zondag 18 maart 2012

Van kak naar mest



Het contrast kon niet groter: die ochtend had ik bijles gegeven aan een jongen in Naarden, een jongen die trouwens helemaal geen bijles nodig had, eerder een bibliotheekpas: hij wist van a tot z wat er van hem verwacht werd bij het mondeling Nederlands, maar had vermoedelijk de l van lezen over het hoofd gezien. Ik houd al een paar bijlessen wijselijk mijn mond. Ik kan geen leeservaringen aanbieden, maar wel schema’s en open deuren over zenuwen en oefenen voor de spiegel. Om elf uur verliet ik twintig onverdiende euro’s rijker de door opritten omgeven villa, op weg naar mijn volgende bestemming.

Een boerderij in de buurt van Purmerend – ziedaar het contrast. Ik passeer een aantal verlaten plaatsen met oneindige weilanden waar voertuigen onder de drie meter in de minderheid zijn. Aangekomen in Purmerend neem ik onhandig plaats op een parkeerpaaltje, terwijl ik me verbaas over het enorme aantal verkeersborden om me heen en het tegenvallende aantal bankjes. Wanneer mijn evenwicht het dreigt te verliezen van het paaltje, zie ik vanachter een hoge tunnelwand mijn vriendinnetje verschijnen – kedeng kedeng! Nadat ik haar heb begroet maak ik kennis met Antje, dochter van boer Martin en Linda en tevens hoofd route of, zoals Antje het liever noemt: Antje Antje.

We rijden over lege landwegen met boerderijen aan de linker- en rechterkant. Antje wijst de goede boerderij aan. We stappen uit en blubberen onszelf richting de voordeur. Binnen ontmoet ik de andere leden van de familie, waaronder zoon Teun en dochter Frida. Teun is erg goed in rekenen en voetbal. Dat geloof ik direct, maar ik ontkom niet aan twee wedstrijdjes die beide verloren gaan. Ook Antje blijkt een snelle denker: bij het hooibalentellen laat ze me letterlijk en figuurlijk alle hoeken van de boerderij zien. Frida tot slot is een echte knuffelaar en daarbij de onbetwiste beheerster van ‘het rustige geitenhok’. Ze voert er een streng maar rechtvaardig deurbeleid: je mag erbij, als je zo mee gaat spelen. Fair.

Doodmoe loop ik ’s avonds de laatste meters naar huis. Sommige mensen reizen er de hele wereld voor over, maar ik had aan een OV-chipkaart en aan twee afspraken genoeg om op één dag in twee totaal verschillende culturen ondergedompeld te worden. Liggend op mijn bed in Utrecht druk ik de volgende gedachte weg: ‘Ik zou best wel op een boerderij willen wonen.’

zaterdag 3 maart 2012

Bandje


Er staat een bandje in de starthouding op het van snoeren en instrumenten vergeven podium. De drummer telt af en de muziek start. De mensen die met hun rug naar het podium gekeerd in gesprek zijn over Lutz Jacobi, Prins Friso, het mespuntje lente dat in de lucht hangt, draaien zich om. Ze kijken vol verwachting naar het grotendeels door een muts bedekte hoofd van de zanger. Een paar seconden later dringt het tot hen door dat er niet live gespeeld wordt. Het duurt nog een paar seconden voordat duidelijk wordt dat een nummer van Prince te horen is. Alleen de drummer schijnt dit niet door te hebben, hij is aan zijn eerste nummer begonnen.

Een vrouw achter me zucht en zucht vervolgens nog een keer, de tweede keer luider. Iedereen wendt zich licht teleurgesteld weer tot zijn voormalige gesprekspartner. Er worden her en der grappen gemaakt die verraden hoe hoog de nood is om door het bandje van elkaars gezelschap verlost te worden: ‘Haha, Prince ziet er ineens wel heel anders uit, hè’, of: ‘Ze hebben even gekeken of we er in zouden trappen, haha.’ Uit alle hoeken stromen mensen naar de bar om alvast een volgend biertje te halen.

