltreinvaart op me af komen. ‘Meneer, dansen!’
zeggen ze. Ik kijk verschrikt naar mijn besmuikt lachende collega’s. ‘Ah,
please, ga mee dansen!’ Oké, oké. Met wiebelende benen ren ik met de leerlingen
mee naar het podium. Voor het eerst ga ik dansen op een schoolfeest.
zaterdag 21 september 2013
De Logopedist
Maandag komt
de logopedist. Hij (of zij) blijft de hele dag bij ons, op de opleiding. Op de
basisschool kwam er ook wel eens een logopedist langs. Iedereen was bang voor
hem. Je moest moeilijke woorden uitspreken en je mocht pas gaan als je dat
foutloos deed, als je wesp zei in
plaats van weps. Als je bij de
logopedist zat, had je op bepaalde dagen een twee keer zo korte middagpauze en
twee keer zoveel huiswerk. Voor iedereen had het daarom de hoogste proriri …
prireiti … pori … prio … nou ja dat het belangrijk was om goed uit je woorden
te komen. De verhaspelingen liet je voor de schrijfopdrachten; van dyslexie had
nog niemand gehoord.
Door een
behoorlijke overbeet sliste ik een beetje. Hierdoor behoorde ik onmiskenbaar
tot de risicogroep pauzeverkorting. Toch ben ik altijd uit de greep van de
gemene logopedist gebleven. Omdat ik een harde stem had en die naar hartenlust gebruikte
voor de andere vijfentwintig letters, viel de behoedzame en moeizame uitspraak
van de ‘s’ behalve mij vrijwel niemand op. Misschien zou die overbeet behalve
mij ook niemand opvallen, dacht ik vervolgens, het succes van het onopgemerkt
slissen nog vers in het geheugen. Dit was een paar jaar voordat de orthodontist
hier met drie verschillende beugels drie duidelijke strepen door zette.
Op de
middelbare school hebben we de logopedist niet meer teruggezien. Blijkbaar kon
daar iedereen zich verstaanbaar maken. Dat gaf vertrouwen, zoveel dat op het schoolkamp
onbevreesd de proef op de som werd genomen. In het platste Brabants dat ik ooit
had gehoord en gesproken verkenden we de grenzen van de verstaanbaarheid. Ik hoorde
mezelf dingen zeggen die op de basisschool een regelrechte gang naar de
logopedist hadden betekend. Het voelde bevrijdend om verbaal en vocaal ongegeneerd
uit de bocht te kunnen vliegen.
Ook in
Utrecht, tijdens mijn studie, ben ik geen enkele keer een logopedist
tegengekomen. Het had ook niet gehoeven: de dagelijkse praktijk zat vol logopedische
ervaringen. Om me heen hoorde ik letters en woorden, uitgesproken op manieren die
ik niet of alleen van de televisie kende. Van de weeromstuit begon ik sommige
vormen over te nemen. Mijn accent trok zich onbewust en langzaam terug en
maakte plaats voor een mengelmoes van dialecten en interpretaties van het ABN.
Ik klonk in geen enkel opzicht meer als iemand uit Brabant. Dacht ik.
Vorige week,
de eerste week op school, vroegen leerlingen uit mijn nieuwe klassen hoe oud ik
was en waar ik woonde. Ik zei ’25 en in Utrecht’, of iets in die trant.
Leerlingen waren verbaasd. ‘Dachten jullie jonger? Of juist ouder?’ vroeg ik. ‘Nee’,
antwoordden ze, ‘we dachten België, of Limburg, ofzo.’
Onder
maandag staat nu in mijn agenda: ‘korte pauze, veel huiswerk’.
zondag 15 september 2013
Meneer Rie
‘Yes, het
volgende uur meneer Rie!’ Niet alleen Freek is er blij mee, ook zijn
klasgenoten dansen en springen en gooien hun boeken de lucht in en vangen ze
weer op. Uitgelaten rennen ze naar het lokaal op de derde verdieping, waar
meneer Rie zoals altijd op de klas staat te wachten. Vlakbij het lokaal manen
de leerlingen zichzelf en elkaar tot kalmte. Daarna lopen ze in één voor één de
klas in. Meneer Rie begroet alle leerlingen individueel. Bovendien vraagt hij naar
het hockeytoernooi van Pleun , de wiskunde-olympiade van Niels, de kappersbeurt
van Janna, de door Michiel bezochte film en de door Iris bezochte verjaardag.
Als de laatste leerling het lokaal in loopt, liggen er 24 boeken, 24 etuis en
24 schriften op de 24 tafels. De vijfentwintigste leerling voegt daar één set
van boek, etui en schrift aan toe.
De les
begint. Meneer Rie was ruim op tijd in het lokaal aanwezig en heeft daardoor de
planning voor vandaag op het bord kunnen schrijven, alsmede de lesdoelen. De
leerlingen nemen deze over en wachten op de lesopener: een filmpje dat direct
aansluit op het onderwerp van de les en bovendien van een uitdagend niveau is.
De vragen bij het filmpje heeft meneer Rie geprint en worden door twee
vrijwilligers in de klas uitgedeeld. Het filmpje wordt twee keer bekeken: één
keer zonder instructies, één keer met het uitgedeelde vragenblad als leidraad.
De antwoorden op deze vragen worden individueel opgeschreven, vervolgens in
tweetallen bediscussieerd en tot slot klassikaal besproken. Dit verloopt gestroomlijnd; iedereen weet wat de
bedoeling is en iedereen doet mee. De
inbreng van de leerlingen weet meneer Rie moeiteloos te relateren aan het
verhaal dat hijzelf voorbereid heeft.
De overgang
naar het tweede lesonderdeel, de uitleg van de stof, is daarmee een soepele. De
uitleg van meneer Rie is helder, in stappen opgebouwd en sluit aan op zowel de
voorkennis, de belevingswereld als het niveau van de 25 leerlingen. De vragen
die de leerlingen stellen voorziet meneer Rie direct van een passend, duidelijk
en bevredigend antwoord. Na de uitleg wordt er gewerkt aan het huiswerk. Eerst
individueel, daarna in tweetallen. Het moment waarop er overgegaan wordt op
samenwerken weet meneer Rie helder te markeren en de leerlingen reageren erop
door fluisterend het gemaakte en nog te maken werk met elkaar te bespreken.
Intussen heeft meneer Rie alle tijd om bij de leerlingen langs te gaan en de
vorderingen van hen te bevragen en bekijken.
Aan het einde
van de les komt meneer Rie nog even klassikaal terug op de lesdoelen. Jim en
Simone vatten namens de klas samen wat er in de les geleerd is en in hoeverre
de lesdoelen bereikt zijn. Vervolgens geeft meneer Rie zijn visie hierop. In de
minuten die nog over zijn, wordt de klas getrakteerd op het vervolg van het
filmpje dat aan het begin van de les werd getoond.
Theo Rie is niet bij iedereen geliefd. Zo heeft hij het regelmatig aan de stok met mevrouw Tijk. Mevrouw Tijk heeft elk uur een klas uit
een andere leerlaag, elk uur een ander lokaal, elk uur minstens dertig
leerlingen en elk uur problemen met Ab Aratuur. Mevrouw Tijk weet daarom dat ze
realistische doelen moet stellen en dat ze met plezier en inzet een heel eind
komt. Toch kijkt ze ook wel eens naar de lessen van meneer Rie en heeft ze zich voorgenomen wat vaker iets
uit zijn lessen over te nemen.
dinsdag 10 september 2013
Appartement
Op het
scherm van de televisie loopt een golf als die van een hartslagmeter. Als ik
met mijn vlakke hand een paar keer op de bovenkant sla, kan ik een minuut of
tien ongestoord de ondertiteling lezen. Op slechte dagen storen zelfs de dvd’s.
