maandag 22 augustus 2011

Voetbalspellen


Elke zomer schrijf ik me in voor een stuk of dertien online voetbalspellen: poules, toto’s, voetbalmanagers, die categorie. Allemaal spellen die mijn opkomende eredivisiezucht zodanig vergroten, dat ik op een zeker moment vertwijfeld maar noodgedwongen de (meest) recente kampioensdvd van PSV uit de kast trek. Buiten is het 25 graden, als ik Vennegoor of Hesselink twee keer fraai zie scoren tegen RBC. Bij mijn zoektocht naar de meest geschikte spellen, probeer ik er zoveel mogelijk te vinden die gratis zijn, maar waarbij je wel iets kunt winnen. Een beetje als in drie teams tegelijk voetballen zonder contributie te betalen.

Als dat gelukt is, probeer ik deze spellen tot aan het einde van het seizoen bij te houden. Ik heb echter nog nooit iets uitgespeeld. Meestal heb ik tegen oktober meer wachtwoorden kwijt gemaakt dan punten vergaard. De spellen zijn leuk als je veel tijd hebt en nog vol verwachting uitkijkt naar de naderende competitie. Gepromoveerde clubs, getransfereerde of volgens hen zelf onterecht niet getransfereerde spelers, daar zet ik de tv voor aan. Het wordt minder aantrekkelijk als je tussen twee scripties over de deletie van de slot-n door het scoreverloop en opstellingen van de wedstrijd Roda JC-Heracles Almelo moet voorspellen; een wedstrijd tussen teams die al ruim zestien wedstrijden in dezelfde samenstelling spelen en een abonnement hebben op 0-0. Goed voor de winstkansen, slecht voor de motivatie.

Maar, dit jaar wordt alles anders. Ik heb me ingeschreven voor drie online spellen. Het streven was één, maar, net als Foeke Booy, permitteer ik het me deze doelstelling onderweg bij te stellen, naar drie. Op twee ervan ben ik de grip al volkomen kwijt. Dat schiet op. Bij de eerste heb ik direct mijn kansen verspeeld door geen keeper op te stellen. Ik kreeg erg veel goals tegen, zo veel dat ik uitgesloten werd van deelname. De tweede is, zo bleek al gauw, een spel met te veel regels. Ik ben nog in de race, maar dat is puur te danken aan twee keer een middag digitaal beulen. Dat zie ik me geen derde keer, laat staan een vierendertigste keer doen.

Het derde spel kan wel eens het eerste spel worden dat ik tot het einde bijhoud. Het gaat terug naar de basis van voetbal, de uitslag. Deze wordt door ongeveer honderd kenners en een paar duizend kenners met pech voorspeld. Dat is alles. Geen doelpuntenmakers, scoreverloop, aantal ballenjongens boven de 1.50 meter, niks. Alleen de eindstand. Ik sta er goed voor, maak zelfs kans op een prijs. Alleen moet ik me, om hiervoor in aanmerking te komen, wel tegen betaling aanmelden voor BWIN. Vooruit dan maar. Eenmaal aangemeld en beroofd van een dierbaar principe, zie ik op de website staan: ‘De eerste vier speelrondes zijn proefrondes. Vanaf 2 september 2011 speelt u mee voor de prijzen. U start dan weer op 0.’ Ik niet, ik start niet. Ik heb nu al geen zin meer.

maandag 15 augustus 2011

De UIT


De UIT is begonnen. Of de UIT-week, al klinkt dat een beetje als de DSB-bank en elke gelijkenis daarmee is er een te veel. De UIT dus. Vanaf vandaag worden aankomend studenten ingewijd in het studentenleven in Utrecht. Of het leven in Utrecht, want veel meer leven dan studentenleven is er niet. Als ik afstudeer en ik blijf in Utrecht wonen, meld ik me denk ik opnieuw aan als UIT-loper. Om mijn aanstaande toeristenstatus nog even uit te stellen. Misschien ga ik wel bij een vereniging. Iets met alumni, omdat dat best een beetje korporaal klinkt.