In de tussentijd komen mannen met zwarte, lange haren en met zendertjes in hun oren het podium op. Ze klooien met kluwen snoeren die de indruk wekken zodadelijk de hele stad zonder stroom te zetten. De twee mannen kijken er ook zo bij: alles moet wijken voor het bandje. Terwijl het publiek de mobiele telefoons (het laatste redmiddel) erbij pakt, wordt op het podium duidelijk waar alle telefoonsnoeren de laatste jaren gebleven zijn; geen houtsplinter is onbedekt gelaten.

De zanger doet een gitaar om. En weer af. En weer om. Intussen kijkt hij uitdagend het publiek in. Drie meisjes kijken uitdagend terug. De andere toeschouwers in spe vinden dat respectloos ten opzichte van de prins en praten verder. De drie overige leden van het bandje lopen heen en weer en klampen onderweg mensen aan die ze kennen. Met een been gebogen en de zool van hun schoen tegen de muur doen ze net of ze alle tijd hebben. Misschien kennen ze de zanger zo goed dat ze weten ze dat zijn aandoenlijke voorspel een hele CD kan vullen en zorgen ze er op deze manier voor dat het daadwerkelijk bij voorspel blijft.

Dan lopen de drie jongens weer het podium op en hangt de zanger de gitaar terug. De mannen met de zenders zijn weg, niets staat het bandje nog in de weg. De drummer telt af, het publiek houdt zijn adem in. Wat de zaal vervolgens bereikt komt akelig overeen met wat de instrumenten verlaat: het is live, deze keer. Mensen zijn zichtbaar opgelucht; bestellingen worden geannuleerd, de prins dood verklaard. De zanger kijkt nog steeds uitdagend maar zingt nu ook, wat zijn overkomen wat minder schrijnend maakt. De drummer schudt met zichtbare felheid de teleurstelling van zojuist van zich af. Alles komt eindelijk bij elkaar.

Dan stopt ineens de toetsenist ermee. De mannen met de zendertjes lopen op hun gemak het podium weer op. Er zit een draadje los, schijnbaar. Ook met het drumstel is iets aan de hand. Het bandje is na ruim een uur soundchecken nog altijd niet begonnen. Dan zit er inderdaad een draadje los.

zondag 26 februari 2012

Squash


‘Anton is een griezel’, aldus Jo, de baas van Squash Utrecht. Jo kijkt GTST, eerst dagelijks, nu af en toe: ‘Als die gore scriptschrijvers er een keer niet zo’n bende van hebben gemaakt,’ verzucht ze. Jo is een kijker van de oude stempel. Smachtend kijkt ze uit naar de dag dat dokter Peer zijn herintrede doet of Helen Helmink weer ’s ouderwets een schaar uit haar fietszadel trekt. ‘Dat is nog eens wat anders dan iemand gewoon voor zijn harses slaan, dat ken ik zelf ook nog wel verzinnen’, verzucht ze voor een tweede keer.

Ik wacht ongeduldig tot Jo haar GTST-frustraties omzet in het nummer van de baan waarop Frank en ik spelen. Dat dat vrij lang duurt, heb ik zelf in de hand gewerkt door op (squash)dag 1 te kennen te geven dat ik ook wel ’s kijk. Jo ziet in mij sindsdien haar steun en toeverlaat als het gaat om de sores van Edwin, Ricky, Anton, de hele verzameling. Als ze uitgeraasd is noemt ze terloops de baan, niet zonder een lichte ergernis door te laten klinken over het uitblijven van deskundig GTST-commentaar. ‘Baantje twaalf’, verzucht Jo voor een derde keer.

Ik loop naar baantje twaalf en passeer onderweg een paar ranke, kalende mannen met een getergd gezicht, die hun training opnemen op video. Ik kijk vol ontzag naar rally’s die minuten duren en trek intussen mijn schoenen aan, die ik thuis met zwart plakband heb behoed voor vroegtijdige ontbinding. Opzichtig haal ik vervolgens een balletje met twee gele stippen tevoorschijn, het type balletje dat zegt: mijn bespeler doet het niet voor het eerst. Dat ik me hiertoe laat verleiden, wijt ik aan de videoboys achter ons. En aan mijn zwaar verminkte schoenen. Het is niet iets zieligs, maak ik mezelf wijs, ik heb gewoon een flinke achterstand goed te maken.