Onze internetverbinding is even onvoorspelbaar als het weer (gaat deze uitdrukking nog wel op?) en als ik muziek
wil luisteren, maak ik van de kabel naar de boxen een unieke lus die geleiding
naar beide uitgangen mogelijk maakt. Douchen doe ik in de keuken en slapen doe
ik in een twijfelaar: het is net geen eenpersoonsbed.
Ik zou het
niet anders willen.
Alhoewel…
Ik ben op
vakantie geweest. Waar normaal gesproken mensen een selectie van hun spullen
mee op vakantie nemen, omdat er in het onderkomen op de vakantiebestemming nu
eenmaal niet genoeg ruimte is voor alles, daar heb ik spullen bij moeten kopen
om het appartement enigszins te kunnen vullen: een bal met Takkie erop, een groot
schrift, een knijpkat; alles kreeg een eigen plek in de ruime woon- slaap- en
kookkamer. In die kamer, languit op de bank, zette ik voor de allereerste keer,
weliswaar nietsvermoedend, de airco aan. Voor het eerst deelde ik een keuken
met slechts één persoon. Een keuken met keramische platen. Een koffieautomaat
met pads. Een vaatwasmachine.
Wat een luxe,
opstaan in een donkere kamer en ontbijten op een kookeiland. Wat een ongekend en
onbekend gevoel. We wilden er nooit meer weg. Ook niet als de zon verwoed door
de ramen scheen of als er een driedelige wijntour met proeverij op het
programma stond. Nog niet voor een gereserveerd retourtje strand met ligbedden
en mosselen verlieten wij onze stoffen driezitsbank met voetenbankje en
vervormbare kussens. We zaten en lagen overal in de kamer waar dat enigszins
kon en zetten alle apparaten waar knoppen op zaten aan en uit. Wat zou er
gebeuren? ‘Het geeft licht!’ ‘Wauw!’ ‘Wat zou je eraan hebben?’ ‘Weet ik niet.’
‘Wauw!’
Het was een
heerlijke vakantie. Zelden was ik zo ontspannen als tijdens deze week, in
Bordeaux. En het is een geweldige stad, dat moet gezegd. We hebben er goed aan
gedaan door het appartement af en toe voor even te verlaten, maar het gevoel na
een – toch wel – lange dag in woord en vacht verwelkomd te worden door de
deurmat hoorde bij de beste sensaties van de week. Eenmaal verwelkomd deden we
steeds iets geroutineerder de airco aan. Af en toe vertrok er een triomfantelijke
blik naar het tweepersoonsbed. Een keer dacht ik aan nog meer luxe: aan een verstelbaar
waterbed, een bijbehorend bubbelbad, een thuisbioscoop. Er zijn mensen die dat hebben. Wij niet, gelukkig; wat was het dan een rotvakantie geweest.
dinsdag 13 augustus 2013
Theater Aan Zee
Josse de Pauw.
Kent u hem? Nee? Oef, da’s ginne chance hebben, hè. Ik ook niet echt, trouwens.
Ik zag een voorstelling van hem, ce’st tout. De voorstelling maakte deel uit
van het Theater Aan Zee Festival in Oostende, waar mijn vader en ik de
niet-Vlaamse bezoekersgroep vertegenwoordigden. De andere aanwezigen waren zogezegd
Vlaams en zo nog niet gezegd wild van Josse. Al jaren. Al jaaaren. Want pas op,
Josse de Pauw kan als geen ander teksten van beroemde en minder beroemde
jazznummers opdreunen. Uit zijn hoofd, hè? Amai! En dan de naaktfoto’s die op
de achtergrond geprojecteerd werden. Dat was zó Josse.
De avond na
Josse gingen we naar een voorstelling van een post-rockband. Post-rock; mijn papá
was verleid door de stomme film die bij de voorstelling inbegrepen zat en ik
wist hem niet op tijd te waarschuwen. Ik had er weinig goesting in. Gelukkig
bleek het café waar de voorstelling plaatsvond te klein om onze gereserveerde
plaatsen te waarborgen, waardoor wij ons gewillig lieten terugzakken naar het
terras. Er werd naar ons gestaard. Wie waren die’n rare gasten? En wat waren ze
van elkaar? Geliefden toch zeker? Ja, vader en zoon, dat zeggen er meer. Ze
waren zeker en vast niet van hier. Een vijandige eenkennigheid verspreidde zich
over het café. Er werd fluisterend geklapt, op ambetante wijze met keycords
gezwaaid en uitbundig gelachen. De volgende keer dat er naar ons gekeken werd,
waren we weg.
De
Afrikaanse afvaardiging van de tienkoppige band kwam er niet aan te
pas. Het was de volgende dag en mijn vader en ik stonden aan de rand van de
zaal. De vijf Vlaamse bandleden hadden het zware geschut in handen: alle instrumenten die konden
versterkt worden. Ze waren er zeer fier op. De andere vijf moesten het doen met hun zelfgemaakte fluiten,
trommels en gitaren. Het resultaat was een niet om aan te horen strijd tussen
geluiden met de Vlamingen als potsierlijke winnaars. De onmacht van de
Afrikanen – ik gokte Congo, maar de mannen bleken uit Zambia te komen – werd
het best tot uiting gebracht door de fluitist, die, na enkele verwoede
pogingen, gelaten zijn instrument wegstak. Desolaat keek ‘m de zaal in. Zijn
instrument zou een half uur later geveild worden. Hij had het griezelige
voorgevoel dat het daar niet bij zou blijven.
Na deze
nieuwe teleurstelling kon zeker en vastgesteld worden dat het Theater Aan Zee Festival niet
aan ons besteed was. We staken zodus onze ticketjes weg en stortten ons vol
opgekropte overgave op het strand. We blikten vooruit op Zulte
Waregem-PSV, de wedstrijd die later op de dag gespeeld zou gaan worden. 0-7 zou
het moeten worden, vond ik. Ik vond dat het festival en daarmee Oostende en daarmee heel België dat verdiend had. Ik opende een blikje Heineken en dacht aan het Belgische voetbal, het Belgische theater, de infrastructuur, de taal. Vervolgens sprong ik vol overtuiging, met de VOC-mentaliteit, de zee in.
Die avond trachtte ik mijn beste theaterbeentje toch nog één keer voor te zetten. Veel erger kon het immers niet worden. En in de 0-7 van PSV was ik zozeer gaan geloven, dat daarvoor in het hotel blijven mij ineens ernstig overdreven leek.
En voilà…
In de
openlucht werd op zeer overtuigende wijze een aangrijpend verhaal over de
liefde tussen een meisje en een illegale immigrant uitgebeeld. Het stuk ging onder meer over vooroordelen, over buitensluiten, vertrouwen en wantrouwen. Er zaten een
paar honderd mensen op de tribune; ineens droeg niemand meer een keycord. Het was de
mooiste voorstelling die ik in tijden had gezien. Zo goed gespeeld, zo
realistisch, zo spannend. De tijd was omgevlogen. Mijn vader en ik applaudisseerden onze handen rood, waarop we nagenietend terug naar het hotel liepen. Bezwaard dacht ik terug
aan de middag op het strand. Zo erg was een kuiltje in de weg nu ook weer niet. En er gaat niets boven een Jupiler-pintje, dat weet iedereen. En over de
VOC… Allee, ge verstaat ‘t.
zondag 4 augustus 2013
Buurman
Wij hebben een
nieuwe buurman. Hij woont op de benedenverdieping links naast ons. Wie hij
opvolgt is mij niet bekend – buurman is een bonus. Wat ik van buurman weet, is
dat hij vrachtwagenchauffeur is. Dat was het. Ik weet niet hoe hij heet. Het stadium
van het naar elkaars namen vragen hebben buurman en ik overgeslagen. Uit onze
eerste, vluchtige ontmoetingen konden we nog niet afleiden dat er een buurman
in ons beiden schuilging. De vele ontmoetingen daarna, op de stoep voor onze
huizen, waren daarentegen direct zo vertrouwd dat een voorstelronde ons toen
niet meer gepast leek. Buurman, dus.