In de UIT waar ik aan meedeed was de invloed van studentenverenigingen groot. Dit was de verdienste van alle rondleidingen, praatjes, folders die je opgedrongen werden door hees pratende studenten met ingewikkelde, vergezochte titels. Zij strooiden alle verzamelde aardigheid en overtuigingskracht over de duizenden onwetende studenten uit, in de hoop hen met een vertekend beeld enthousiast te kunnen maken voor het verenigingsleven. Het had resultaat. Je kreeg het idee dat zonder lidmaatschap je studentenleven in een eenzame en kansloze onderneming zou veranderen. Je was nergens welkom, moest aansluiten in een aparte rij in de supermarkt en je fiets werd voorzien van een oranje vlaggetje. Dat iedereen het zag.

Ik moest het allemaal nog zien, al was ik er niet helemaal gerust op; een fiets aanschaffen kon altijd nog. Na de UIT was er van de dominantie van studentenverenigingen echter weinig meer over. Misschien hadden de ontgroeningen bij de nieuwe leden voor enige terughoudendheid gezorgd, was er weinig behoefte om meer mensen daarin mee te sleuren. Of om erover op te scheppen. Hoe het ook zij, ik was er blij mee. Het sociale isolement gold nu eerder voor het verenigingslid en in ieder geval niet langer voor de gewone student. Die was vrij om elke avond te doen wat hij wilde, kon zelf kiezen met wie hij optrok en waarover hij wel en niet sprak. Daar hadden ze in de UIT ook best reclame voor mogen maken.

woensdag 10 augustus 2011

Medewerker van de maand


Het is een van de makkelijkste bestedingen van een (vroege) uitgaansavond: met een paar vrienden een Mac binnenlopen en daar in de rij zuchtend en lachend tegen elkaar zeggen hoe traag en dom het personeel is. Want, het is waar, vaak duurt het lang en nog vaker word je er niet al te doortastend geholpen. Punt is dat dat op tweehonderd andere plekken in de stad ook het geval is. Alleen lopen daar knappe serveersters of tappen er knipogende barmannen. Dat vergoedt een hoop.

Je zal er als gevierde scholier of geslaagde student maar eerlijk voor uitkomen, dat je ver weg wel bewondering hebt voor mensen die dagelijks in de walmen staan van het spul dat bij jou tien seconden na het doorslikken alweer naar boven komt. Dat zou een blunder van jewelste zijn. Je bent een gevierde student of geslaagde scholier en dat houdt in dat je het personeel van de Mac ziet als een verzameling achterlijke niksnutten die het proces vanaf het hamburgers kiezen tot hamburgers eten onnodig en doelbewust vertragen. Pfoeh, daar ging je bijna. Gelukkig is het niemand opgevallen. Toch?

De Mac-jongen die je helpt vraagt je op verdacht vriendelijke toon of de Big Tasty zonder tomaten,  met extra kaas en een apart bakje saus om meteen op te eten is, of dat je het liever meeneemt. Je dreigt even de grip op de situatie te verliezen. Gaat die dwaas je nu ook nog dwingen te kiezen, nadat hij eerst de boel al opzichtig ophield door vier keer je bestelling te herhalen? Gelukkig pak je op tijd de draad weer op. Je moet er toch niet aan denken wat de gevolgen zouden zijn van een dankbaar ‘Een zakje zou wel handig zijn’ of ‘Wat raad je me aan?’ Je recht je rug, schraapt je keel en verkondigt minzaam lachend de gevatte wijsheid waar je de voorbije seconden op hebt zitten broeden: ‘Het is om meteen mee te nemen, ik eet het zo op.’ De jongen draait zich om en haalt zijn schouders op. Hij is deze maand voor de derde keer op rij medewerker van de maand. Dat doet geen enkele klant hem na.

maandag 8 augustus 2011

Sjoelen


Als je er samen met je teamgenoten voor zorgde dat Sauron niet voorbij het eerste vakje kwam waarop een speler stond, had het hele team gewonnen. Het hele team, alle spelers. Van Sauron, een zwarte, vierkante steen met een rode stip in het midden. Sauron kwam dichterbij als het team steken liet vallen, door bijvoorbeeld te weinig ringen, zwaarden of speciale kaarten te verzamelen. Om de vernedering van een dergelijke mislukte missie te vergroten, moest Sauron bij elke gewonnen stap door een van de teamleden naar voren gesleept worden. Hij liet zich naar de overwinning leiden, de kwal.