Voornamelijk op Frank, die niet veel later met een zak wortels, gehuld in een Intershirt en op de schoenen van vriendin Merel binnen komt lopen. Ik heb vooralsnog minder dan 1% van onze wedstrijden gewonnen, maar vandaag maak ik kans, zoveel is duidelijk. Na een half uur bijpraten gaan we de baan op. Het inspelen verloopt goed, voor ons gevoel: binnen een paar minuten rammen we de stippen letterlijk en figuurlijk van het balletje. De mannen achter ons kijken zo nu en dan geanimeerd om en lachen in hun subtiele squashvuistjes om het geweld waarmee we elke bal wegperen. Wij weten niet beter en gooien het, wanneer we merken dat de twee stippen op het spel staan, op de verrassing die onze stijl bij doorgewinterde tegenstanders teweeg zal brengen.

Bij een 4-1 achterstand in sets komt Rob ineens de baan op. ‘Jongens, jullie hebben een leuke techniek, maar slaan veel te veel korte ballen’, is zijn ongewilde advies. Rob is trainer, maar bovenal scout. Als Rob met een blocnote in zijn hand langer dan twee minuten naar je autodidactische gezwaai kijkt, zit je gebakken. Waarvoor je in dat geval precies in aanmerking komt, is niet duidelijk. Misschien dat je op den duur zelf als scout aan de slag kan. Dat Rob dan scouts kan scouten. Of scouts die scouts scouten. Rob denkt altijd een stap verder. Ik ook: vandaag een set, morgen twee. 

vrijdag 17 februari 2012

Taarten van Abel




‘Ik heb een paar punten die ik met je wil bespreken. Dat wil ik doen in jouw mobiele bakkerij. Loop er mee rond, al minstens zeven weken. Kom alsjeblieft met je bakspullen bij mij.’ Volgehangen met bakspullen komt Abel al meer dan honderd afleveringen langs bij kinderen die samen met hem een taart willen bakken. Abel, met zo’n naam kun je bij mij, Abelfan van het eerste (en daarmee ook meteen het laatste) uur, niets fout doen. Ook als je eigenlijk Siemon de Jong heet en een tattoo op je onderbeen hebt.

Vandaag gaat Abel naar Julia. Julia is alleen thuis. Haar ouders zijn verzocht het pand te verlaten: vader drie jaar geleden door moeder, moeder vandaag door iemand van het programma. Julia wil namelijk een taart bakken, een taart voor haar opa. En als er iets vervelend is tijdens het bakken van een taart, dan is het natuurlijk de bemoeizucht van je ouder(s). Abel mag wel meehelpen, mits hij vier tassen met suiker meeneemt en de hond uitlaat. 

Ik vind Taarten van Abel het beste tv-programma van Nederland. Ik durf dit te beweren, want ik zie nagenoeg alles. De gesprekken die de kinderen met Abel voeren, ogen oprecht en natuurlijk en gaan over van alles, over belangrijke en minder belangrijke dingen. Geen ingestudeerde open deuren, geen opgewonden botoxhoofden die om de drie seconden ‘super’ en ‘bizar’ roepen. De kinderen vertellen wat ze willen vertellen en Abel reageert en bakt.

Zo ook bij Julia thuis. Als de hond een kijkje komt nemen, vraagt Abel naar de naam en het ras van de hond. ‘Beide Boomer’, antwoordt Julia. ‘Duidelijk.’, zegt Abel. En ze bakken verder. De aflevering duurt twintig minuten en bestaat voor het grootste deel uit de momenten dat Julia zin heeft om te praten. Ze praat over ijsjes, Oerle en uitgaanscentrum De Kers. Via uitgaanscentrum De Kers komt ze bij haar opa, de eigenaar. Ze weet pas sinds kort dat opa haar opa is. Haar tante had het verklapt, per ongeluk. Opa is aardig, grappig, heeft een bril, een snor en een staartje. Julia heeft hem nu een paar keer gezien.