Buurman is
een liefhebber van buiten zitten. Zijn plastieken tuinmeubels heeft hij onder
de grote boom op de stoep voor zijn huis gezet. Buurman zit hele dagen in de
schaduw. Op de niet gestelde vraag waarom hij niet in zijn ruimere, meer
afgezonderde tuin zat, antwoordde hij eens: ‘Ik wil wel een beetje weten wat er
in mijn straat gebeurt.’ Buurman was al ingeburgerd voordat hij de verhuisdozen
had ingepakt. Zo wist hij binnen een halve dag dat er bij ons een jongen op
reis was en de getroffen onderhuurmaatregelen waren voor hem een abc’tje. In de
straat wonen ongeveer vijfentwintig studenten, aldus buurman. Hij zag laatst
mijn vriendinnetje voorbijfietsen. Ze stopte niet. Dat verbaasde hem. Buurman houdt
alles in de gaten.
Buurman is in
alle opzichten een echte buurman. Hij is gek op praatjes maken met
buurtgenoten, houdt bij waar iedereen is en waarom dan wel, is altijd
goedgehumeurd en helpt je als je je fiets niet uit de stalling krijgt. Buurman
is het geweten van de straat en laat zich daar graag op voorstaan. Aan de andere
kant: buurman is niet opdringerig. Als je niet in de stemming bent en dat met
weinig subtiele gezichtsuitdrukkingen laat blijken, knikt hij je bemoedigend
toe en slaat hij met een glimlach een pagina van zijn krant om. Buurman wil
graag dat zijn buurtgenoten het net zo naar zijn zin hebben als hij, maar als
ze dat niet voor elkaar krijgen, is hij stiekem maar wat trots dat hij zo van
het leven geniet.
Vanochtend heb ik buurman uitgezwaaid. Ik ga een week op
vakantie; ik had het gevoel alsof hij dat al wist. Met mijn handen vol
weekenders legde ik uit dat het plan een theatertrip naar Oostende betrof. Ik
merkte direct dat buurman niet alles wil weten. ‘Hoelang ga je?’ Was zijn
voornaamste interesse. Ik vertelde hem verontschuldigend dat er waarschijnlijk een
paar huisgenoten zullen terugkeren van hun vakanties, de komende dagen. Buurman
zweeg en sloeg met een zuinige glimlach een pagina van zijn krant om. ‘Een
fijne reis’, mompelde hij.
woensdag 31 juli 2013
Voetbal 2.0
PSV heeft
gisterenavond in het eigen Philips Stadion bijzonder slechte zaken gedaan waar
het gaat om de plaatsing voor de volgende voorronde van de Champions League.
Het team van coach Phoxy won onder toeziend oog van mascottes Cocu, Faber en
Van der Weerden slechts met 2-0 van Zulte Waregem, dat in de return genoeg
heeft aan een reglementaire 3-0 overwinning. ‘We hebben gegokt en verloren’,
aldus een berustende supporter. ‘Ik zie Zulte Waregem thuisblijven.’ Zijn coach
was minder somber over de kansen van de Eindhovenaren: ‘Het wordt moeilijk,
maar het is volgende week aan Zulte Waregem om niet op te komen dagen. We
zullen er alles aan doen om ze naar het stadion te lokken. Wie weet wat er nog
mogelijk is.’
Dat zal PSV dan
wel moeten proberen zonder het voltallige team dat gisterenavond op het veld
stond. Met nul gele en nul rode kaarten zijn alle spelers voor minstens één
Europese wedstrijd geschorst. ‘Dat is een domper’, aldus Phoxy, die in dat
opzicht het gemis van Van Bommel nogmaals benadrukte, ‘maar we hebben een brede
selectie van 23 spelers en meer dan duizend meereizende supporters, die
allemaal genoeg kwaliteiten hebben.’ Wie er woensdag aan de aftrap zullen
verschijnen, wilde de oefenmeester nog niet zeggen. Wel gaf hij aan dat
iedereen een wedstrijdshirt aan moet doen, het liefst één van dit seizoen. Er
zullen dus waarschijnlijk weer enkele supporters hun opwachting maken in PSV 1.
‘Dat zal dit seizoen wel vaker het geval zijn. Dat zijn de wetten van het
moderne voetbal’, aldus de coach in het grote vossenpak.
Daarmee
doelde hij op het loodzware programma van de clubs. Ook deze jaargang zullen
alle wedstrijden in de rust afgewerkt worden. ‘Het werd tijd dat de spelers uit
de e- en f-jeugd eens hun zin kregen’, verdedigt KNVB-voorzitter Ruben van
Bommel (9) de vorig jaar ingevoerde herverdeling. Phoxy heeft zijn bedenkingen
bij de verandering. ‘Gevolg van deze keuze is dat de spelers in het kwartier
dat er nog van hun wedstrijden is overgebleven, vol gas geven, wat tot meer
blessures en daardoor tot meer inbreng van supporters leidt’. Op de vraag of de
coach, ondanks de uitslag, de schorsingen en de op handen zijnde blessures,
toch nog iets positiefs kan noemen over de wedstrijd van gisterenavond, luidde het
antwoord instemmend: ‘Ja hoor, ik vond dat we, zeker in de eerste vijf minuten,
als individualisten speelden. Dat deed me deugd. En de tweede goal was
weliswaar randje binnenspel, maar de aanval die eraan voorafging was
fantastisch. Dat geeft ons vertrouwen.’
Volgende
week woensdag speelt PSV de returnwedstrijd tegen Zulte Waregem, in Brussel. De
wedstrijd zal te zien zijn op TLC, tussen 20:45 en 21:00 uur. Vanaf 15:00 uur
wordt er voorbeschouwd in de studio, door alle spelersvrouwen en natuurlijk
vaste analist Maarten van Rossum. Mis het niet.
dinsdag 30 juli 2013
Lienelien
Het is kwart
over zeven. Een meisje staat te wachten op station Nunspeet. Ze draagt een
blauwe strik in het haar en een grote tas. Het is Lienelien. Ze eet ongeduldig
een Mars. Niet vergeten die straks van de omzet af te trekken! Oh, wat is Lienelien blij met deze gedachte. Op het perron en in de middellange sprinter richting
Nijmegen die aan de vaalblauwe horizon verschijnt weet nog niemand wat hen te
wachten staat. Lienelien wel. Ze doet dit inmiddels al bijna twee maanden. Oh,
wat vindt ze het leuk om te doen! Ze gaat heel graag met mensen om. Collega’s
noemen haar een mensenmens. Lienelien stopt het papiertje van de Mars in haar
buidel en stapt met opgewekte armgebaren, die je normaal gesproken voor een
partijtje huppelen reserveert, de trein in.