Avond na avond hoopten onze frustraties zich op. Na elk potje Lord of the Rings was Sauron de mazzelige winnaar, de geslepen valsspeler of de getikte spelmaniak. Bijbehorende verwensingen die, wanneer op een medespeler gericht, voor wat opluchting zouden zorgen, ketsten van zijn stenen lijf af en drongen vervolgens binnen in het rusteloze lichaam van de schelder. Ook wanneer er gewonnen werd, kon de euforie niet op een of meerdere geïrriteerde of verbijsterde medespelers gericht worden. Alle emoties bleven binnenboord. Tot ons groot ongenoegen. We waren er na een aantal keer spelen over uit: een spel waarbij je óf met zijn allen won óf met zijn allen verloor van een stuk steen, daar was geen lol aan.

Net als een heleboel andere spellen trouwens, waar wel medespelers verslagen konden worden. Hoewel onderlinge competitie bij ons thuis een voorwaarde voor een geslaagd spel bleek, was het nog lang geen garantie erop. Een spel dat de ambitie had door ons gespeeld te worden moest tevens eenvoudig zijn, maar ook weer niet zo eenvoudig dat na drie keer spelen alle strategieën op tafel lagen. Het moest daarbij spannend zijn, maar niet zo spannend dat de stand elk moment volledig kon omslaan. Het spel moest een WC-bezoek kunnen verdragen: als de WC-klant bij terugkomst meteen zijn biezen kon pakken, werd het door ons gedecideerd afgeschreven. Tot slot moest er precisie en inzicht bij komen kijken, maar niet zoveel dat toeval helemaal aan de kant geschoven werd. De waan van de dag en de stand van de sterren moesten van enige invloed zijn.

En daarom zijn we gaan sjoelen. Avonden achter elkaar. Indoor en outdoor. Medespelers werden verslagen of hadden achteraf gezien verslagen moeten worden. Sjoelen staat bovenaan de ranglijst der eenvoud, maar laat voldoende ruimte open voor (enigszins) doordachte tactieken en strategisch gegroepeerde stenen. Er kan, wanneer er niet bij anderen afgekeken of met scores gefraudeerd hoeft te worden, vaak en lang naar de WC gegaan worden. Je moet wel in de gaten houden wanneer je weer aan de beurt bent, om te voorkomen dat anderen namens jou gaan gooien en daarmee je winstkansen weg zijn. Wat sjoelen tot het allerleukste spel denkbaar maakt, is de flexibele inzetbaarheid van geluk en kunde. Geluk kan te allen tijde op het bord van de winnaar geschoven worden, terwijl eigen mazzelstenen tot meesterzetten gepromoveerd kunnen worden met een geïmproviseerde redenering vol effectstenen, stootstrategieën en voorbereide treintjes. Elke nederlaag wordt hierdoor verzacht en elke overwinning versterkt. Het enige minpunt van sjoelen: ik verlies. Altijd.

zondag 7 augustus 2011

The Tree of Life


Wij doen niet aan Moederdag. Ook niet aan Vaderdag trouwens, maar op de een of andere manier is dat minder gedurfd. Moederdag niet vieren, daar kies je voor, terwijl Vaderdag vergeten je meer overkomt. Moeders zijn blijkbaar commercieel aantrekkelijker. Of gewoon veeleisender. Mijn moeder is het tegenovergestelde van veeleisend, wat wij thuis graag aangrijpen als excuus om Moederdag te negeren. Bovendien wordt bij ons elke dag als een mogelijke geefdag gezien. Elke dag kan zomaar een Moederdag worden.