De taart bestaat uit allemaal snorren, brillen en staartjes van marsepein, genoeg om een gebit mee te vernietigen - gelukkig loopt opa dat gevaar niet meer. Julia loopt er voorzichtig mee naar De Kers. Opa is blij verrast en pakt haar flink beet. Abel is dan al lang en breed uit beeld. Hij vraagt Julia niet hoe ze zich voelt. Dat kan misschien als opa weer friet bakt en de camera’s uit zijn.

dinsdag 7 februari 2012

Erben en Erik



Het is maandagavond, 6 februari 2012. Buiten is het bitterkoud. De koek en zopie zijn niet aan te slepen, ijsmeesters vallen over elkaar heen om de dikte van het ijs te meten; er wordt gestrooid met centimeters. In Friesland zitten Erben en Erik bij het haardvuur. De Wereld Draait Door staat aan, ze spelen Monopoly.

'Ah, fuck, Erik, ik moet de gevangenis in.'
'Meen je dat nou? Heb je Elfstedenkruisjes nagemaakt?'
'Nee, in het spel. Ik moet naar de gevangenis. En ik ga niet langs start.'
'Gaat ie niet van start? Echt waar? Maar dat is verschrikkelijk!'
'Nee, ik ga niet lángs start. Maar… Het zal toch niet waar zijn hè.'
'Erben, joh, doe niet zo kinderachtig hee, het is maar een spel.'
'Wat zeg je nou? Het is maar een spel?'
'Ja, dat is het toch? Gewoon een route langs verschillende steden.'
'Dit is een grapje hè? Dit doe je om me te stangen? Zeg dat dat het is.'
'Jezus, Erben, maak je je nu werkelijk druk om het verzamelen van een heleboel geld?'
'Ja, daar maak ik me zeker druk om! Of dacht je soms dat ik dit allemaal voor de lol deed?'
'Wat?'
'Nou, het hele algemene fonds.'
'Ja, dat dacht ik. Gek he? Dat ik dacht dat je voor de lol al die huizen kocht.'
'Dat doe ik met het geld dat mij beloofd is, Erik.'
'Maar dat geld is nep, Erben, dat geld bestaat niet. Dat weet je toch ook wel?'
'Hoezo, dan?'
'Erben, je moet niet ergens van uitgaan voordat je zeker weet dat het waar is.'
'Wacht even. Heb jij het nou over Monopoly?'
'Wacht even. Heb jij het nou over de Elfstedentocht?'
'Laten we gaan Ganzenborden. Dit wordt me te ingewikkeld.'
'Als je maar niet denkt dat ik een beurt oversla.'
'Maak je niet ongerust. Morgen zijn we gewoon weer op alle zenders te zien.'
'Mooi.'
'It giet oan.'

zaterdag 4 februari 2012

Leeftijd

Morgen word ik negen. Dan krijg ik een hond. Daarna ben ik een jongen met een hond. Duidelijk de acht jaar ontgroeid. Een jongen van acht heeft geen hond. Dat is onverantwoord.

Morgen word ik tien. Dan krijg ik een keyboard. Daarna ben ik een jongen met een keyboard. Duidelijk de negen jaar ontgroeid. Een jongen van negen heeft geen keyboard. Hooguit een hond.

In mijn team zitten jongens van veertien. Ik ben dertien, maar ik wil graag veertien zijn. Veertien is een mooie leeftijd, waarop je niet meer zo dertien bent: zo onhandig en zo verlegen.

Ik ben veertien. Er is niks aan, aan veertien zijn. Achttien zijn, dat wil ik. Net zo oud als mijn broer. Als je achttien bent, dan ben je volwassen, dan ben je af. Zoals je dan bent, zo blijf je, voor altijd. Of in ieder geval voor een lange tijd.

Vorige maand vierde ik mijn verjaardag, mijn achttiende. De maand erna zat vol onzekerheid, twijfel, noem maar op. Niks voor iemand die net achttien is geworden. Ik maak er maar het beste van; het zal wel snel zakken.

Ik ben nu 23. Het enige wezenlijke verschil met achttien zijn zit ‘m in het feit dat ik mijn leeftijd sinds een paar jaar in cijfers mag schrijven. Ik ben wel veranderd, maar die veranderingen staan los van leeftijd, denk ik. Maar misschien is die gedachte wel typerend voor een 23-jarige.