‘Hallo
allemaal!’ Klinkt het uit de luidsprekers. Het is Lienelien. Doordat ze haar
mond te dicht bij de ontvanger houdt, klinkt haar stem in de coupés schel en
luid. ‘Ik ben Lienelien!’ De trein slaakt een wanhopige zucht. De conducteur
heeft zeker zijn dochtertje meegenomen, denkt een enkeling. Lienelien is van de
railcatering, weten de zuchters. ‘Ik ben Lienelien en ik ben van de
railcatering’, bevestigt Lienelien. ‘Als u zin heeft in een lekker kopje
koffie, een lekker kopje thee, een lekker kopje warme chocomel, een lekker fris
colaatje, een lekker koud biertje, een lekkere gevulde koek, een lekkere Ma…
Snickers, een lekkere rol pepermunt of een lekkere rol stophoest, dan kunt u
die bij mij bestellen. Ik ben er in enkele ogenblikken. Tot zo!’ Dag,
Lienelien, tot zo.
In het
tweede treinstel zit een ouder echtpaar. Ze zitten eerste klas, want hij heeft
een voordeelkaart voor de eerste klas. Lekker rustig, weten ze uit eerdere
prettige ervaringen. Ze zijn op weg naar een begrafenis van een goede vriend. Voor
Lienelien is iedereen hetzelfde en voor Lienelien heeft iedereen recht op een
fijne, onbezorgde dag. ‘Goeduh… morgen, mevrouw, meneer! Een lekker dagje eruit,
vandaag?’ ‘Nou, dat is niet helemaal het geval’, zegt de man. ‘Oh’, zegt
Lienelien, ‘ook prima, toch?’ De vermoeide ogen van de vrouw gaan een paar
seconden dicht. De man knijpt in haar hand; hij loodst haar door dit pijnlijke moment. Voor Lienelien bestaan er geen pijnlijke momenten. ‘Kan
ik u met iets verblijden?’ Vraagt ze. De blauwe strik wappert van haar
tomeloosheid. ‘Niet? Dan wens ik u een heel fijne dag samen!’ En vrolijk
banjert Lienelien verder.
In Nijmegen zit
Lieneliens reis erop. In het kleine kamertje wacht haar baas op de portefeuille
en haar werkkleding, inclusief blauwe strik. Als Lienelien zich heeft omgekleed, is ze weer gewoon
Evelien. Haar telefoon wil niet aan. Evelien zegt ‘kut’ en zucht zo hard dat
twee passerende mensen omkijken. Het is het oudere echtpaar. Even overweegt Evelien
om hun alles uit te leggen, te vertellen over Lienelien. Dan besluit ze het niet
te doen. Het gaat niet om haar of om Lienelien. Zeker niet voor deze mensen, en zeker niet
vandaag. Ze voelt zich schuldig, al weet ze dat ze slechts haar werk deed. Morgen gaat ze op zoek naar een nieuwe baan.
dinsdag 23 juli 2013
Zwemmen
De zon schijnt
door mijn openstaande, enkelglazen raam naar binnen. Het is half tien ’s
ochtends. Vandaag wordt het tropisch warm. Aandoenlijk was de trotse twinkeling
in de ogen van weervrouw Willemijn Houbert, gisteren, op het journaal. Alsof we
het aan haar te danken hadden. Ik kijk routineus op mijn telefoon en zie dat ik
ge-app’t – zou je het net zo schrijven als ge-sms’t? – ben. Of ik mee ga
zwemmen vandaag. Eigenlijk hou ik niet van zwemmen, iets wat in het diepe van zwembad De
Hispohal geworteld is, maar bij dit weer is verkoeling wel erg fijn. Bovendien
is het vooruitzicht op beachballen en broodjes met La Vache Qui Rit beleggen
een aarzelende duik in de het Maarsseveense meer waard. Ik ga mee.
Op het door
bomen begrensde grasveldje liggen ongeveer veertig mensen. Er is plek genoeg;
alleen aan het water is het vol. Toch kost het ons moeite onze handdoeken
ergens op één van de lege stukken neer te leggen. Een soort behoedzaamheid
maakt zich van ons meester: zou de zon hier wel blijven schijnen? Zou de hond
van onze achterburen onderweg naar de tennisbal ons kampement ontwijken? Liggen
we niet te dicht naast de meisjes die duidelijk geheime informatie aan het
uitwisselen zijn? Nadat één van ons zijn
handdoek heeft neergelegd, weten we niet hoe snel we zijn voorbeeld moeten
volgen.
Als we gaan
liggen nemen we de schade op. Tegenover ons ligt een zon(nebank)gebruinde man
met een grote zonnebril en dito buik. Hij steunt op zijn licht trillende armen.
Zijn brillenglazen zijn gericht op ons en zijn mondhoeken op de grond. We
pakken er gauw een boek bij. Als we af en toe opkijken zien we dat de man niet van houding en (k)ijkpunt veranderd is. Als het een andere man was geweest,
hadden we er misschien om kunnen lachen. Nu niet. Dit was niet een man om wie
je kon lachen.
In het water
zwemt een hond. Dat zal die van de achterburen zijn. Hij wordt geroepen door
zijn baasje. ‘Mikey! Kom! Hier! Nu!’ Mikey komt uit het water en schudt wild om
zich heen. Hij zegt iets tegen zijn vader. Mikey is boos, misschien omdat hij zojuist als een hond gecommandeerd werd. Zijn vader is boos omdat Mikey niet naar hem
luisterde. Ze lopen naar de moeder van Mikey. Die is boos omdat Mikeys zussen
niet met zijn allen een ijsje willen halen. Mikeys zussen zijn boos omdat hun
moeder niet mee wil lopen om voor hen de ijsjes te bestellen bij de grote,
norse meneer in de ijscokar. De familie van Mikey houdt het gauw voor gezien.
Ruziënd lopen ze naar hun fietsen.
Als we
willen zwemmen, wordt ons de weg naar het diepere deel versperd door twee beachballers. Ze staan ver uit elkaar, waardoor ze een groot deel van de doorloop blokkeren. Ik meen het meisje te herkennen uit café De Voortuin, waar ze werkt. De
twee – misschien zijn het broer en zus – lachen
overdreven hard bij te korte en duiken als malloten naar te diepe ballen. Wat
een uitslovers. Alsof alles om hen draait. We lopen zuchtend om het tweetal heen als ik ineens ook de
jongen herken. Lag hij niet op mijn handdoek? En was hij niet degene die ten overstaan van zijn vrienden met veel omhaal paprikachips in een bakje La Vache Qui Rit doopte? Ja, nu weet ik het zeker: dat was hij. Dat was ik.
Ik besluit niet langer meer op anderen te letten en zet schuldbewust een paar stappen vooruit.
maandag 15 juli 2013
Tafeltennissen
Er zijn
weinig dingen die ik liever doe dan tafeltennissen. Zelfs erover schrijven
voelt als tijdverspilling. Ik zou veel vaker willen tafeltennissen. Vroeger
hadden we een tafeltennistafel, die stond de hele zomer buiten, maar als de zon
scheen moest er een kleed over. Boos keken mijn broer dan naar boven – dat was
niet de afspraak! Bij de eerste wolk haalden we het doek eraf en de batjes tevoorschijn.
Mijn broer wilde met 21-0 winnen, ik zoveel mogelijk onmogelijke winners slaan.
Algauw droop de frustratie van onze ingespannen gezichten af. We stopten als
alle balletjes (uit boosheid) over de heg geslagen waren.
