vrijdag 22 juli 2011

Alfred en de kauwgomballen


Het is de nacht van woensdag op donderdag en het is een uur of één. Ik loop met twee vrienden in een verlaten stationshal, op weg naar huis, als we iets vreemds zien gebeuren: in de lege stationshal scherut een man van een jaar of 70 scheurt, gezeten in een scootmobiel, met enorme snelheid voorbij.

Voordat we het wisten was de man alweer uit beeld. Voor de zekerheid keek ik of achter de bloemenkiosk een camera tevoorschijn zou komen, met een of andere Verborgen Cameraman ervoor, maar de actie was niet geregisseerd. We hebben het toevallig meegemaakt en ik denk, nu ik er wat langer bij stilsta, dat het volgende aan de hand is geweest.

De man, laten we hem voor het gemak Alfred noemen, was, na hun zoveelste kauwgomballenconflict, op straat gezet door zijn vrouw Klazien. Alfred houdt vreselijk veel van het soort kauwgomballen dat bij de plaatselijke zwemhal in automaten tegen gebruik beschermd worden. Niet tegen Alfred, die kilo’s van het spul naar binnen werkt. Niets mis mee, ware het niet dat Alfred last heeft van zowel gebitsslijtage als Alzheimer. Hierdoor komt elke kauwgombal ongekauwd vast te zitten in zijn keel en vergeet hij bij de volgende megabonk wat voor capriolen er de vorige keer nodig waren om de boosdoener los te krijgen.

Zijn vrouw heeft gedurende enkele maanden zijn bijna-dood-ervaringen op een kladje aan de muur bijgehouden en zichzelf voorgenomen dat na nummer vierhonderdelf de maat vol zou zijn. Ze moest immers ook aan haar eigen gezondheid denken. Aan het op zijn kop tillen van haar echtgenoot en diens scootmobiel om zodoende hem voor de zoveelste dood te behoeden, had zij een permanent ontwrichte ellepijp overgehouden.

Alfred verslikte zich al gauw (een dag of tien na zijn eerste) in zijn vierhonderdelfde kauwgombal. Hij probeerde nog te doen voorkomen dat hij een liedje van Mika zong, maar Klazien, Mikafan in hart en nieren, ontdekte een cruciale tekstfout en wees hem resoluut de deur.

Alfreds wereld stortte in. Door zijn ziekte had hij al geruime tijd geen werk en inkomen meer en nu viel ook de financiële steun van zijn vrouw weg. Een dag lang dwaalde Alfred rond in het centrum van de stad, zonder doel en, erger nog, zonder kauwgomballen. Maar, na deze eerste kauwgomvrije dag in maanden, greep Alfred toch weer terug op zijn verslaving. Hij besloot alle mogelijke plekken in Utrecht af te zoeken naar kleingeld, waarmee hij kauwgombalautomaten weer aan het werk kon zetten.

Zo vult Alfred nu nog altijd zijn dagen. Hij leeft (kauwt) van geld dat mensen per ongeluk laten vallen of giften van goedgelovige toeristen – alle locals zijn door Klazien gewaarschuwd. Nu zat de dag van Alfred er bijna op, toen hij, in de stationshal, ineens een glimmend voorwerp zag. Hij herkende direct de vorm, contouren en kleur van het muntje van 20 cent. Toen hij in zijn ooghoek drie afgeleefde zigeuners in sportbroek naar het muntje zag bewegen, zette hij de turbo aan.

Waterdicht.