Morgen word ik dertig. Dan krijg ik een kaart met een grapje erop: ‘Je ziet er nog niets van, hoor.’ Daarna ben ik een man met zo’n kaartje. Duidelijk de 29 gepasseerd. Een man van 29 heeft niet zo’n kaart. De mazzelaar.

woensdag 1 februari 2012

Kamernet


Hey daar kwartelstraatbewoners!

Als jullie op zoek zijn naar een chille, relaxte, spontane, gezellige, vrolijke meid die overal voor in is, dan ben je bij mij helemaal aan het goeie adres!

Ik zal eerst iets over mezelf vertellen:

Ik ben Chrissy Liché, 18 jaartjes oud (bijna 19, hihi) en studeer vanaf dit jaar Leegheid in Utrecht. Daarnaast zit ik bij 23 verenigingen en fitness ik elke dag zes keer om lekker in shape te blijven. Ik zou het superchill vinden om een kamertje in het centrum te hebben, lekker dicht bij de stad, dan kan ik lekker vaak stappen, haha;););):):):D:p:P:p.

Ik hou van gezelligheid, stappen dus:p:):D:D;), leuke dingen doen, gezellig samen met vriendinnen op de bank hangen, af en toe een terrasje pakken, een drankje doen of een hapje eten, lekker filmpje pakken op zijn tijd, maar vind het ook relaxt om lekker mijn eigen ding te doen en gewoon zeg maar helemaal niks uit te voeren, haha;););):):):D:p:P:p.

Jullie kamertje sprak me helemaal aan. Vooral de ligging en de prijs zijn echt helemaal super! Ik woon nu nog in een gehucht vlakbij Eindhoven, bij me ouders, maar dat hou ik echt niet meer vol haha ;);):D:p. Ik hoop dan ook dat ik snel in Utrecht kan wonen en lekker kan gaan genieten van het studentenleven:):):).

Zo, wat kan ik nog meer over mezelf vertellen hahaha;);):p. Ik ben best wel netjes en schoon maar ook weer niet echt heel erg ofzo, ik ben altijd vrolijk maar ook wel ’s niet, net als iedereen;););). Verder heb ik geen huisdieren hahahaha en rook ik niet, alleen op feestjes, maar dat telt niet;););):):):D:p:P:p.

Hopelijk word ik uitgenodigd voor jullie hospiteeravond. Je kunt me altijd facebooken als je benieuwd bent naar me foto’s hahaha:p:P:D. Ik vertel heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeel graag meer over mezelf, maar dan ‘live’, hahaha ;););):):):D:p:P:p.

Liefs,
Chrissyxxx

Nog 57 berichtjes te gaan.

dinsdag 24 januari 2012

Series



Series kijken is scoren. Voor open doel, dat wel, maar toch. Kom op een onwennige zitverjaardag binnen en zeg tegen de eerste de beste achterneef die je ziet: ‘Ik vond Two and a half men leuker toen Charlie Sheen er nog in zat.’ en je zit de hele middag gebakken. Of: ‘The Office UK, ja, die is tóch net iets leuker dan de Amerikaanse.’ Geen vakantiehuis in Zeeland of binnendoorweg parallel aan de A2 houdt nog stand. Iedereen zal je bewonderend aankijken en je open deuren ontvangen met dankbaar geknik.

Naast je zit een jongen die niet knikt, een jongen die geen series kijkt. Deze jongen is gedurende de eerste minuten nog geanimeerd luisteraar, maar verandert daarna al gauw in een in zichzelf gekeerde sms’er. Voor hem zit het gesprek er na twee keer onbegrijpend lachen op. Hij heeft nog nooit The Office gezien en voelt ook niet de behoefte. Intussen spelen jij en ik (ik ben een buurjongen van de jarige, of een teamgenoot, of de broer) een scène na. We kennen de tekst woordelijk, allebei. Al gauw weten we dat ook van elkaar. En toch willen we elkaar imponeren. ‘Just a trail people,’ ‘Hahaha, ja, ja!’ ‘Do not panic, okay. it’s just a, a, a … ja, eh, a … eh …. trail, toch?’