Op weg naar
de Franse of Spaanse camping verheugden we ons op het eindeloos spelen van rond
de tafel. Mijn broer was vaak een van de jongere, maar door zijn tennistenue en
het bezitten van twee batjes niet te onderschatte deelnemers. Ik was nog eens
vier jaar jonger en daardoor niet veel meer dan een duimende voetveeg die van
tevoren van iedereen uit medeleven een leven aangeboden kreeg. Met mijn levens
op zak rende ik vervolgens in het ritme van de bal tussen mijn twee keer zo
lange tegenstanders om de tafel, als een vluchtende kabouter in een enorm bos. Als
ik aan de beurt was, gierden de zenuwen door mijn lichaam. Na de eerste ronde
ontving ik zelden nog gratis levens. Dit was mij meer waard dan de spaarzame levens die ik zelf vergaarde.
Toen ik iets
ouder was, deed ik een keer mee aan een tafeltennistoernooi in Hilvarenbeek.
Geen rond de tafel, maar wedstrijden, met sets tot de 21 en drinkpauzes. Een
beetje zoals thuis. Ik had me opgegeven voor het Taptoe Tafeltennistoernooi na
de gymles op school, omdat de juf het wel iets voor me vond. Ik ging er heen
met mijn moeder en een versgeplakt batje. De eerste wedstrijd zal ik nooit
vergeten. Ik speelde tegen een jongen van mijn leeftijd. Hij had een serieuze,
ondoorgrondelijke blik in zijn ogen en lange stekels op zijn hoofd, die zijn
lijzige gestalte iets venijnigs gaven. Hij speelde alles slice en balde na elk
gewonnen punt zijn vuist. Ik wist niet wat ik meemaakte. Mijn tegenstander bleek op tafeltennis te
zitten. Geen wonder, fluisterde mijn moeder na het laatste punt. Ik verloor met twee keer 21-10, maar kreeg later die dag wel een diploma,
dat ik ondankbaar in ontvangst nam, als een echte winnaar.
Tegenwoordig
spelen de toernooien zich weer af op campings. Met drie vrienden vorm ik het
vaste deelnemersveld. Ons enige criterium voor een geschikte camping is dat er voldoende en goede tafeltennistafels zijn: binnentafels,
met een normaal netje, van net, niet van beton. De huisjes mogen verdrinken in
lekkages, de campingwinkel mag de meest smerige campingkazen verkopen, de
douches mogen op twee kilometer fietsafstand liggen van het zwembad, zolang er
maar onder de voor ons noodzakelijke omstandigheden getafeltennist kan worden. Dan spelen we
toernooitjes: één tegen één, best of three, tot de 21. We drinken de ene na de andere Aquarius, af en toe haalt één van
ons het in zijn hoofd een slice-bal te slaan en bij gewonnen punten ballen we
onze vuist. Een beetje zoals op het Taptoe Tafeltennistoernooi.
zaterdag 13 juli 2013
Rock Werchter 2013: (geen) contact met het publiek
Het was een
onvergetelijke ervaring. Niet alleen voor ons, ook voor Passenger, Lianne La
Havas, Ben Howard en de zanger van The Script. Woorden kwamen ze tekort om het
naar complimenten hunkerende publiek te voeden. Nooit eerder hadden de (wereld)beroemde
artiesten in zo’n grote tent gestaan, nooit eerder hadden ze een publiek
getroffen dat zo mooi zingen kon en nooit eerder scheen de zon zo mooi als op
Rock Werchter 2013.
Aan ons, het
publiek, was het de schone taak het oprechte kaf van het babbelende koren te
scheiden. Zou Rock Werchter, deze editie in het bijzonder, inderdaad zo’n
unieke aangelegenheid zijn voor deze festivalveelvraten? Rock Werchter, het
festival met de meest enthousiaste bezoekers, de beste akoestiek en het beste
aangelengde bier? Of werd ons een dikke vette, plastieken worst voorgehouden?
Passenger
kreeg van ons het voordeel van de twijfel. Hij sprak veel. Later zag ik op
Youtube hoe hij op verschillende andere podia exact hetzelfde verhaal
verkondigde: over zijn zenuwen en over het feit dat dit optreden toch wel zijn
grootste en belangrijkste optreden ‘so far’ – een citaatje voor de
betrouwbaarheid – was. Mooi ingetuind dus. Of zou hij het ditmaal gemeend
hebben, maar in de korte tijd geen andere uiting hebben kunnen vinden dan de
ingestudeerde?
De
oprechtheid van Ben Howard stond niet ter discussie. Hij was zichtbaar
aangedaan door de uitzinnige zaal en liet dit in verlegen woord en gebaar
blijken. Blijkbaar went geadoreerd worden niet, of in ieder geval niet voor
iedereen. Ook Lianne La Havas reageerde beduusd op het enthousiasme in de tent.
Haar intermezzo’s werden gekenmerkt door een ontwapende spontaniteit; met een
aantal ‘Oh dear’s liet La Havas blijken niet berekend te zijn op zo’n enthousiast
publiek. Als je er langer over nadenkt, schurkt dat tegen minachting aan. Maar
niet bij Lianne, die daarvoor veel te innemend was.
Daniel O’Donoghue
van The Script deed allerminst zijn best zijn obligate woorden enige
oprechtheid mee te geven. Hij kwezelde op het hoofpodium over love, zijn liefde
voor Belgium – de hoofdstad van Brussel – en hoe goed de vibe wel niet was. De veelal
14-/15-jarige, veelal vrouwelijke toeschouwers slikten het voor zoete koek of
waren met hun telefoon filmpjes van dit unieke moment aan het maken. Ook als
Daniel had gezegd dat hij een vrachtwagen sneldrogend cement over hen zou
gooien, hadden ze hem verlamd van aanbidding aangegaapt, denk ik.
En dan was
er Jake Bugg. Hij stond in dezelfde ‘amazing’ tent als waarin eerder op de dag
Passenger zijn ‘gig’ verzorgde. Maar Jake zei niets over zenuwen, de waarde van
dit optreden of over het (weldegelijk) enthousiaste publiek. Hij speelde zijn
nummers en alleen als het publiek erg haar best deed, werd ze in binnensmonds
Engels bedankt. Als er geklapt werd, keek Jake afkeurend de zaal in, alsof hij
zijn grootmoeder zag dansen op één van zijn meest dierbare nummers. Hij zette
tijdens zijn weergaloze solo’s een gezicht op dat die weergaloosheid
onderstreepte. En Jake lachte slechts één keer, om iets wat alleen Jake Bugg
begreep.
Conclusie: er bestaan grote
verschillen in het contact tussen artiest en publiek. En: het is nooit goed. En:
wat was het goed! En daarom: wat maakt het eigenlijk uit. Snel vergeten, dit
stukje.
dinsdag 2 juli 2013
Persconferentie op school
‘Dag dames
en heren, welkom op de jaarlijkse persconferentie hier in Wageningen. Zojuist, nog geen half uur geleden, is recht boven mij,
in de lerarenkamer van Pantarijn, de klassenindeling voor het schooljaar
2013-2014 bekendgemaakt en zoals gebruikelijk doen wij live verslag van de
persconferentie die naar aanleiding daarvan wordt gehouden. Dit jaar zal Mike
Louwman het docentencorps vertegenwoordigen. Louwman is een beginnend docent
Nederlands. Hij neemt volgend jaar vier klassen of minder of meer voor zijn rekening;
hoeveel precies is nog niet uitgelekt. Wel is uitgelekt dat de persconferentie
dit jaar in het teken zal staan van geheimhouding. Of Louwman van plan is zich
daar aan te houden is dan weer niet uitgelekt, maar we zijn hard bezig dat
boven water te krijgen.