Na een incidenteel bosje bloemen en een bescheiden stapel verjaardagcadeaus heb ik mijn moeder vorige week dinsdag voor het eerst meegenomen naar de film. Daarvoor nam ze mij altijd mee. We waren benieuwd geworden naar The Tree of Life. Die zou het worden. En zo zagen die avond een bizarre, pathetische film vol met levensvragen en -wijsheden die door een intens fluisterende stem van veel lading werden voorzien. Beelden van planeten en allerlei natuurverschijnselen overheersten en verwarden. Na twintig minuten keek ik mama hoopvol aan. Ze wilde het nog even aanzien. Anders kwam ik wel erg gemakkelijk van mijn eerste filmtraktatie af.

We hebben uiteindelijk de hele film gezien. Niet omdat het beter werd, maar omdat we daarop bleven hopen. Tegen beter weten in. Om ons heen begonnen mensen zenuwachtig te lachen of geïrriteerd te zuchten op momenten dat Brad Pitts frons zowat onder zijn neus eindigde of de filmmuziek zwaarder dan zwaar nagalmde. We waren kennelijk niet de enigen die de stemming van de film niet (langer) konden verdragen. Wel de enigen die zich daarover niet al tijdens de film opwonden. We hebben het allemaal zwijgend doorstaan, we hebben de film ‘geïncasseerd’. Ook thuis hebben we er niet veel woorden meer aan vuil gemaakt. Voortaan neemt mijn moeder mij weer mee naar de film, klaar.

zaterdag 6 augustus 2011

Plukkers


De steken in mijn buik zakken gelukkig een beetje. Ik vreesde al voor de huisarts. Een bezoek eraan vult in mijn geval vaak een volle dag. Van het reisschema zouden de NS vergelijkbare steken krijgen. De praktijk van de huisarts is gelegen in mijn vroegere woonplaats Hilvarenbeek – de huisarts zelf is vast in de veronderstelling dat ik nog steeds daar woon, om de hoek. Ik ben er al een paar jaar niet meer geweest. In die jaren heb ik een aantal keer overwogen in Utrecht een huisarts te nemen, maar nooit daadwerkelijk de overstap gemaakt.

Net zo eenkennig, of laks, ben ik met kappers en tandartsen. Mijn kapper zit eveneens in Hilvarenbeek en mijn tandarts helemaal in Sint-Michielsgestel, vlakbij Sint-Oedenrode, waar ik tot mijn zevende/achtste jaar woonde. Ik hoereer me lustig door het aanbod supermarkten, kledingwinkels en fietsenmakers, maar deins resoluut terug als er in Utrecht aan me geplukt dreigt te worden. Dan sprint ik naar de eerste de beste snelbus die me naar de vertrouwde plukkers kan brengen.

Dit zijn trouwens niet de minste. Mijn kapster gaat met Nol Havens, de zanger van V.O.F. de Kunst en mijn tandarts heeft in het verleden de gouden tanden van gedetineerden behandeld. Mijn huisarts heeft geen bijzonderheden, volgens mij. De huisarts die in dezelfde praktijk huist wel: ik heb haar zoon nog hockeytraining gegeven. En nu geeft mijn moeder hem Spaanse les. Zo zie je, het is allemaal niet voor niets.

Eigenlijk wel. Ik ben tevreden met mijn tandarts, kapper en huisarts, maar ik zou waarschijnlijk ook tevreden zijn met Utrechtse equivalenten. Keuze zat. Het zou me bovendien minder moeite kosten om erheen te gaan. De zeurende verstandskies zou dan misschien allang verwijderd zijn, net als de zeurende pluk haar in mijn ogen en de zeurende buikkrampen. Voorlopig zeur ik zelf het hardst om drie afspraken op zaterdag te kunnen maken, omdat ik doordeweeks niet eens begin aan een retourtje nostalgie. Volgende week open ik in Utrecht de plukkersjacht.

vrijdag 29 juli 2011

De Parade


Dit jaar stond ik voor het eerst op de Parade. Als toeschouwer. Voorgaande edities was ik de back-up van de doventalk. In de silent disco. Ondankbaar werk.