Snel overschakelen naar een andere serie. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. ‘Julia en ik waren gisteren zó moe, dat we voor het eerst in tijden weer ’s een pizzaatje hebben besteld.’, hoor ik een (corporale) vriend van de familie zeggen. Dit is mijn kans. ‘Ik verveel me.’ Zeg ik zo hard ik het me kan veroorloven. Er volgt al gauw respons. Nota bene van de vriend van de familie zelf - hij had de broer van Kamphuis kunnen zijn. ‘Hahaha, heb jij honger dan?’ Ik: ‘Nee, maar dan kunnen we nog wel een pizzaatje bellen!’ Roeland giert het uit, samen met de andere Jiskefetkijkers. De rest van het gezelschap lacht ook, maar dan om de rare wendig die het verhaal van Roeland heeft gekregen. Niet veel later wordt er druk gesmst. 

Ook door de jongen naast je. Nog steeds. Ik probeer hem in het gesprek te betrekken en kies daarvoor de meest doeltreffende manier: ‘Maar de koning onder de series blijft toch Friends, hè, jongens, tijdloos! Op wie van Friends lijk jij het meest, eh, wat is jouw naam ook alweer?’ Johan, dat was zijn naam. En hij leek het meest op Ross. 'Ik denk niet dat Ross veel series kijkt. En als hij het al doet, houdt hij er op verjaardagen zijn mond over.'

maandag 16 januari 2012

De kluis



Eigenlijk wilde ik het hier niet meer over hebben. Anders wordt het zo’n gezeur, dacht ik. Ik zou me niet meer druk maken hierover, en als ik me druk zou maken, dan niet op papier. Desnoods zou ik me vol overtuiging afreageren op willekeurig hulpverlenend personeel – dat schijnt tegenwoordig nauwelijks nog op te vallen. Alles beter dan weer zo’n klaagzang. Het hele voornemen kan na twee weken weer de prullenbak in.

Ik ren in allerijl de trein uit, op weg naar een kluis waarin ik die ochtend mijn weekender gegooid heb. De planning van de dag had me, de avond ervoor, de nodige hoofdbrekens bezorgd: puzzels vol treintijden, handelingen, boterhammen en kluizen. Maar geen verspilde moeite, zo bleek, want ik lag precies op schema.

Bij het kluisje aangekomen herinner ik me de oude man, die, een uur of acht geleden, met een rood hoofd en ongecontroleerde bewegingen een kaartje in een van de kluizen probeerde te duwen. Zonder succes, waarschijnlijk, want als ik acht uur erna hetzelfde probeer, gebeurt er niets. Ik kijk naar een scherm, dat tussen twee kluizen verstopt zit. Er staat in groep-3-taal uitgelegd wat ik moet doen. Het haalt allemaal niets uit.

'Godsamme, dat heb je mooi voor elkaar, hee.’, snauwt de NS-medewerkster me toe. Een collega valt haar bij: ‘We zaten net lekker aan de koffie. Ik mag hopen dat het geen vals alarm is.’ Dienstverlening, denk ik, dienstverlening. ‘Je zal ‘m wel gevouwen hebben. Och jee, ik zie het al, je hebt hem gevouwen, man!’ Ik kijk naar de brillenglazen op de neus van de vrouw. Daar moet een flinke knik in hebben gezeten. Ze stopt een sleutel in de kluis en vraagt intussen naar het merk van mijn tas. Ik weet het merk niet. Wel kan ik ‘r mijn rijbewijs laten zien, ik weet immers dat in mijn tas mijn paspoort ligt. Dan is een merkje meer of minder niet al te relevant meer, denk ik.

De NS-vrouw denkt daar anders over. ‘Klopt het dat je er natte handdoeken in hebt gestopt?’, vraagt ze, en ik zie mijn natte handdoeken in haar handen uitgevouwen worden. Het antwoord laat zich raden, denk ik, maar ik zeg: ‘Ja, dat zijn mijn handdoeken.’ ‘En waarom heb je die er nat in gedaan?’ Zei ze dit nu echt? Ik probeer er niet op in te gaan. Het lukt me. Totdat ik langer stilsta bij het feit dat mijn tas ongevraagd opengehaald wordt door deze tactloze idioten, omdat hún kluizen niet werken.