‘Ja,
goedemorgen meneer Louwman, de naam is Ted van Bemmelen, van Onderwijsneus: meneer Louwman, ik
begreep dat u komend schooljaar niet alleen lesgeeft, maar ook een mentoraat
voor uw rekening neemt. Wat is daarvan waar?’ ‘Daar is niets van waar.’ ‘Dus u
doet het niet?’ ‘Daar is ook niets van waar.’ ‘Dus u doet het wel?’ ‘Nee, maar
ik kan het ook niet uitsluiten.’ ‘Als ik daarop mag aansluiten… Michiel
Marsmeijer van het weekblad Antwoord:
als u mentor wordt, wat voor een mentor wilt u dan zijn? Heeft u daar al over
nagedacht?’ ‘Ja.’ ‘Dank u wel.’
‘Ja hallo,
ben ik te verstaan? Ja? Mooi. Fanny Rolmops, Koninklijk enkelvoud: ‘Mike, mag ik trouwens Mike zeggen?’ ‘Daar
laat ik me liever niet over uit.’ ‘Waarmee moeten je leerlingen je eigenlijk aanspreken?’
‘Is dat uw vraag?’ ‘Eh, ben je bereid er meerdere te beantwoorden?’ ‘Daar laat
ik me niet over uit.’ ‘Ja, dat is mijn vraag.’ ‘Daar laat ik me niet over uit.’
‘Oké, een andere vraag dan.’ ‘Ik beantwoord maar één vraag.’
‘Goedeeeee…
morgen, hier Dennis Anker van Aanminderen, een tijdschrift over mensen met een serieuze tot vergevorderde
vaarverslaving: klopt het dat u onlangs met collega’s in Friesland bent geweest?
Om te varen? Op een schooldag?’ ‘Dat klopt.’ ‘Wat precies?’ ‘Dat.’ ‘Dat
varen?’ ‘Nee.’ ‘Dat in Friesland?’ ‘Nee.’ ‘Dat op een schooldag?’ ‘Ja,
dat.’ ‘Dank u wel.’
‘Mike, kanjer, wat
heerlijk om weer eens een jonge docent met zo’n gezonde Hollandse kop een vraag
te kunnen stellen.’ ‘Mag ik vragen waar ik u van kan kennen?’ ‘Van de
televisie, denk ik, van mijn reisprogramma. Dan ga ik op pad om te integreren
in andere culturen. Man, dat is zo mooi om te doen. En wat een heerlijke mensen
die ik er tegenkom. Echte kanjers zijn het. Daarmee kom ik direct op mijn
vraag: hoeveel kanjers heb jij volgend jaar in de klas?’ ‘In welke klas?’ ‘In
de klassen die je hebt.’ ‘Welke klassen heb ik?’ ‘Dat weet ik natuurlijk niet.’
‘Dan weet ik ook niet hoeveel kanjers daarin zitten.’ ‘Geen probleem. Bedankt
voor deze fantastische ervaring. Man, wat heerlijk is het om met jonge mensen
te werken!’
‘Hiermee
ronden we de persconferentie af. Als er nog vragen zijn, stel ze alstublieft niet. Mochten
er dingen duidelijk geworden zijn, dan is dat uw verdienste geweest. Tot volgend jaar.’
zaterdag 22 juni 2013
Elastiek Muziek
Tussen de
giraffen en de speeltoestellen van de Beekse Bergen spelen dit weekend de
Arctic Monkeys. Ze staan op het programma van het eerste Best Kept Secret
Festival, een festival dat op de radio zo veel gepromoot is dat de naam al voor
de aftrap aan verandering toe is. Arctic Monkeys was mijn lievelingsband – voor
zover ik destijds meerdere bands kende – toen ik een jaar of zestien was. Hun
cd’s had ik gekocht in de enige cd-winkel die Hilvarenbeek rijk was. Nu is die
cd-winkel er niet meer: vervangen door nota bene de Arctic Monkeys zelf. Oh,
oneerlijke wereld.
Toen ik de Arctic
Monkeys-cd aanschafte, was er in Hilvarenbeek Elastiek Muziek. Eerder ook, en
later, en nu, maar vooral toen. Tussen ons huis en het festivalterrein, een
grasveld ter grootte van een minimaal afgesneden voetbalveld, bevond zich
slechts een kleine steeg en een rij huizen aan dat grasveld. Toch moest en zou
ik bij een vriend logeren die in één van die huizen woonde. Bij dag en dauw
stonden we op om het programma van de dag door te nemen: Treble, buiten; daarna
Ilse deLange, ook buiten; dan Intwine of Krezip, binnen; en tot slot
Brainpower, binnen. Bij Intwine maakte ik kennis met het festivalfenomeen ‘de
pit’ en bij Brainpower met het concertfenomeen ‘de toegift’. Ik had al drie
keer afscheid genomen van mijn vrienden (het was de laatste avond, dus ik sliep
gewoon weer thuis), voordat ik het concept doorkreeg. Zij riepen zo hard om nog
een liedje dat ze me drie keer niet hoorden. Gelukkig.
Elastiek
Muziek was voor mij het decor van veel meer vuurdopen. Behalve de pit en de
toegift waren voor mij de festivalmunten, het (festival)bier, Twarres, Abel, het
zomaar praten met wildvreemden, claustrofobie, Pater Moeskroen, een milde maar
onmiskenbare vernielzucht, Postmen, Green Lizard, onverschilligheid, dronken
worden en The Sheer nieuw. Ik probeerde met man en macht dat niet te laten
blijken, maar kwam tegelijkertijd zintuigen tekort om alle nieuwe indrukken te
verwerken. Het effect zal bij voorbijgangers drugsgebruik op vroege leeftijd
hebben opgeroepen. Ik trok me daar zogenaamd niets van aan, maar geneerde me
tegelijkertijd voor mijn onbehouwenheid. Helemaal toen ik op een avond mijn
energieoverschot omzette in een act op de houten balie van een leeg kraampje en
mezelf enkele seconden later terugvond in een houten tosti.
Nu wonen er waarschijnlijk
andere mensen van 16 in de huizenrij. Ik ben bij mijn ouders thuis. Ik wilde dit
weekend naar Elastiek Muziek toe gaan maar heb me bedacht. Ik sta niet voor
mezelf in. Ook het Best Kept Secret Festival, een kilometer verderop, is linke
soep. Voor je het weet klim ik het podium op. Dus ga ik dit weekend naar
neutraal terrein: het Goffertpark in Nijmegen. Daar speelt ene Bruce
Springsteen. Hij noemt zichzelf ‘The Boss’: net zo omhooggevallen als ik tijdens Elastiek Muziek. Hij komt zichzelf nog wel tegen.
donderdag 13 juni 2013
Bijna vakantie
Het is bijna
vakantie, maar bijna is niet helemaal. Het voorwerk is in volle gang, maar de
uitvoering laat nog een paar weken op zich wachten. Deze weken lijken eeuwen te
duren. Op het scherm van mijn laptop ontvouwen zich kilometerslange voettochten
door steden die ik het liefst vandaag nog zou bezoeken en in mijn hoofd verzamelen
zich ambitieuze plannen en voornemens die ik het liefst morgen nog ten uitvoer
zou brengen. Maar eerst wacht nog een toets, een les, een gesprek, een les, een
vergadering, een les, een les, een presentatie, een scriptie, een les, een
paper, een borrel en een finalewaardige nakijksessie.