De parade is een theaterfestival dat ooit in Den Bosch begon en nu vooral de randsteden aandoet. Tot aan dit weekend had ik de kans om in Utrecht mijn Paradevuurdoop te beleven. Met vriendinnen die het liefst niet anoniem willen blijven, Karlijn en Klara, heb ik de afgelopen week een aantal voorstellingen bezocht. Leuke voorstellingen, originele voorstellingen vooral. Toch zijn andere ervaringen dan deze me meer bijgebleven.

Na drie passen op het kermisachtige terrein gezet te hebben zien we Hadewych Minis zitten. Ontspannen, maar wel aanwezig, voor op haar stoel, praat ze wat met toeschouwers en voorbijgangers. Ze lacht en is oprecht dankbaar voor complimenten die haar, naar later blijkt terecht, ten deel vallen. Geen jachtigheid, geen arrogant uitgevoerde handtekeningrituelen, gewoon zitten en maar zien. Als dit een voorteken is …

We zijn te vroeg voor onze eerste voorstelling. Op het terras trekt een meisje opzichtig de aandacht door een aantal keer hard de naam van iemand, waarschijnlijk een vriendin, te roepen. Als ze ziet dat ik geërgerd naar haar kijk, schudt ze meewarig haar hoofd: ziedaar het zoveelste paradegroentje dat niet begrijpt dat serveersters de naam van (voormalig) bestellers roepen, en niet van vriendinnen. De verontwaardigde zucht erna moet met de naam ‘Thea’ te maken hebben gehad.

Twee dagen later ga ik weer. Met Klara, een vriendin van Klara en een vriendin van de vriendin van Klara. Er gaan ook mannen naar de Parade, alleen niet met mij. We zien Case Mayfield, singer songwriter, optreden in een van de cafés. Hij staat op een podium naast de loserbar. Nota bene de barman komt met deze naam aanzetten. Het nodigt niet zo uit, de loserbar. Toch wordt het steeds drukker. Na afloop signeert Case Cd’s met zijn naam en tekeningen van huizen en bomen.

De avond sluiten we af in de silent disco. Nog een vuurdoop. Linda, Roos, Jessica en een overenthousiaste dj vullen de koptelefoons. Fascinerend wordt het als je je koptelefoon afzet en je ziet waar je mee bezig bent. Je waant je in de Tivoli, maar je staat in een kooi, waar het enige geluid afkomstig is van a capella zingende silent-discogangers, jijzelf incluis. De werelden van onder de koptelefoon en zonder de koptelefoon liggen mijlenver uit elkaar. Het is een bijzondere ervaring. Zoals het meeste op de Parade dat was. Volgend jaar weer.

dinsdag 26 juli 2011

Binnen spelen



Het puzzelmuseum was de hele kerstvakantie geopend. Tegen betaling van een gulden konden mijn ouders, mijn broer of vriendjes een dag lang rondlopen in mijn kamer, waar ik (gelegde) puzzels op de vloer voor hen had uitgespreid. Er lagen puzzels bij van vier stukken, maar ook van honderd stukken, die ik extra goed in de gaten hield. Er lagen puzzels van mijn broer en er was een Bert-en-Ernie-hoek. Voor papa en mama waren de puzzels te koop. Voor een gulden mochten ze een puzzel naar keuze, behalve die van honderd stukken, meenemen. Zij kregen dan de stukken mee, deden deze in de doos en gaven die de dag erna weer aan me terug, zodat ik nog een beetje kon doorpuzzelen. De doos nam ik voor slechts een gulden van ze over en zo hield ik het museum draaiende.

In de kerstvakantie speelde ik ook wel eens, alleen of met mijn broer of een vriendje, bij Tante Jeanne. Als papa en mama een middag weg waren, bijvoorbeeld. Tante Jeanne was niet mijn tante, maar woonde op het erf en was de vijftig gepasseerd en verdiende daarom de titel tante. Tante Jeanne was een leuke tante, maar ze had een paar vreemde gewoontes.