‘Wij vinden het ook vervelend, jongen!’ Ik kan niet veel meer onzin verdragen, merk ik. ‘Dat snap ik.’, lieg ik, ‘Maar het zijn niet mijn kluizen. Ik mag er toch wel van uitgaan dat dit systeem werkt?’ Een agente springt bij. ‘Nu moet jij effe je grote mond houden, jongeman, en gewoon naar deze mevrouw luisteren.’ Ik begin langzaam gek te worden. Zit ik in een soort Truman Show ofzo? 

Moet ík mijn mond houden? Zou ik dat ook moeten doen als ze bij de Albert Heijn mijn boodschappentas om zouden kieperen? Of bij de fietsenmaker mijn fietssleutels zouden innemen? Dat is toch de wereld op zijn kop? Intussen herwint de vrouw, gesteund door de agente, weer wat van haar waanzin. Ze besluit haar absurde reeks aantijgingen in stijl, met: ‘Je zal wel een flinke schop tegen die kluis gegeven hebben, jochie.’ Ik zoek wanhopig hulp bij haar collega, maar die is allang weer koffie aan het drinken.

woensdag 4 januari 2012

Darten



Ik heb iets op te biechten: ik kijk naar darten, op tv. En vaak ook. Liefst elke dag, van de voorbeschouwing tot de laatste futloze pijlen van Gerald Sibon in de studio. Ik consumeer het gulzig en verlang direct naar meer.

Het komt niet eens door de pijlen in en naast de dubbels. Dat zal allemaal wel. Het zijn de darters en het is het hele circus eromheen, daarom kijk ik. De taferelen op en rond het podium brengen mij in een soort Gouden-Kooi-achtige vervoering. Ik geloof niet wat ik zie gebeuren, maar het gebeurt.

Eeuwige subersub Koert Westerman opent de avondvullende uitzending zoals hij zich eerder bij Voetbal International ook heeft verontschuldigd: ‘Dames, heren, u zult het met mij moeten doen vanavond.’  Bij hem aangeschoven is Gerald Sibon, bekend van de voetbalvelden, maar ook van de dartboards: hij gooit elke week pijltjes, in competitieverband. Op de ranglijst van RTL7 eindigt Gerald net onder Dreetje Hazes. Verdienstelijk.

Er wordt overgeschakeld naar Purfleet, waar vijfhonderd opgevoerde toeschouwers hun doorrookte longen uit hun zwaarlijvige lijf schreeuwen. Opgevoerd zijn ze door rondvliegende siliconentieten die zo af en toe aan een botoxlijf blijven plakken. De Miss Purfleets hebben zonet een rondje gelopen om en op het podium en mogen weer naar huis. Als in 2012 de wereld ophoudt te bestaan is de emancipatiecirkel in ieder geval weer helemaal rond.

Dan komen de darters in beeld. Twee mannen, vier oorbellen, acht tattoos, zestien buitenechtelijke zoons, waarvan er één ook is doorgedrongen tot het hoofdtoernooi, 32 bier achter de kiezen, 64 kilo aan overgewicht, deels veroorzaakt door 128 weggeschrokte hamburgermenu’s in de Mac van Purfleet. De mannen geven elkaar een boks – allebei zijn ze de veertig ruim gepasseerd.

Tussen de legs en sets door geeft Co Stompé in de studio deskundig commentaar. Je hoort hem dingen zeggen als: ‘Als hij die bull meteen gooit, heb ie ‘m bij zijn lurven hangen en speelt ie hem helemaal zoek.’ Co weet waar hij het over heeft, kan zelf putten uit een rijke ervaring met in de lurven hangen. Barney heeft hem er vaak uit moeten plukken, ’s avonds laat, wanneer de Engelse darters naar de pub waren en de Nederlandse fanatiekelingen hulpeloos achterbleven, elkaar vermoeiend met nieuwe gooitechnieken. Volgens mij is Nederland het enige land waarin darten als een sport gezien wordt.