De eerste
horde is genomen: de grammaticatoets voor klas 1 is af. Gemakkelijk ging het
niet. De aanbetaling van het appartement dwong me ertoe sites te openen die het
bedenken van voorbeeldzinnen – ‘Karlijn en Mike gingen met de trein naar
Bordeaux’, vooruit – niet of maar heel even bevorderen. Algauw vroeg ik me
hardop af waar de boot van de boottocht zou vertrekken, hoe groot de kans op
regen zou zijn en of het strand een beetje in de buurt was. Of ‘een beetje in
de buurt’ wel of niet het naamwoordelijk deel van het gezegde was, deed even
niet ter zake. Met alle vertraging van dien.
Belangrijker
dan de toets was ook het schema dat ik aan het maken was, met daarin alle bands
en artiesten die op Rock Werchter spelen dit jaar – ik heb een kaartje en dat
wil ik weten. Alle zevenzeventig acts heb ik opgezocht en beoordeeld op basis
van mijn eigen, onsamenhangende smaak. Het resultaat was een heuse top-77. De
hoogste noteringen waren voor John Legend, Kings of Leon en Jake Bugg. Deze acts,
aangevuld met de andere zeventien uit de top-20, heb ik samen met mijn Rock Werchterpartner
in crime verwerkt in een rooster. Vanaf donderdagmiddag lopen we vier dagen op
rij ons schema achterna. Zelden ergens zo naar uitgekeken.
Maar er komt
misschien nog meer. Op de deurmat vind ik een boekje met op de voorkant een overduidelijk ingehuurde
familie: de gelukzaligheid spat van het bovenmatig glanzende plastic af. Ik blader
een beetje in het boekje. Het betreft een vakantiegids van Center Parcs. Op de
circa honderd pagina’s zie ik de ene na de andere (te) rijk gemeubileerde vierpersoonsbungalow
en de ene na de andere breeduit lachende jongen van 11 met helm en
kniebeschermers een lieflijk beboste heuvel trotseren. Dat wil ik ook doen! En
wat te denken van spelen in de overdekte speelhal met zes (zes!) tafeltennistafels! Ja!
Ja! Hier! Hallo? Hier!
Wat een
geluk dat ik drie vrienden heb die hier net zo enthousiast van worden als ik. Niets staat een boeking voor een weekend (of twee) in de weg. Hooguit die
ene les, dat gesprek, die andere les, de vergadering, de les, de les, de presentatie,
de scriptie, de les, het paper, de borrel en de finalewaardige nakijksessie. Dan
boeken we toch niet? Ze zien ons wel verschijnen.
donderdag 30 mei 2013
De Beste Singer-Songwriter van Nederland
Ik kijk naar
De Beste Singer-Songwriter van Nederland( #DBSSW #twitterlivemee). Giel Beelen
en zijn muzikale vrienden gaan hierin op zoek… Ho, zijn muzikale vrienden? Ik
kijk naar het scherm en zie de logge gestalte van Eric Corton het beeld vullen.
Hij hangt, met zijn benen over elkaar, achterover in een leren bank. Als ik hem
niet had gekend, had ik waarschijnlijk een soort pseudo-belezen rugbyer in hem gezien.
Muzikaal? Op Wikipedia lees ik dat Eric Corton de zanger was van het Eric
Corton Trio. Vooruit. Naast hem zit Sanne Hans, beter bekend als Miss Montreal
en de grootste fan van Nielson ‘omdat je gewoon heel lekker bent.’ Vooruit.
Michaël moet
als eerst. Hij vertelt hoe hij vijf jaar geleden een kroeg binnen liep, met een
gitaar op zijn rug. Sindsdien is hij singer-songwriter. Hij omschrijft zijn
stijl als een kruising tussen Ierse folk, Engelse folk en blues. Dat is niet
mis. In een filmpje over Michaël is te zien hoe hij door een vriend naar de
studio wordt gebracht. Er wordt een scène gespeeld waarin hij zijn vriend
hiervoor bedankt. De vriend zegt: ‘Geen probleem, Michaël.’ Dan zijn we weer
terug in de studio. Michaëls liedje gaat over hopen dat de ander het gelooft,
wat hij voelt. Voordat hij begint doet hij zijn hoedje goed.
Met open mond
luister ik naar het nummer, dat over iets anders lijkt te gaan, maar daardoor
niet minder weergaloos is. Ik zet het geluid harder. Als Michaël klaar is, geeft
een betraande Eric Corton commentaar. Hij plaatst het nummer boven de complete
CD Kentucky Avenue van Tom Waits.
Michaël grijnst en zegt dat hij en Eric ‘levelen, ofzo’. Dan is Maartje. Maartje grijnst niet. Terwijl
Eric zijn tranen droog dept, zien we dat Maartje maatje is en dat ze
psychologie studeert. ‘Ik houd van gekke mensen’, zegt ze. Dan begint het
nummer. Ik weet niet zo goed wat ik ervan vind. Medekandidaat Samya ook niet: ‘Ze
zit gewoon. Maar ze er zit ook. Zo van hoppa.’
Ruud valt de
twijfelachtige eer ten deel van de artiest met het meest ‘catchy’ liedje. Samya,
die na Ruud aan de beurt is, vertelt dat ze een opleiding tot taartarchitect
gevolgd heeft. Haar stem is mooi en lijkt een beetje op die van Kate Nash. Het onrustige
nummer valt bij mij noch Nando in de smaak: ‘Het is niet helemaal mijn stijl,
dat raggen op die gitaar.’ Nando denkt wel dat hij een kanshebber is, al heeft
hij geen idee wie zijn concurrenten zijn. Zijn nummer kabbelt een beetje weg,
maar wordt enthousiast ontvangen door de jury, die Nando met de winnaar van de
eerste editie, Douwe Bob, vergelijkt. Ik ben het daar niet mee eens, maar ook
de kandidaten noemen allemaal de naam Douwe Bob. Zij denken dat Nando juist daarom
niet doorgaat.
De reden dat Nando niet doorgaat komt na Nando. Maaike vertelt over haar ouders, die, toen ze op de middelbare school zat, zijn overleden. Daarna zingt ze Dat ik je mis, over het gemis van haar moeder. Het nummer is oprecht en direct en Maaike verovert de jury, mij en niet veel later iTunes door met een kraakheldere stem en blik het van emoties doortrokken liedje op te voeren. Giel Beelen heeft al een tijd lang niet meer aan zijn vader gedacht en Sanne Hans moet huilen omdat, zo blijkt de volgende dag in Koffietijd, Giel zo moet huilen. Eric Corton kan niet achterblijven en huilt mee. Maaike slaat het tafereel enigszins beschroomd gade.
Ik ben ook
geraakt door het liedje maar hoef niet te huilen. Even twijfel ik aan mijn
eigen emoties. Ik vond het toch ook heel mooi? Had ik niet eigenlijk ook moeten
huilen? Als Giel Beelen het kan… Een vriendelijk lachende Maaike laat zien dat er
ook andere manieren zijn om met emoties om te gaan. Misschien ben ik daar nog het meest van onder de indruk.
Jasper zegt ‘popliedjes
met een rockrandje’ te schrijven. Het is mooi geweest.
zaterdag 25 mei 2013
Andere tijden PSV
Vanavond speelde
Borussia Dortmund tegen Bayern Munchen om de Champions League. Bayern won. Het
Nederlandse aandeel in de overwinning was groot, met een assist en de winnende
treffer van de man die drie jaar geleden gedurende tien seconden het hele Nederlandse
volk in zijn macht had: Arjen Robben.