Als de zon doorbrak, of het begon licht te sneeuwen, graaide ze altijd alle winterkleren die ze kon vinden bij elkaar en kleedde me aan om buiten een wandeling te maken, een sneeuwpop te maken of sneeuwballen te gooien. Hartstikke leuk natuurlijk, maar ik wilde op die momenten lang niet altijd naar buiten. Soms moest ik een nog niet afgebouwd Lego-kasteel achterlaten en het kwam ook voor dat ik het nooit meer afmaakte. Voor Tante Jeanne mocht dit alles niet baten. De sneeuw bepaalde wanneer we naar buiten gingen en hoe lang we er bleven. ‘Je kunt met dit weer niet binnen blijven’, zei ze dan.

En daar zit natuurlijk ook wel wat in. Als het even kan probeer je van mooi weer te profiteren. Bijvoorbeeld door met je broer op sokken een indoor schaatstoernooi te houden, omdat je ouders buiten op het terras zit. Profijt is profijt. Daar scheidden de wegen van mijn en Tante Jeannes mening. Profiteren kon volgens haar alleen in de buitenlucht.

Toch heb ik wel eens pijn in mijn buik als ik overdag drie afleveringen Friends kijk en ik moet de laptop draaien omdat de zon door het raam heen op het scherm reflecteert. De Tante Jeanne in mij doet uiteindelijk dan toch mijn schoenen aan en loopt naar buiten. Ik sta stil voor de deur en ga op de stoep zitten en klap de laptop open. Als ze het zou zien, zou ze toch een beetje trots op me zijn, denk ik.

Deze zomer hoef ik niet op zoek naar dat soort compromissen. Alle stemmen die ik in mijn hoofd hoor roepen in koor dat het slecht weer is en bevelen me binnen te blijven. Dat doe ik. Tante Jeanne had vast begripvol geknikt, als ze had gezien dat ik gisteren twee keer Zomergasten terugkeek. Zoals ze het ook had begrijpen dat ik erna een Twitteraccount aanmaakte en twee uur lang niets anders deed dan tweets van onbekende mensen lezen. Vandaag ga ik verder met het Lego-kasteel. Als ik hem af heb, bouw ik er nog een.

maandag 25 juli 2011

Gesneden koek


Dit jaar vind ik het voor het eerst jammer dat de Tour de France afgelopen is. Anders zette ik na de laatste etappe gewoon de radio weer aan en merkte geen verschil. Dit jaar doe ik hetzelfde, maar het gewauwel van Koen en Sander kan het gewauwel van Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot niet zo gemakkelijk wegspoelen als het dat de vorige jaren kon.

Mogelijk omdat ook Michael Boogerd deze editie van zich liet horen. Je door drie ervaringsdeskundigen laten vertellen dat klim x gelijkstraat aan twee keer opstaan uit de dood – Jezus zou ergens achter in het peloton fietsen – is een ervaring waar geen enkel radioduo tegenop kan. Vooral de ijzige stiltes, nadat Herbert Maarten tegenspreekt, over een onderwerp waar Maarten net tien minuten lang vol zelfingenomenheid over zat te raaskallen, hebben bij mij diepe sporen nagelaten.

De tour is kijken is voor velen een saaie, voorspelbare bezigheid. Corruptie en wantrouwen zijn voor hen aan de ronde gekoppeld zoals schwalbes en ander spelbederf bij voetbal zijn gaan horen. Als Cavendish vijf etappes wint, is dat meer de verdienste van de arts dan van hemzelf. Hetzelfde geldt voor de plotselinge opstanding van Voeckler, die twee weken lang in het geel rijdt. Dat doet hij niet op eigen kracht.

Wat voor mij de tour zo leuk maakt, is de complete blanco toestand waarin ik verkeer als ik ernaar kijk. Al het bovenstaande is mij geheel onbekend. Ik ben een leek, alles is nieuw voor mij; ik weet van niks en kom van nergens. En al zou ik ergens van komen, dan hou ik me van de domme. Het moet wel leuk blijven, dat is het idee. Alle kanttekeningen bewaar ik voor de dagen na de tour, voor nu.

Aldus: als je gedurende alle etappes slechts op je fiets te blijven zitten, ben je op de laatste dag verzekerd van een plek bij de bovenste tien. Gesink kan het weten. Hij koos ervoor om twee keer te vallen, koos voor de eerlijke manier. Het resulteerde in een drieëndertigste plek. Hoogerland koos ook voor de valpartij, maar voor hem pakte die wel goed uit. Waar vanaf het moment dat Gesink zijn fiets opraapte getwijfeld werd aan de ernst van de ernst van zijn blessure, konden van de drieëndertig hechtingen van Johnny slechts de vier ervan in zijn fietsbroek met een korreltje zout genomen worden. Johnny werd een cultheld, bij gebrek aan een echte.

Daarbij: als je je verslaapt en je loopt twee weken te laat de teambus uit, net op tijd voor de start van de eerste bergrit, is er niets aan de hand. Als je de Schlecks in de gaten houdt en je rijdt vervolgens de tijdrit op een fiets met twee wielen en een stuur, lonkt een podiumplaats. Te vroeg naar huis gaan, vraag het Lars Boom, is geen goede tactiek. Je kunt dan zoveel gele en groene truien verzameld hebben, ze ze gaan linea recta de prullenbak in als blijkt dat na de tweede week de koek op is.

Tot slot: als je affiniteiten heb met welke vecht- of verdedigingssport dan ook, heb je een streepje voor op degenen die dat niet hebben. Kijk naar Alberto Contador. Die maaide wild om zich heen toen supporters met bar en al voor hem opdoken. Ten Dam daarentegen liet de beruchte Nederlandse bocht,  bocht zeven, helemaal zijn gang gaan. Het gevolg: Contador streed tot de laatste meters om de etappewinst en Ten Dam kwam, met een zwaar gehavend gezicht, twintig minuten later binnen. Hij zei genoten te hebben van de sfeer in de Nederlandse bocht; dat het voelde alsof hij omhooggetrokken werd. De verwondingen aan zijn gezicht kwamen van een lullige val een paar dagen ervoor. Ja ja. Een val in het gras. Het werd op dat moment allemaal pijnlijk duidelijk: als je je niet verweert, word je van je fiets (omhoog)getrokken, word je gezicht bewerkt en hoor je van alle kanten bedreigingen, waarna je bij de NOS een of ander onzinverhaal denkt te moeten ophangen.

Nu ik dit allemaal weet, denk ik dat ik volgend jaar bij de start van de tour de radio al aanzet. Pas als Gesink, of een andere Nederlander, het goed doet, er een etappe lang geen valpartijen zijn of er dranghekken om de rijendikke mensenmassa staan, zet ik hem iets zachter, in de hoop getuige te zijn van een verrassende tourgebeurtenis. Maar ik denk niet dat zoiets zal gebeuren. Het zal wel weer precies zo gaan als dit jaar.

zondag 24 juli 2011

Kermis



Het is kermis. De hele week, tot maandag. Als ik vroeger op vakantie vertelde waar ik vandaan kwam, zei ik dat ik vlakbij Tilburg woonde, de stad waar elk jaar een week lang de grootste kermis van Europa stond. Ik zei dan dat er wel duizend attracties waren en dat hij minstens tien kilometer lang was. Ik zei er niet bij dat ik als de dood was voor attracties, dat achthonderd van de duizend attracties niet bestonden en dat tien kilometer alleen klopte als je de weg terug ook meerekende. Het enige wat niet verzonnen was werd een paar jaar terug alsnog een verzinsel: de Tilburgse kermis degradeerde tot de grootste kermis van de Benelux.