Nederlandse
spelers en de Champions Leaguefinale gaan doorgaans goed samen. Een Nederlands
team in de Champions League-finale is daarentegen even onwaarschijnlijk als een
Maltees of Litouws team in de poulefase. Hoe anders was dat acht jaar geleden.
Toen ging de finale weliswaar tussen AC Milan en Liverpool, maar de Milanezen
speelden met het Eindhovense gras nog tussen de noppen.
PSV was dat
seizoen ijzersterk, met de teamspelers Philip Cocu, Mark van Bommel en Ji-Sung
Park als uitblinkers. In de Champions League werd voor het eerst de poulefase
overleefd. Vooral de goal van Damarcus Beasley is me bijgebleven, tegen
Rosenborg: 1-0. De pass van Cocu werd liefkozend een De-Boertje genoemd. Ook de
kiezelharde kopbal van Alex tegen Arsenal mocht er wezen.
In de
achtste finales werd AS Monaco eenvoudig opzijgezet. PSV was in die dagen zo
goed dat ik het normaal vond dat ze in Monaco met 0-2 wonnen en dat Vennegoor
of Hesselink de man van de wedstrijd was. In de kwartfinale was Olympique Lyon
de tegenstander. Lyon was in die jaren een outsider voor de titel,
vergelijkbaar met het huidige Borussia Dortmund. In Lyon werd het 1-1 door een
gelukkige en onverwachte treffer van Cocu.
Getooid in
een Kezmanshirt – tijdperken volgden elkaar toen al razendsnel op – trok ik op een
avond in april, samen met mijn broer en duizenden andere supporters, naar het stadion.
Daar namen we plaats op direct na de uitwedstrijd gereserveerde stoelen in de
tweede ring. We zaten in een ‘lage rij’, zodat we iedereen op het veld
herkenden, tot aan de relatief onbekende invaller Robert, die voor de wedstrijd
een Maradonna-achtig dansje deed met een bal.
In de
achtste minuut kopte Wilfred Bouma – ja, die – een hoge bal onhandig weg: recht
in de voeten van gewezen Arsenal-ster Sylvain Wiltord. Die rondde niet fraai
maar uiterst doeltreffend af. Een uur later werd het, na veel gemiste kansen,
eindelijk 1-1 door een indrukwekkende volley van Alex. Een ongelooflijke
hoeveelheid geluid verzamelde zich en kwam in alle hoeken van het het stadion
tot ontploffing. Ik sprong en danste en viel mijn zeker veertig jaar oudere
buurman om de nek; van mijn broer was een paar minuten geen spoor te bekennen.
Niets kon dit overtreffen. Helemaal niets.
Een uur
later moest ik, na de winnende penalty van Robert, die mening herzien. Wat een
avond! Wat een overwinning! PSV stond in de halve finale!
Tijdens de
uitwisselingsweek in Polen onttrok ik me op de Champions Leagueavond aan verschillende
halve en hele afspraken om in de woonkamer van mijn gastgezin AC Milan-PSV te
kunnen kijken. Ik was alleen. De tv stoorde, wat de wedstrijd in mijn geheugen
een extra sombere en vage gloed heeft gegeven. Ik herinner me alleen nog de 2-0
van Jon Dahl Tomasson: een frommelgoal. Ik wilde met iets gooien, maar gelukkig
had de tv geen afstandsbediening.
De
terugwedstrijd werd een nog onmogelijke opgave dan die tegen Olympique Lyon.
Deze mening heb ik helaas niet kunnen herzien. Al scheelde het niet veel. Het
had de avond van Theo Lucius kunnen worden: die avond was hij voor even de
beste voetballer van de wereld.
woensdag 15 mei 2013
Scripted reality
Jasmijn is aan het woord. Ze vermoedt wat. Hij moet de
laatste tijd wel erg vaak overwerken. Iedere dag eigenlijk. En hij reageerde zo
vreemd toen ze ‘m vertelde dat ze met een vriendin een paar dagen naar
Maastricht ging. In het volgende shot – Jasmijn drinkt, denkt hij, op dat
moment een wijntje op het Vrijthof – zien we hem, Bart, het huis binnengaan.
Even later is zijn bezoek aan de beurt. Ik kan er niets anders van maken: de
handeling wordt overdreven expliciet in beeld gebracht. Er worden weliswaar wat
lichaamsdelen met ruis bedekt, maar de beweging en bijbehorende geluiden lijken
eerder versterkt dan vervaagd. Het is tien over acht.
Jasmijn is niet op haar achterhoofd gevallen. Dat weekendje
Maastricht was een afleidingsmanoeuvre. Ze zit gewoon tien meter verderop, in
de tuin, met een privédetective naast zich en omringd door een stuk of vijftien
beeldschermen. Overal in huis zijn camera’s opgehangen. Bart heeft niets door.
Hij is maar met één ding bezig. Toen zijn bezoek aanbelde, deed hij open in zijn
badjas. Binnen tien seconden was het voorspel achter de rug. Er was lust in het
spel, zo vertelde de voice-over met een stem zo laag dat mijn buik erop
reageerde.
Jasmijn ziet wat er gebeurt en reageert geschokt. De
privédetective –iemand die eruitziet alsof hij je een abonnement op een
onbestaand tijdschrift wil aansmeren – troost Jasmijn en zegt dat ze altijd bij
hem kan logeren de komende dagen. Dan slaat Jasmijns gemoed om. Ze is het zat
om in het door hem gekochte tuinmeubilair te moeten toezien hoe hij op het door
haar gekochte bankstel een andere vrouw te grazen neemt. Ze stampt naar binnen,
gevolgd door een bataljon cameramannen en de privédetective. Bart heeft pas
iets door als ze met een vaas van de Xenos –zijn aankoop – op hem af stormt en
schreeuwt: ‘Baaaart! What the fuck!?’
Bart reageert stomverbaasd: ‘Jasmijn? Wat doe jij hier? Jij
was toch in Maastricht? What the fuck!’ ‘What the fuck!’ schreeuwt Jasmijn
weer. ‘Gast, wat doe je! Jezus! What the fuck echt.’ ‘What the fuck’, reageert
Bart, nu iets rustiger, ‘dat kan ik beter aan jou vragen.’ ‘Ik ben in mijn
eigen huis ja, verdomme, what the fuck jonge. En wat doe jij hier nog!?’ Met
trillende vinger wijst Jasmijn in de richting van het bezoek. Het blijkt een
collega van Jasmijn te zijn. Jasmijn ziet het. ‘What the fuck, Tess, hoezo? Wat
denk je wel? Hoe kun je dit doen? Trut, ga uit mijn leven, what the fuck!’
De ontknoping is nog in volle gang als de aftiteling begint te
lopen. Ik zie wie er ‘What the fuck!’ geroepen hebben, wie de acht cameramannen
waren en welke shampooverkoper de rol van de privédetective speelde. Het
programma heet Overspel in de liefde.
Ik besluit het vaker te kijken, waarom weet ik niet precies. Misschien ben ik,
zonder het te weten, een liefhebber van het nieuwe tv-genre scripted reality, waar het programma
onder geschaard wordt. Scripted reality
houdt in dat een acteurs spelen dat ze in een reality-soap spelen; het is heel
erg meta. Dit wordt prachtig geïllustreerd door Bart, die, als de gemoederen
enigszins bedaard lijken te zijn, nog één keer uit zijn slof schiet: ‘What the
fuck gasten, rot een end op met die camera!’ Ik ben lang niet meer zo in de war geweest. Morgen weer.
Abonneren op:
Posts (Atom)