Ongeveer een maand voordat ik deze stoere praatjes verkocht aan mijn tafeltennisvriendjes op de camping in Bretagne of Normandie, hing ik steevast drie dagen achter elkaar rond op de kermis. Op de kermis waar ik op vakantie wijselijk mijn mond over hield, de kermis van Hilvarenbeek. Deze kermis kon gemakkelijk doorgaan voor de kleinste kermis van Europa, maar ik vond hem leuker (minder stom) dan zijn grote broer in Tilburg. Dat kwam vooral door de gokrij. Op het centrale plein in het dorp werd een aantal jaarlijks terugkerende attracties opgebouwd, aan de rand van dat plein had je een straatje met uitsluitend eet- en gokkramen: de gokrij.

Voor mij was het zaak om de drie dagen dat de kermis er stond, zoveel mogelijk in de gokrij rond te hangen. Ik wilde tegenover mijn vrienden en gedroomde vriendinnetjes geen slecht figuur slaan door mokkend thuis te blijven zitten, maar durfde ook niet in het draaiende en omhoogschietende epicentrum van de kermis te komen. De reden achter dit zelfverkozen gokrij-isolement mocht niemand weten. Niemand mocht weten dat ik niet in attracties durfde die draaiden of omhoog en omloog gingen of… Niemand mocht weten dat ik niet in attracties durfde.

En dus verzon ik smoezen. Bergen. Ik verzon ze soms thuis al. Ik rangschikte ze dan op kwaliteit en hoopte dat ik niet over de helft zou komen. Door mijn ingestudeerde verhalen had ik bij elke gevreesde uitnodiging een paar voorbereide uitwegen voorhanden en liep ik niet het risico me in mijn eigen gehakkel te verslikken en pas weer in de Mission Space uit mijn doodsbange woorden te komen.

Een dag op de Hilvarenbeekse kermis begon vaak rond een uur of drie. We gingen uit school meteen ernaartoe, gooiden onze fietsen tegen de hekken voor de VVV en liepen naar het plein. Het gooien met mijn fiets deed ik altijd met veel overtuiging. In deze fase speelde ik nog een rol van betekenis, kon ik nog volop meedoen met de groep. We waren nog allemaal samen en hadden tot aan dat moment hetzelfde meegemaakt - op school, iets waar gauw verandering in zou komen.

De eerste attractie, The Spider (om er in te komen)  werd door mij overgeslagen. Ik wenste iedereen veel plezier en ging zelf even bij mijn neef kijken. Mijn verzonnen neef was aan het grijpen in de gokrij. Hij had beloofd dat als ik kwam kijken, het eerste door hem gegrepen horloge voor mij zou zijn. Ik kwam de groep weer tegen bij de botsauto’s. De botsauto’s vond ik niet eng, daar durfde ik in. Omdat ze onder de attracties geschaard worden, konden de botsauto’s voor mij niet stuk; ze vormden de ultieme ontkenning van mijn attractieangst. Ik probeerde altijd zo lang mogelijk in de botsauto’s te blijven zitten, stelde aan iedereen minstens een keer voor om samen in een auto te gaan.


Helaas behoorden de botsauto’s slechts tot het voorprogramma van de gemiddelde kermismiddag. Vaak stonden we een kwartier alweer aan de kant. Het echte werk moest nog komen en daar werd de meeste tijd voor uitgetrokken. Na de botsauto's begon de tocht langs alle ‘echte’ attracties. Tussen de grote jongens door werd er zo nu en dan uitgeweken naar de gokrij, of het ‘laffelaantje’, zoals mijn vrienden het misprijzend noemden, om mij op te pikken. Ik was net even in een café naar de WC geweest. Of ik had mijn, vooraf neergelegde, blik tennisballen gevonden. Als ze me niet meteen konden vinden, kwam dat doordat ik vergeten was dat ik helemaal geen schoon shirt bij me had en daadwerkelijk naar huis moest om er een te gaan halen. Thuis aangekomen vroeg mijn moeder dan altijd: ‘En, nog iets gewonnen vandaag?’